Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

157c - Met hart en ziel maak ik Hem groot


De lofzang van Maria

Sytze de Vries
Willem Vogel

Tekst

Informatie over de achtergrond bij de Lofzang van Maria: zie Liedboek 157b.

In de eerste twee hoofdstukken van het evangelie naar Lucas vinden we vier lofzangen: drie uit de mond van mensen en een uit de mond van engelen. Maria opent de serie (1,46-55), Zacharias vervolgt (1,68-79), de engelen zijn kort van stof (2,14) en Simeon eindigt de reeks (2,29-32). De aardse lofzangen (bekend onder hun Latijnse openingswoorden Magnificat, Benedictus en Nunc Dimittis) zijn onderdeel geworden van het dagelijks kerkelijk getijdengebed. De hemelse, de engelenzang (het Gloria) is later tot een groter geheel uitgebreid en klinkt doorgaans in de wekelijkse zondagsviering.

De dagelijkse lofzangen klinken vanouds op de sleutelmomenten van de dag. Ze vormen daarmee het hart van de drie dagelijkse getijden: bij zonsopgang in de vroege morgen de lofzang van Zacharias in de lauden, bij zonsondergang, tegen het vallen van de avond, het canticum van Maria in de vespers, en bij het slapen gaan de lofzang van Simeon in het laatste getijde die de gebedsdag compleet maakt: de completen.

Sytze de Vries heeft van elk van deze cantica een vertaling, c.q. tekstbewerking gemaakt. ‘Met hart en ziel’ werd voor het eerst gepubliceerd in de Amsterdamse Katernen 11 (1992) en daarna ook in Zingend geloven 6 (1998, nr. 79).

De dichter heeft een tekst gemaakt, die dicht bij het origineel blijft en tegelijk eigen accenten zet.

Refrein

Het eerste vers ‘Mijn ziel maakt groot de Heer en mijn geest heeft zich verblijd over God, mijn Heiland’ (Lucas 1,46; NBG ’51) of: ‘Mijn ziel prijst en looft de Heer, mijn hart juicht om God, mijn redder’ (NBV) luidt bij De Vries: ‘Met hart en ziel maak ik Hem groot en vrolijk zing ik om God, mijn bevrijder’. Er wordt direct een dimensie, bijna een emotie aan toegevoegd: (‘met hart en ziel’). Het juichen’ en ‘zich verblijden’ wordt ‘vrolijk zingen’, waarmee het karakter van wat een lofzang wil zijn wordt benoemd. Ook de vertaling ‘bevrijder’ is concreter ten opzichte van ‘Heiland’ en ‘redder’. Dit sterke eerste vers is meteen de leidraad, de tune, voor het hele Magnificat geworden: het is in dit lied het refrein.

De ‘verzen’

Liedboek 157c is opgebouwd uit driemaal drie verzen voorzang, afgewisseld door het door allen gezongen refrein. De verzen bestaan steeds uit twee regels, waarmee aansluiting gezocht wordt bij het tekstritme van de psalmen in hun zogenaamde parallellismus membrorum.

Eerste drietal verzen

Het eerste vers van de voorzang begint met: ‘Voor mij had hij oog, zijn dienares’. Dat komt vrijwel overeen met de NBV: ‘hij heeft oog gehad voor mij, zijn minste dienares’. Andere vertalingen hebben hier: ‘omdat Hij heeft omgezien naar’ (NBG), ‘want hij heeft aangezien’ (Oussoren) of ‘Op mijn klein leven heeft Hij neergezien’ (Gerhardt/Van der Zeyde). In het tweede halfvers verdubbelt De Vries het zien, want daarin komt de omstandigheid waarom God ziet aan de orde: ‘Hij heeft mij gezien in mijn vernedering’ (verwijzend naar Psalm 113,4-6, waar God die hoog zit, daar zit omdat hij zo heel laag kan zien naar de vernederde mensen).

De dubbele punt achter het tweede vers (‘... om wat Hij mij deed: …’) is kenmerkend aangezien de gedachte daarom meteen doorgaat. Wat is het wat Hij mij deed? ‘Grootse dingen en machte daden’! En dan weer het ‘zingen’ (‘waarvan ik wil zingen’), je voelt dat Maria, en degene die haar lofzang zingt, zich niet in kan houden. Hoewel er na ‘zingen’ een punt staat, heeft de dichter (maar zeker de componist!) de inhoud van het zingen aangereikt: ‘Heilig zijn Naam! (hoofdletter, Ha Sjem, de onuitsprekelijke Naam, de HEER).

Tweede drietal verzen

Het tweede drietal verzen volgt vrijwel woordelijk de bijbeltekst. Woorden als ‘barmhartigheid’, ‘trouw’, ‘geslacht na geslacht’, ‘krachtige hand’, ‘hoogmoed’, ‘machtigen’, ‘tronen’, ‘armen en kleinen’ (zie de tekst van Oosterhuis in Liedboek 157b) komen ook in andere bewerkingen voor. Maar met ‘de trotsen’ (‘wie zich verheven wanen’; Lucas 1,51) en met de uitdrukking ‘smeet Hij hun hoogmoed in stukken’ bereikt De Vries wel weer een eigen taalveld.

