Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

119a - Uw woord omvat mijn leven


Sytze de Vries
Willem Vogel

Tekst

Ontstaan en verspreiding

Over het ontstaan zegt de dichter Sytze de Vries zelf: ’De tekst werd geschreven in 1985, toen de dichter Ad den Besten een Heinrich Schütz-project opzette, als een verlate bijdrage aan de viering van het ‘Schütz-jaar’ in datzelfde jaar. Schütz heeft veel fraaie melodieën geschreven bij de psalmberijming van Cornelis Becker. Deze gedreven Lutheraan wilde tegenover de calvinistische psalmberijming van Ambrosius Lobwasser een Lutherse versie stellen. Een groot dichter was hij echter niet en deze teksten worden niet of nauwelijks meer gezongen. Reden te meer om tot een uitgave te komen met Nederlandse contrafacten en zo de Schützmelodieën weer tot klinken te laten komen. Deze tekst beoogde zo een herberijming te zijn van Dein Wort, Herr, nicht vergehet. En het werd opgenomen in de bundel Contrafacten (1988, nr. 50) van de Stichting Centrum voor de Kerkzang. Maar van dit alles onwetend heeft Willem Vogel de losse tekst in handen gekregen en daar eigener beweging noten bij geschreven: een contra-wijs op een contrafact! En in de praktijk blijkt vooralsnog de Vogelmelodie het te winnen van de Schützwijs.’ (Commentaar bij Zingend Geloven 5).

Het lied is met de melodie van Willem Vogel voor het eerst gepubliceerd in de uitgave bij het ncrv-project Lied van de week (3 oktober 1989). Daarna werd het opgenomen in Amsterdamse Katernen 3; als nummer 13 in Zingend Geloven 5 (1998), als lied 21 in Tegen het donker (2002) en als nr. 42 in Tussentijds (2005). In 2006 kreeg het een plaats in de tweede editie van de Vlaamse liedbundel Zingt Jubilate (nr. 737) en het Gereformeerd Kerkboek (gezang 22). In de verzamelde liederen van Sytze de Vries, Jij, mijn adem (2009) werd het opgenomen als nr. 63.

In Tussentijds luidt de tweede regel van strofe 1: ‘en tilt mij aan het licht’. In de Liedboek – versie luidt die regel ‘en tilt het aan het licht’ overeenkomstig Tegen het donker en Jij, mijn adem.

Psalm 119

Psalm 119 is met zijn 176 verzen de langste van het Boek der Psalmen. Hij is geschreven in de vorm van een acrostichon: bij elke letter van het Hebreeuwse alfabet is een strofe gemaakt. De Hebreeuwse tekst van Psalm 119 is gecomponeerd middels het zogenoemde parallellismus membrorum dat in allerlei variaties wordt toegepast.

Qua inhoud zou je deze psalm een poëtische reflectie op de Thora kunnen noemen. Martin Buber vertaalde Thora met Weisung. In de Hebreeuwse tekst van Psalm 119 worden in de verzen vele synoniemen gebruikt voor datgene waar de Thora op uit is zoals: richtlijn (voor het leven), weg, wet, regels, geboden, woord, belofte, waarheid.

Gods Thora omvat het leven. Rondom de Thora speelt zich het geestelijk leven af van de ik-figuur; steeds is er het ijkpunt – een variant dus van wat onder Weisung is te verstaan -  waarop de ‘ik’ zich beroept en waarop hij en God elkaar mogen ‘afrekenen’. Zo gezien is het begin van strofe 1 van 119a een vondst: Gods scheppend woord is hetzelfde als zijn Weisung: het omvat het hele leven en brengt het aan het licht.

Inhoud

Psalm 119,89-96 legt een accent op het ‘eeuwig’ bestand van Gods woord en diens voorschriften; de ‘ik’ is daarvan zo onder de indruk dat hij die ook ‘in eeuwigheid niet zal vergeten’ – hij blijft erdoor in leven. De woorden van God maken en bepalen zijn leven. Het woord ‘eeuwig’ of een synoniem ervan komt overigens in 119a niet voor. In strofe 3 heeft de Vries met behulp van het beeld van de honingzoete woorden voor de Thora bijna het hele psalmfragment zeer origineel samengevat, bijvoorbeeld in de tegenstelling van zoet en bitter.

Het kiezen en gaan van de weg als metafoor voor het leven krijgt wat meer nadruk in het voor 119a gekozen fragment uit Psalm 119. Zeker geen verkeerde keuze als men bedenkt dat het leven naar de Thora, waarover immers Psalm 119 gaat, in Joods geestelijk leven aangegeven wordt met ha lacha (de weg).

