Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

156 - Ik heb verstaan, Heer, wat Gij hebt gezegd


Het lied van Habakuk

Koenraad Ouwens
John Wainwright
Tune: YORKSHIRE (STOCKPORT)

Tekst

Ontstaan en verspreiding

Dit lied werd in 1987 door Koenraad Ouwens geschreven ter gelegenheid van de wijding van Teunis Johannes Horstman (1927-2014) tot oud-katholiek bisschop van Haarlem. Het werd eerder opgenomen in het Oud-Katholiek Gezangboek (1990, nr. 527) en in de Evangelische Liedbundel (1999, nr. 55).

Analyse van de tekst

Horstman koos als bisschop een wapen met een zinspreuk ontleend aan een regel uit het boek Habakuk: ‘Autem in Domino gaudebo’ (‘toch zal ik juichen voor de Heer’, Habakuk 3,18). Ouwens nam voor het lied een groter fragment uit Habakuk als uitgangspunt:

2 Heer, ik heb uw aankondiging gehoord. Voor wat u gaat doen, HEER, heb ik ontzag. Breng het in deze tijd tot stand, maak het in deze tijd bekend, maar toon uw mededogen als het tumult losbarst.
17 Al zal de vijgenboom niet bloeien al zal de wijnstok niets voortbrengen, al zal de oogst van de olijfboom tegenvallen, al zal er geen koren op de akkers staan, al zal er geen schaap meer in de kooien zijn en geen rund meer binnen de omheining - 18 toch zal ik juichen voor de HEER, jubelen voor de God die mij redt. 19 God, de Heer, is mijn kracht (…)

Het was deze tekst die Ouwens tot dit lied inspireerde. Volgens de dichter zelf noteerde hij op een zaterdagmorgen de tekst in een keer zonder doorhalingen op de achterkant van een enveloppe.

Strofe 1

Strofe 1 opent met ‘Ik heb verstaan, Heer, wat Gij hebt gezegd’ en sluit daarmee aan bij het begin van Habakuk 3,2. In het vervolg van dat vers spreekt de profeet zijn ontzag uit voor wat de Heer gaat doen, en dat vinden we terug in strofe 1, waar we lezen dat het werk van de Heer zijn wezen ‘met ontzag’ vervult. De dichter gaat in regel 2 echter nog een stap verder en zegt dat God zelf hem de vrees in het hart heeft gelegd. De profeet vervolgt in 3,2 met het uitspreken van het verzoek aan de Heer om wat Hij gaat doen al ‘in deze tijd tot stand’ te brengen, door de dichter weergegeven als ‘breng nu, o God, uw werken aan de dag’. Maar de dichter breidt het verzoek als het ware nog uit door God ook te vragen om ‘in deze tijd’ zijn trouw en goedheid weer te tonen, wat een echo lijkt te zijn van de verwijzing naar de trouw en goedheid van de Heer in Psalm 85,11-12. Strofe 1 wordt afgesloten met ‘uw volk zal juichen om zijn God en Heer’, dat vooruit wijst naar Habakuk 3,18, ‘toch zal ik juichen voor de Heer’, zij het dat hier het volk de lofzang in de mond wordt gelegd.

Strofe 2

Waar strofe 1 nog nauw aansloot bij de tekst uit Habakuk, verwijdert de dichter zich in strofe 2 wat verder van die tekst. Het lijkt erop of hij zich heeft laten inspireren door het eind van Habakuk 3,2: ‘maar toon uw mededogen als het tumult losbarst’. Het tumult wordt door de dichter ingevuld: het bestaat in het overal aanwezige geweld, God wordt totaal genegeerd, alom heersen haat en afgunst, de dood regeert en geen sterveling verwacht meer dat het beter wordt, dat Gods koninkrijk nog komen zal. Desondanks neemt de dichter aan het einde van deze strofe het begin van Habakuk 3,18 weer op, ‘toch zal ik juichen voor de Heer’, dat we in strofe 1 in de wij-vorm tegenkwamen, maar nu, aansluitend bij de profeet, in de eerste persoon enkelvoud wordt geformuleerd. Zo zal het ook terugkomen aan het einde van de derde en vierde strofe, en fungeert daarmee als een soort refrein.

