Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

182 - Blinde man, ga voort gij


Een eerste kennismaking

Met de opname in het Liedboek krijgt dit lied over de blinde bedelaar (Marcus 10,46-52) voor het eerst een plaats in een officiële kerkelijke liedbundel, terwijl het al enkele decennia oud is. Toch zal het lied niet voor iedereen onbekend zijn: het was ook te vinden in Filippus liederenboek, een uitgave uit 1970 voor het jeugdwerk van de Gereformeerde Kerken. Hoewel er in de tekst wel typische stijlkenmerken uit die tijd zijn te herkennen, zoals het aanspreken van de blinde met ‘gij’, is de tekst speels doordat de dichter Muus Jacobse van het bekende verhaal een rollenspel maakt. In de eerste strofe zijn omstanders aan het woord die zich aan de blinde storen. In de tweede strofe zijn het anderen die hem juist aanmoedigen om naar Jezus te gaan. Deze twee strofen kunnen daarom het beste door twee verschillende groepen gezongen worden. In de derde strofe is de blinde zelf aan het woord; deze strofe is dan ook bij uitstek geschikt voor een solostem. De slotstrofe is voor iedereen.
Jan Pasveer schreef een eenvoudige melodie in een 6/8-maat bij deze tekst.

Auteur: Pieter Endedijk


De blinde bedelaar

Muus Jacobse
Jan Pasveer

Tekst

Ontstaan en verspreiding

Het lied ‘De blinde bedelaar’ werd voor het eerst gepubliceerd in Filippus liederenboek (1970, nr. 5), een uitgave van het traktaatgenootschap ‘Filippus’, samengesteld in overleg met de deputaten (synodale vertegenwoordigers) voor de evangelisatie en het Landelijk Centrum voor Gereformeerd Jeugdwerk (LCGJ). Daardoor kreeg het lied enige bekendheid, vooral in gereformeerde kring. Het lied was in de jaren zestig geselecteerd voor een aankomend interkerkelijk gezangboek: het is als nr. 141 te vinden in het Concept gezangenboek met 713 liederen dat in 1966 aan de hervormde synode werd gepresenteerd. De synode vond de selectie echter te omvangrijk en daarom moest het aantal liederen teruggebracht worden tot circa 400. Daarbij sneuvelde ook dit lied van Muus Jacobse en kreeg het geen plaats in het Liedboek voor de kerken (1973). Het werd wel opgenomen in Het oneindige verlangen, een uitgave met gedichten en liedteksten van Muus Jacobse (Nijkerk 1982, blz. 193). Het lied met muziek van Jan Pasveer daarna alleen te vinden in de begeleidende uitgave van de NCRV-radioserie Lied van de week (uitzending 18 oktober 1988).

Vorm

Muus Jacobse (1909-1972) schreef dit Bijbellied bij Lucas 18,35-43. In het Liedboek staat als Bijbelreferentie de parallelle perikoop Marcus 10,46-52 vermeld, omdat deze in het driejarige leesrooster voorkomt en die uit Lucas 18 niet.
In de vier strofen van zes regels is keert een regel letterlijk of gevarieerd terug in een van de volgende regels. In de strofen 1 en 2 wordt de eerste regel woordelijk herhaald als vierde regel; in strofe 4 gebeurt dat in de vijfde regel; in strofe 3 wordt regel 2 licht gewijzigd herhaald in regel 6.
Het rijmschema is a-B-a-a-a-B. Alle a-regels worden in een strofe gekenmerkt door dubbelrijm: niet één maar twee woorden rijmen: ‘voort gij’ – ‘hoor mij’ – ‘stoort gij’ (strofe 1); ‘moed nu’ – ‘roept u’ – ‘spoed u’ (strofe 2); ‘wilt gij’ – ‘heelt Gij’ – ‘stilt Gij’ (strofe 3) en ‘vertrouw nu’ – behoudt u’ – ‘aanschouwt nu’ (strofe 4).
Sterk is de inclusie gevormd door de eerste en laatste strofe: de eerste strofe eindigt met ‘zwijg toch, waarom stoort gij / Jezus op zijn weg’, de laatste strofe met: ‘Blinde man, vertrouw nu, / volg Hem op zijn weg’. Daardoor komt het accent te liggen op de navolging van Christus.

Inhoud

Het verhaal over de blinde kyriëleisroeper op de weg naar Jericho wordt door de dichter in het lied niet expliciet naverteld. De tekst beperkt zich tot de dialoogzinnen die in de evangelieperikoop voorkomen. Om de liedtekst te begrijpen moet het verhaal dus bekend zijn.

In strofe 1 zijn het de omstanders die de man als een stoorzender ervaren en hem sommeren door te lopen (Marcus 10,48).

