Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

160a - Die rechtens God gelijk


Een eerste kennismaking

De woorden van Filippenzen 2,6-11 vormen een oude hymne, waarbij de apostel vermoedelijk een veel oudere tekst in zijn brief heeft opgenomen. De tekst is elk jaar het epistel voor Palm- en Passiezondag, voorafgaand aan het lezen of zingen van de passie. Maar de tekst kan ook heel goed op Goede Vrijdag tot klinken komen als een gezongen epistel.
Het ‘Lied van de deemoed’ behoort tot de vroege teksten van Huub Oosterhuis en werd reeds opgenomen in 30 liederen voor een Nederlandse liturgie (1964). De dichter heeft een getrouwe berijming gemaakt van de bijbeltekst, die in het lied bijna woord voor woord is te volgen: elk bijbelvers van de genoemde perikoop is tot één strofe bewerkt.
Oorspronkelijk bestond de tekst uit zes strofen van vier regels. Bernard Huijbers schreef aparte melodieën voor de oneven en even strofen, maar deze twee vormen toch een geheel: ze zijn elkaars tegenbeweging. Oorspronkelijk was dan ook voor- en nazang bedoeld: de oneven strofen voor voorzanger, de even strofen voor de gemeente. In het Liedboek zijn steeds twee strofen tot een geheel gebracht.
Opvallend is in de vroege melodieën van Huijbers de verwantschap met het gregoriaans. Het begin van deze melodie toont sterke overeenkomst met het gregoriaanse Ave maris stella.

Auteur: Pieter Endedijk


Lied van de deemoed

Huub Oosterhuis
Bernard Huijbers

Tekst

‘Die rechtens God gelijk’ behoort tot de oudere liederen van Huub Oosterhuis. Voor dit lied heeft hij zich gebaseerd op de hymne uit de brief aan de Filippenzen 2,6-11. Oosterhuis volgt de tekst op de voet en heeft een bijna letterlijke berijming gemaakt van deze poëtische prozatekst van Paulus. Hij doet dat in zes strofen met regels van gelijke lengte eindigend in gekruist rijm (a-b-a-b / c-d-c-d, enzovoort). De zes strofen corresponderen met de zes verzen uit de Filippenzenbrief. Omdat de melodie twee strofen samenvoegt, heeft men in verschillende liederenbundels ook telkens twee strofen als één geheel afgedrukt, zodat het lied dan uit drie strofen bestaat. Hoewel Oosterhuis in zijn twee laatste bundels met verzamelde liederen dit lied uit zes strofen laat bestaan (Gezongen liedboek. Verzamelde teksten, Kampen / Kapellen 1993, blz. 91, en Verzameld liedboek, Kampen 2004, blz. 456), is in het Liedboek gekozen voor de indeling van drie strofen. Afgezien van de interpunctie en het gebruik van hoofdletters kent het Liedboek ook een tekstuele variant ten opzichte van de genoemde verzamelbundels: de tekst ‘alwie hij ’t aanschijn geeft –‘ is in strofe 3 vervangen door ‘al wie Hij ’t aanzijn geeft –‘.

Door de verdeling van het lied over drie strofen komt de inhoudelijke tweedeling die zo bepalend is voor de tekst niet tot uitdrukking. De zes verzen uit de Filippenzenbrief vormen een tweeluik van tweemaal drie verzen. De cesuur ligt in het midden tussen de verzen 8 en 9. Omdat het lied zo nauwkeurig correspondeert met deze tekst, ligt in het lied het omslagpunt ook in het midden. Bij een lay-out van zes strofen bevindt zich dat keerpunt op een natuurlijk rustmoment na strofe drie, maar bij een lay-out van drie strofen ligt dat keerpunt midden in strofe 2. De tweeledige structuur van de tekst gaat hierdoor grotendeels verloren.

In het eerste deel van het tweeluik staat Jezus’ ontlediging centraal. Jezus heeft zich niet op zijn godheid willen laten voorstaan, maar is mens onder de mensen geworden en heeft zich zelfs vereenzelvigd met de minste onder de mensen: de slaven. In zijn nederigheid en zijn dienstbaarheid aan mensen is Hij zover gegaan dat Hij voor ons is gestorven. Op deze deemoedigheid, die het lied middels de titel (Lied van de deemoed) benadrukt, volgt in het tweede deel weer de erkenning van zijn goddelijkheid. Omwille van zijn deemoed heeft God Hem juist weer hoog verheven en goddelijke status gegeven zodat Hem alle lof en eer toekomt. In de laatste strofe wordt Hem die bij wijze van lofprijzing toegezongen.