Alle aandacht gaat wel uit naar het grote belang van Gods woord voor de ik-figuur, die niet zonder kan en voor wie dat woord dé levensbron is. Zie bijvoorbeeld hoe in Psalm 119,93 de vreugde over de regels van de wet de ‘ik’ in zijn innerlijk gesprek met de Eeuwige in leven houden. Het is een innerlijke kracht die sterker is dan alle weerstand en vijandschap. Was die er niet, hij ‘zou vergaan van ellende’. Zowel in strofe 1 als in strofe 4 is dat motief verwerkt.

Het lied is te typeren als een dialogue intérieur.

Vorm

De vier coupletten waaruit het lied bestaat, hebben elk zeven regels en zijn in een regelmatig schema gedicht: a-B-a-B-C-d-C met rijmende slotwoorden, maar waarin de voorlaatste regel van de coupletten niet rijmt op een andere regel.

In de tekst is soms ook gebruik gemaakt van parallellismen. Dat is duidelijk het geval in couplet 2 regel 1 en 2 ‘voorstaan en gehecht’ en in regel 3 en 4 ‘voorgaat’ en ‘weg’ tegenover eigen paden die in de nacht doodliepen. 

Auteur: Jaap Doolaard


Melodie

De melodie bij de bewerking die Sytze de Vries van Psalm 119 maakte, heeft verschillende gezichten. Belangrijk is dat ze goed te memoriseren is. Vooral de latente, ook bij eenstemmige uitvoering te vermoeden meerstemmigheid draagt daaraan bij. Zo is het evident dat de vierde regel afsluit in de dominanttoonsoort C-groot en ook een volledige cadens in F-groot zit al in de laatste melodieregel ingebakken. Deze harmonische gerichtheid heeft de melodie gemeen met kerkliederen uit de romantiek (bijvoorbeeld Liedboek 801). De glooiende melodische lijnen doen echter eerder denken aan melodieën  van Ignace de Sutter (bijv. Liedboek 732) en Bernard Huijbers (bijv. Liedboek 942). De vrije omgang met het ritme – de onderverdeling in groepen van twee en drie kwartnoten – zien we terug bij de melodieën van bijvoorbeeld Frits Mehrtens (bijv. Liedboek 652). Ten slotte lijkt de laatste regel afkomstig te zijn uit meer volksliedachtige omgeving (vergelijk de slotregel van ‘het Wilhelmus’, Liedboek 708). Toch heeft deze eclectische wijs een zeer uitgesproken karakter dat vooral te danken is aan het gebruik van maar een klein aantal melodische motieven.

De wijs is geschreven in een bedrieglijke Barvorm, want hoewel de derde regel gelijk is aan de eerste, gaat de vierde regel een geheel andere kant op, namelijk naar c”, dominanttoon – zowel voor de hand liggend als melodisch spanningsvol – in toonsoort F-groot. En hoewel de vijfde en zesde regel duidelijk reminiscenties hebben aan eerdere wendingen, vergelijk de regels 5 en 6 met regel 2, geeft de slotregel de melodie opeens een vrij massieve afronding. Die kordaatheid sluit overigens goed aan bij de ‘statements’ waarmee de tekst van met name de strofen 2, 3 en 4 eindigt.

De melodische motieven waarvan in eerste alinea melding werd gemaakt, zijn in onderstaande figuur weergegeven.

A: de dalende terts in lange noten geven de melodie een mild karakter, vooral ook omdat de eerste melodienoot niet de grondtoon in deze toonsoort is.

B: deze doorgangsfiguur – stijgend of dalend – geeft steeds vaart aan de melodie.
C: is in feite een variant op A, ritmisch en melodisch iets minder uitgesproken.
D: is een variant op B (dalend) en typisch een melodische wending uit een slotcadens. Heel geraffineerd worden de laatste noten van de melodie al in de voorlaatste regel voorbereid.
In feite valt alleen het begin van de slotregel ‘uit de toon’. De kwartsprong én het voor Willem Vogel bijna atypische gebruik van achtste noten veroorzaken dit.

In Zingend Geloven 5 (nr. 13) en Tussentijds (nr. 42) stond deze melodie een toon hoger genoteerd. In de praktijk bleek dat de relatief hoge ligging het zingen van deze melodie erg vermoeiend maakte. Daarom is in Liedboek ervoor gekozen de wijs in F-groot op te nemen.

De bij dit lied behorende meerstemmige zetting is in cantorboek en begeleidingsbundel identiek. Overigens is in die zetting wel te merken dat het lied een toon omlaag getransponeerd is: de ambitus van de drie onderste koorstemmen is aan de oncomfortabel lage kant.

Auteur: Christiaan Winter


Media

Uitvoerenden: Kathedraalkoor Brugge o.l.v. Ignace Thevelein; Jos Bielen, orgel