Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

1009 - O lieve Heer, geef vrede


Da pacem, een gebed om vrede

Willem Barnard
Genève 1542
Psalm 6

Tekst

De toelichting op de tekst is overgenomen uit ‘Een Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken’ (Amsterdam 1977) en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is.  De melodietoelichting is wel nieuw.

In het oude Latijnse kerkboek, het Missale Romanum, dat zoveel goeds en zoveel rariteiten uit alle eeuwen bewaard heeft, vond ik bij de introïtus van de achttiende zondag na Pinksteren een citaat van Jezus Sirach (36,8) als antifoon , waaraan ik de eerste regel van dit lied ontleende. ‘Da pacem, geef vrede’, zegt die tekst, ‘opdat uw profeten betrouwbaar bevonden worden’. Da pacem’ is dan ook de titel van het lied in De Tale Kanaäns (Hilversum 1963, blz. 109).

De strofevorm ontleende ik aan Psalm 6. Maar het lied met zijn naïeve tekst is ook vaak gezongen op de huppelende melodie van Herman Strategier (1912-1988) die hij schreef bij de tekst ‘O godd’lijk alvermogen’ (zie Zingt Jubilate 523). Niettemin is voor het Liedboek voor de kerken de eerstgenoemde melodie aangehouden.

Auteur: Willem Barnard


Melodie

Ontstaan en verspreiding

Willem Barnard heeft zijn lied geschreven op de melodie van Psalm 6. Oorspronkelijk werd deze melodie gecomponeerd bij de berijming die Clément Marot (1496-1544) van deze psalm maakte: Je te supplie, ô  Sire (deze beginregel werd later gewijzigd in Ne veuille pas, ô Sire). De berijming van Marot werd in Straatsburg gezongen op de melodie van Mein Seel erhebt den Herren mein (Magnificat), zoals deze onder meer te vinden was in het Straßburger kirchen ampt (Straatsburg 1525). Met deze melodie verscheen de psalmberijming in La manyere de faire prieres (Straatsburg 1542) en de Straatsburgse psalmboeken die daarna tot en met 1553 verschenen.

In Genève werd Marots psalm echter voorzien van een nieuw gecomponeerde melodie. Omdat hij van 1541-1545 cantor van de gereformeerde kerk van Genève was, ligt het voor de hand dat Guillaume Franc (±1505-1570) de melodie componeerde. De melodie verscheen in 1542 voor het eerst in de Geneefse psalmboek La Forme des prieres et chantz ecclesiastiques:

 De melodie is daarna niet meer uit het Geneefse psalter verdwenen en evenmin werden er nog wijzigingen in de wijs aangebracht.

Voordat de melodie in de Nederlanden beschikbaar was via de psalmberijming van Petrus Datheen (1531-1588), had Jan Utenhove (1516-1566) haar al opgenomen in zijn 25 Psalmen ende andere ghesangen die men in de Duydtsche Ghemeynte te Londen was ghebruyckende (Emden 1557) bij Psalm 101 ‘Van goedtheyt end gherichte’. Lucas de Heere (1534-1584) maakte een Nederlandse berijming van Psalm 6 (‘En wilt my niet, ô Heere!’) en nam deze met de bijbehorende Geneefse melodie op in Psalmen Davids Na d’Ebreeusche waerheyt (Gent 1565).

Tot en met de achttiende eeuw vond men de melodie aantrekkelijk, want zij werd voor menig contrafact gebruikt, waarbij of de melodie genoteerd werd, of verwezen werd naar Psalm 6 uit Datheens berijming (‘Wilt my niet straffen Heere’). Sommige auteurs waren erg gesteld op de wijs, zoals de doperse dichter Leendert Clock (geboorte- en sterfjaar onbekend) die haar in Het groote liede-boeck van L.C. Inhoudende veelderhande schriftuyrlijcke liedekens (Leeuwarden 1625) bij maar liefst zeven liederen gebruikte.

In de negentiende en twintigste eeuw was de melodie minder geliefd, en werd zij – een enkele uitzondering daargelaten – niet meer uitgekozen voor contrafacten.

Analyse

Uit de voortekening van één kruis en de slotnoot e’ zou op het eerste gezicht afgeleid kunnen worden dat we te maken hebben met een melodie in e-klein. Het betreft echter een dorische melodie, waarbij de e’ niet de tonica is, maar juist de dominant. Het hele lied speelt zich af in het dominantbereik van de dorische modus. Deze dominant wordt ook wel ‘roeptoon’ genoemd, en daarmee is de melodie voor een deel gekarakteriseerd. Maar dat roepen heeft meer het karakter van verstild smeken dan van uitroepen. Dat het niet om een onstuimig roepen gaat, wordt mede veroorzaakt doordat het gelijkmatige ritme van regel 2 in de volgende drie regels terugkeert: een halve noot, gevolgd door vier kwartnoten en afgesloten met een of twee halve noten.

‘Intensivering’ is een belangrijk kenmerk van de melodie. De eerste regel is daar een voorbeeld van: hij komt zowel melodisch als ritmisch langzaam en gelijkmatig op gang, maar eindigt intenser met een syncopisch melisme. Het melisme van drie noten in de eerste regel is een bijzonderheid binnen het Geneefse psalter. Naast Psalm 6 komen we melismen alleen nog tegen in Psalm 91 (regel 2, 4) en 138 (regel 6).

Dat de melodie steeds indringender wordt, blijkt ook uit toename van de ambitus: regel 1 heeft de omvang van een kwart, regel 2 van een kwint, regel 3 van een sext, regel 4 van een septiem. Vanaf regel 5 komt de melodie meer tot rust, vooral doordat de vijfde regel grotendeels de vierde regel een kwart lager herhaalt.

De regels 1, 3, 5 en 6 spelen zich in hetzelfde toonbereik af (hexachordum durum), terwijl de regels 2 en 4 een hoger toongebied gebruiken (hexachordum naturale). Waar in regel 2 de hoogste noot (d”) al even aangeraakt wordt, bereikt de melodie melodisch haar hoogtepunt toch nadrukkelijker in de vierde regel.

Auteur: Jan Smelik


Media

Uitvoerenden: Sweelinckcantorij o.l.v. Christiaan Winter; Piet Hulsbos, orgel (bron: KRO-NCRV)