Strofe 2 verwoordt Marcus 10,49. Omstanders (andere?) spreken de blinde moed in omdat Jezus stilstaat en zich om de man bekommert.

De vraag van Jezus, ‘Wat wilt u dat Ik voor u doe’ wordt in het Bijbelverhaal door de blinde beantwoord met: ‘zorg dat ik zien zal’ (Marcus 10,51). In strofe 3 van het lied wordt de vraag van Jezus die van de blinde: ‘Zoon van David, wilt Gij / dat ik U mag zien?’ en in die vraag van de blinde een wens van Jezus, een verrassende wending. Na de belijdenis dat Jezus kwalen heelt en honger stilt, besluit de strofe wel met de vraag en het antwoord zoals we die in de Bijbel aantreffen.

In de laatste strofe is het woord van Jezus, ‘Ga heen, uw geloof heeft u gered’ (Marcus 10,51), in de mond van omstanders gelegd: ‘uw geloof behoudt u, / wie gelooft aanschouwt nu!’

Hoewel een rolverdeling door de dichter niet is aangegeven, vraagt het lied daar wel om. Alle strofen zijn woorden van omstanders of van de blinde man. Elke strofe had binnen aanhalingstekens genoteerd kunnen worden, in het Liedboek is dat alleen de derde strofe, volgens de hand van de dichter.
Het toepassen van een rolverdeling kan de beeldende kracht van de tekst versterken, bijvoorbeeld als volgt:

  • strofe 1: groep 1 (of mannenstemmen)
  • strofe 2: groep 2 (of vrouwenstemmen)
  • strofe 3: solostem
  • strofe 4: allen

Het lied geeft – mede door de melodie – de indruk een kinderlied te zijn. Het is niet bekend of Muus Jacobse het zo bedoeld heeft. Ouderwets woordgebruik maakt het niet direct geschikt voor (jonge) kinderen. Maar dat archaïsche taalgebruik (zoals het aanspreken van de blinde met ‘gij’ en werkwoorden als ‘helen’ en ‘aanschouwen’) kwam wel vaker voor in liederen uit de jaren zestig, die bestemd waren voor kinderen. Voor oudere kinderen is het woordgebruik – zeker na enige toelichting – geen belemmering.


Melodie

De melodie werd geschreven door Jan Pasveer (1933-2005), een van de samenstellers van Filippus liederenboek. De melodie is in d-klein geschreven in een 6/8-beweging en heeft een natuurlijk verloop, met als melodieschema: a-b-c-c’-a-b’. De regels 1 en 5 zijn gelijk, regel 4 is een getransponeerde herhaling van regel 3, regel 6 een gevarieerde herhaling van regel 2.
De eerste twee regels verlopen in secundeschreden met respectievelijk een stijgend en dalend motief. De kwartsprongen (a’-d” respectievelijk f’-bes’) zijn karakteristiek voor de regels 3 en 4 en geven de melodie als geheel een roepend karakter.

In de kooruitgave en de begeleidingsuitgave bij het Liedboek zijn eenvoudige zettingen van Christiaan Winter te vinden. Jan Pasveer schreef een eigen bewerking, oorspronkelijk voor de TV-vespers die begin 1974 door het IKOR (de voorloper van de IKON) werden uitgezonden en verzorgd door de interkerkelijke vespergroep uit Zaandam en opgenomen in de Doopsgezinde Vermaning te Westzaan. Deze vespers, met Niek Schuman als voorganger en Jan Pasveer als muzikaal leider, waren voor velen een eerste kennismaking met vespers en hebben zo een grote invloed gehad. In elke vesper was een muzikaal intermezzo na de evangelielezing, waarbij Pasveer muziek schreef voor de daar toevallige combinatie van instrumenten: fluit, klarinet, althobo, fagot, cello en klavecimbel. Toen Lucas 18,31-43 werd gelezen klonk daarna een bewerking van het lied van de bedelaar:

Uiteraard kan deze bewerking als begeleiding gespeeld worden door orgel en een melodieinstrument, bijvoorbeeld hobo.
Pasveer noemt ook als uitvoeringsmogelijkheid:

  • eerste balk: hobo of althobo of fluit (octaaf hoger)
  • tweede balk: klarinet of viool of fagot (octaaf lager)
  • derde balk: klavecimbel
  • vierde balk: cello of contrabas pizzicato

De muziek werd gepubliceerd in de toelichtende uitgave bij de TV-serie: Vespers vieren (Kampen 1974, blz. 101).


Liturgische bruikbaarheid

Feitelijk gaat dit lied over de navolging van Christus. Maar het is zo sterk verbonden met de evangelieperikoop (Marcus 10,46-52, evangelielezing op de zesde zondag van de herfst in het B-jaar), dat gebruik van het lied als deze perikoop niet wordt gelezen, nauwelijks is voor te stellen.

Auteur: Pieter Endedijk