Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

159a - Nu is het woord gezegd


De lofzang van Simeon

Tom Naastepad
Loys Bourgeois
Lofzang van Simeon

Melodie

Herkomst en verspreiding

Al in de eerste uitgave van het Geneefse psalter, Aulcuns pseaulmes et cantiques mys en chant (Straatsburg 1539), stond een berijming van de lofzang van Simeon, gedicht door Johannes Calvijn (1509-1564). Simeons lied fungeerde in Calvijns liturgische praktijk als afsluiting van de avondmaalsviering. In de Straatsburgse uitgaven bleef Calvijns versie tot circa 1553 in gebruik. Loys Bourgeois (±1510-±1560), Geneefs cantor van 1545-1553, publiceerde in 1547 Le 1er Livre des Pseaulmes (Lyon), een verzameling met vierstemmige psalmbewerkingen voor huiselijk gebruik. Daarin nam hij de berijming op die Clément Marot (1496-1544) van de lofzang van Simeon had gemaakt, voorzien van een nieuwe melodie. De berijming van Marot met de melodie van Bourgeois werd in de bundel Octante trois pseaumes de David uit 1551 opgenomen. De lofzang van Simeon maakte sindsdien vast onderdeel uit van het Geneefse psalter.
In het psalmboek uit 1551 waren in de eerste twee melodieregels wel ritmische wijzigingen aangebracht. In de uitgave van 1547 luidden de eerste twee regels namelijk:
Behalve het gepuncteerde ritme valt op dat de rust aan het eind van regel 1 ontbreekt, en de vierde en vijfde noot van regel 2 zijn halve noten en geen kwartnoten.

De vroegst bekende Nederlandse vertaling van het Geneefse ‘Nunc dimittis’ is die uit de Psalmen Davids Na d'Ebreeusche waerheyt (Gent 1565) van L.d.H. (Lucas de Heere, 1534-1584):
 Uit de melodienotatie van regel 1 en 2 blijkt dat De Heere de wijs uit Bourgeois’ bundel uit 1547 heeft overgenomen, en niet uit een editie van het Geneefse psalmboek. Wel heeft De Heere na de eerste regel een rust toegevoegd.
Petrus Datheen (±1531-1588) daarentegen zal het lied direct ontleend hebben aan het definitieve Geneefse psalter dat in 1562 was verschenen.
Vooral in de zeventiende eeuw en eerste helft van de achttiende eeuw is de melodie zo nu en dan voor een contrafact gebruikt.

Analyse

De melodie staat in de hypolydische toonsoort. De finalis/eindtoon is de f’en de dominant/roeptoon is de a’. Afgezien van regel 5 speelt de melodie zich af boven de eindtoon f’ in het hexachord molle (f’-d”); alleen in de voorlaatste regel daalt de melodie onder de finalis om op de do van het hexachord naturale te sluiten:
De zes melodieregels horen paarsgewijs bij elkaar; de even regels sluiten af op de eindtoon f’. In de regels 4 en 6 gebeurt dat via de typisch lydische wending fa-mi-re-do, terwijl regel 2 een uitgebreidere variant daarop laat horen (fa-mi-do-re-re-do):
De derde regel is verwant aan regel 1: in beide komen we de karakteristieke lydische wending sol-la-sol-fa-mi tegen:
Regel 5 is verwant aan regel 4, maar sluit af op de do van het hexachord naturale (zie het eerste notenvoorbeeld hierboven). Regel 6 opent met de genoemde slotformule uit regel 4 (fa-mi-re-do) in de kreeftgang (do-re-mi-fa), en sluit daarna op gelijke wijze als die regel. De slotregel begint en eindigt dus met de finalistoon en wordt via een opwaartse en een neerwaartse beweging bevestigd. De afsluiting klinkt bovendien definitiever dan in regel 4 doordat de voorlaatste noot geen kwartnoot, maar een halve noot is.
De regels 2 tot en met 6 hebben dezelfde ritmische structuur, waarbij regels 3 en 6, die vrouwelijk rijm hebben, een toegevoegde (halve) noot hebben:

Auteur: Jan Smelik


Media

Uitvoerenden: Kathedraalkoor Brugge o.l.v. Ignace Thevelein; Jos Bielen, orgel