Strofe 3

De derde strofe neemt enkele elementen uit Habakuk 3,17 op – de vijgenboom die niet meer bloeit, de oogst (van de olijfboom) die tegenvalt, de schapen die uit hun kooien verdwenen zijn – maar voegt er ook nog enkele aan toe, zoals het licht dat verduisterd wordt, en de mensen die hun verwachting kwijt zijn. Het meest opmerkelijk zijn de verwijzingen naar nieuwtestamentische elementen die de dichter aan de profeet toevoegt: er is ‘geen levend water meer’ (vergelijk Johannes 7,38), en ‘geen brood, geen wijn’. De sacramenten worden dus niet meer gevierd, het besef van het brood uit de hemel en de wijn van het koninkrijk zijn verdwenen, het volk is van God los. Maar de geest van de profeet laat de dichter niet los: ‘nog zal ik juichen om mijn God en Heer’.

Strofe 4

Strofe 4 staat net als strofe 2 wat verder van de tekst van Habakuk af. De dichter richt zich naar Gods ‘woord van het begin’, waarin hij zijn verbond van trouw en onverbreekbaar recht kenbaar maakte. Opnieuw worden we herinnerd aan regels uit Psalm 85,11: ‘trouw en waarheid omhelzen elkaar, recht en vrede begroeten elkaar met een kus’. Hiermee vergeleken kan de dichter alle negativiteit uit de vorige strofes achter zich laten, en ten slotte het begin van Habakuk 3,19 in de mond nemen: ‘God, de Heer, is mijn kracht’, en daar nog ‘mijn zekerheid’ aan toevoegen. Het ‘toch’ uit 3,18 (‘toch zal ik juichen voor de Heer’) is verdwenen, en vanuit zijn zekerheid kan de dichter nu zingen ‘ik juich om U in tijd en eeuwigheid’. Daarmee is ook de rijmklank ‘…eer’ uit de strofes 1 tot en met 3 veranderd in ‘…eid’, wat de wending die de tekst in de vierde strofe neemt extra kracht bijzet.


Melodie

Koenraad Ouwens hoorde de tekst van meet af aan op de melodie van een Engels kerstlied ‘Christians, awake, salute the happy morn’. Dit lied was vlak voor kerst 1749 door John Byrom (1692-1763) geschreven voor zijn jarige dochter; John Wainwright schreef er een melodie voor en kwam het lied in 1750 bij Byrom in Manchester uitvoeren met een groep jongens. De melodie stond bekend als STOCKPORT, aangezien Wainwright in die plaats vermoedelijk geboren, maar zeker begraven is. De naam STOCKPORT kwam als zodanig voor in Ralph Harrisons Sacred Harmony (1784), maar de melodie stond ook bekend onder de naam YORKSHIRE, zonder duidelijke reden. De eerste keer dat de melodie gedrukt werd (met een andere tekst) was overigens in 1761, in Ashworths Collection of Tunes, maar deze had toen nóg een andere naam, namelijk MORTRAM.

De eerste twee regels van de melodie zijn een ferme bevestiging van de toonsoort C-groot, met een grote omvang van c’ tot e”, waarbinnen een mooie opwaartse beweging plaats vindt. Hierdoor krijgt de melodie een krachtige ‘drive’. Deze vindt stapsgewijs plaats, aangezien de melodie zich in deze regels in secundeschreden beweegt. Dat wordt anders in regel 3, waarin aan het begin een tertssprong naar boven gemaakt wordt, vervolgens een opvallende sextsprong omlaag, en nog een tertssprong omlaag aan het eind. De vierde regel verloopt weer secundegewijs, in een golvende beweging. In deze regels wijkt de melodie uit naar de paralleltoonsoort a-klein. In de laatste twee regels keert de melodie weer terug naar de tonica, waarbij de laatste regel een melodische herhaling is van de tweede, maar wel in een ander ritme. Door het opmatige begin (dat een ritmische impuls geeft) en het klimmen naar de hoge e” wordt in deze laatste regel het juichen, waarvan in elke slotregel van de strofes sprake is, telkens krachtig ondersteund.

Auteur: Erik Heijerman

Bronnen en literatuur

Koenraad Ouwens, Liederen in opdracht, Krommenie 2008, 9.
Emma Hornby en Nicholas Temperley, ‘John Wainwright’. Beschikbaar: The Canterbury Dictionary of Hymnology (geraadpleegd 23 november 2019).