Het lied is voor het eerst gepubliceerd in 1963 in de uitgave Vastenliturgie en is vooral van toepassing in de liturgie van de Goede Week, in het bijzonder op Witte Donderdag en Goede Vrijdag.

Auteur: Louis van Tongeren


Melodie

‘Het lied van de deemoed’ stamt uit de beginperiode van Bernard Huijbers als componist van liturgische muziek. Hij maakte het in 1963 voor de liturgie in de kapel van het Amsterdamse Ignatiuscollege, waar hij muziekdocent was en hij nam het op in zijn eerste, nog alleen gestencilde en onuitgegeven zangbundel van het college Liturgische Gezangen in het Nederlands (z.j.).

Oorspronkelijk waren de strofen in tweeën verdeeld. De eerste vier regels van elke strofe waren voor voorzang, de tweede vier voor de gemeente. Dit tweede deel werd telkens apart genummerd, zodat het lied in plaats van drie zes strofen telde. Ze hadden alle de melodie van de huidige eerste vier regels. Pas in tweede instantie gaf Huijbers aan de even strofen een eigen melodie, het huidige tweede gedeelte van de strofe. Deze tweedeling berustte op een navenante tweedeligheid binnen de tekst, waarin in elke strofe een tegenstelling verborgen ligt. Zo krijgt het goddelijke van de eerste helft van strofe 1 (‘Die rechtens God gelijk’) vanaf de vijfde regel als contrast een menselijke tegenhanger: ‘Hij heeft zichzelf ontdaan’. In de tweede strofe ligt de tegenstelling precies andersom: ‘Hij werd ons aller knecht……’, gevolgd door ‘Maar God heeft Hem gesteld’. In de derde strofe heeft de tegenstelling in de tekst plaats gemaakt voor een origineel verwoorde klassieke doxologie aan het eind van een hymne: wij buigen voor God en geven Hem alle eer.
Genoemde contrastwerking vindt letterlijk zijn weerklank in de toegevoegde tweede melodie, die globaal beschouwd de omgekeerde versie van de eerste is. Daar waar eerst de melodie stijgt, daalt deze nu en andersom. Vergelijk bijvoorbeeld de melodie bij ‘Die rechtens God gelijk komt van de Vader voort’ met die bij ‘Hij heeft zichzelf ontdaan van alle heerschappij’:

Door deze omkering krijgt het melodisch hoger liggende dorisch-authentieke modale karakter van de eerste helft als het ware een modaal antwoord in het lager liggende dorisch-plagale tweede gedeelte. Dit element van vraag en antwoord wordt bovendien versterkt door de stijgende lijn van het begin tegenover de dalende van zijn omgekeerde versie. In ritmisch opzicht zijn beide gedeeltes geheel identiek aan elkaar.

De melodie vertoont een opvallende verwantschap met het gregoriaans. Heeft de hymne Ave maris stella de componist geïnspireerd?

Beide gezangen staan in de dorische modus. In de eerste twee regels van de melodie van Huijbers wordt sterk het begin van de gregoriaanse hymne geïmiteerd. Ook voor de rest van de strofe werden melodische steunpunten overgenomen. Zie bijvoorbeeld in het muziekvoorbeeld de stijgende en weer dalende melodie boven ‘Ave, maris stella’ en vergelijk deze met de eerste twee regels van Huijbers’ melodie. Merk ook op dat de melodie boven ‘(Hij) heeft zichzelf ontdaan’ identiek is aan   de dalende notenreeks boven de tweede lettergreep van ‘stella’.

Het lied wordt soms gezongen op een melodie van Wim ter Burg (1914-1995), zie Zingend Geloven 1, nr. 32 en Zingt Jubilate nr. 508. Ook wordt de tekst van Oosterhuis soms geplaatst onder Huijbers’ ‘God die in het begin’. Zie voor deze melodie Liedboek 788.

Auteur: Anton Vernooij

Literatuur

Ignace de Sutter, De dienst van het lied. Brugge 1974, 121-129
Liber Hymnarius, Solesmes 1983, 258
Ad de Keyzer, Tussen de regels. commentaar bij een twintigtal liturgische gezangen, Baarn 1983, 47-48


Media

Uitvoerenden: Sweelinckcantorij o.l.v. Christiaan Winter; Piet Hulsbos, orgel; Christiaan Winter, tenor (bron: KRO-NCRV)