Derde drietal verzen

In het laatste drietal verzen valt de liefhebbende aandacht voor Israël op: ‘Israël koesterde Hij als zijn kind’ – een heel eigen benadering – terwijl met ‘Hij bleef gedachtig aan zijn ontferming’ weer aansluiting gezocht wordt bij Oussoren (‘hij blijft zijn ontferming indachtig’).

De ‘vaderen’ (NBG ‘51/Oussoren/Gerhardt-Van der Zeyde) in het laatste vers (‘onze voorouders’, NBV) zijn in eenvoudige taal ‘wie voor ons leefden’ geworden.

Voor Liedboek 157d is gebruik gemaakt van dezelfde tekst.

Auteur: Nico Vlaming


Melodie

Sytze de Vries heeft zijn hertaling van de Lofzang van Maria zo ingedeeld dat er naast een refrein (Lucas 1,46b-47) nog negen verzen van vrijwel gelijke lengte overblijven. Door de gekozen onderverdeling – drie maal drie verzen, voorafgegaan, gescheiden en afgesloten door het refrein – is een duidelijke, evenwichtige structuur ontstaan. Die structuur wordt nog versterkt door de afwisseling tussen koor en solist in de voorzangverzen en de afwisseling van de verschillende reciteerformules. Zodoende ontstaat er een grote ABA-vorm, die weer is onderverdeeld in drie kleine aba-vormen:

refrein – aba – refrein – cdc – refrein – aba – refrein

Binnen deze structuur maakte Willem Vogel gebruik van muzikale technieken uit verschillende tradities. Het gebruik van een refrein als opmaat en afsluiting van de Lofzang van Maria komen we tegen in het – kloosterlijke – avondgebed. Refreinen tússen de (alle) verzen vinden we in de antwoordpsalm in de hoofddienst op zondagmorgen. In 157c vinden we een mengvorm: het refrein keert om de drie verzen terug. De wijze waarop de verzen zijn getoonzet lijkt nog het meest op de manier waarop Joseph Gelineau zijn psalmzettingen in de jaren vijftig van de vorige eeuw maakte: een ritmische variant van de anglican chant. Deze wijze van reciteren vinden we ook terug in de even verzen van Liedboek 448.

In de koorbundel bij het Liedboek is belangrijke informatie te vinden die ontbreekt in de begeleidingenmap:

Nu vraagt deze aanwijzing nog wel enige toelichting. Ten eerste is het niet de bedoeling dat in de voorzangverzen het tempo opeens verdubbelt: de kwartnoot in het refrein komt in lengte overeen met de achtste noot uit de voorzangverzen, zij het dat die laatstgenoemde soepeler (als in een recitatief) gezongen dient te worden. Ten tweede zijn – mijns inziens onterecht – alle slotlettergrepen vet onderstreept, hetgeen zou duiden op de lengte van een gepuncteerde kwartnoot. In de originele uitgave (Amsterdamse Katernen, 11) heeft alleen het woord ‘oog’ in vers 1 deze lengteaanduiding gekregen. Ook onder het woord ‘spreekt’ in vers 9 hoort een dunne streep te staan. Dit is vanaf de vierde druk van de kooruitgave verbeterd.

Ook in melodie en samenklank is 157c een hybride compositie: modaliteit en tonaliteit gaan hand in hand. Het refrein lijkt te zijn geschreven in de mixolydische kerktoonsoort, maar de afsluiting van het refrein voelt ook als een halfslot in C-majeur. En hoewel de refreinmelodie de sfeer van de kerktoonsoort benadrukt, is de vorm absoluut a-modaal. Daarin betoont Vogel zich weer de ware componist: hij die bouwstenen samenvoegt tot een melodie.

Het slotmotief B is de kiem voor de reciteertoon van de verzen 1-3 en 7-9: een eenvoudige reciteertoon met een wisseltoon naar de bovensecunde, die in de tweede vershelft een kwart hoger herhaald wordt.

In de voorzangverzen 4-6 is een nieuw gegeven ingevoegd: de slotwending a’-c”, die wordt gebruikt in beide vershelften. Op subtiele wijze voegt Vogel ideeën uit beide reciteertonen samen in de verzen 7-9, waar hij als reminiscentie aan voorzangverzen 4-6 de wisseltoon c”-a’-c” invoegt.

In de voorzangverzen creëert de componist een andere harmonische wereld dan in het refrein. Zijn in de begeleiding van het refrein voorhoudingen, een alteratie (de cis’) en toegevoegde akkoordnoten (let vooral op de samenklank op het woord ‘maak’: d-e-f’-g’) te vinden, in de voorzangverzen kiest Vogel (met één uitzondering: het half verminderd septiemakkoord in de derde maat van voorzangverzen 4-6) voor grote en kleine drieklanken in grondligging. Waar in het refrein alles draait om de g’ als modaal centrum, wijst in de voorzangverzen alles naar de c” als grondtoon en wordt het dominante G-akkoord zorgvuldig vermeden. Modale slotwendingen (herkenbaar aan een dalende kwart in de bas) zijn hier de norm.

In deze toonzetting blijkt Willem Vogel weer de componist van het kleine gebaar. Virtuoze ritmische patronen, imposante melodieën en doorwrochte harmonische wendingen heeft hij niet nodig voor zijn compacte liturgische composities.

Auteur: Christiaan Winter


Media

Uitvoerenden: Sweelinckcantorij o.l.v. Christiaan Winter; Jolande den Braber, sopraan; Willem Vogel, orgel