Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

195 - Ere zij de Vader en de Zoon


Gloria Patri

Getijden
Duitsland

Tekst

Herkomst

Vroege Kerk

De herkomst van het Gloria Patri gaat terug op het begin van onze jaartelling. Waarschijnlijk bestonden er aanvankelijk diverse tekstversies. Een vroege bron is de Didascalia apostolorum uit het midden van de derde eeuw, waar een lofprijzing op de Drie-eenheid toegevoegd werd aan de beracha, de joodse zegenspreuk.
De formulering die tot begin vierde eeuw het meest gehanteerd werd luidde: ‘Gloria Patri per Filium in Spiritu Sancto’ (‘Ere aan de Vader door de Zoon in de heilige Geest’). De woorden ‘door de Zoon in de heilige Geest’ voeren terug op Romeinen 16,27 en Efeziërs 2,18: ‘wij hebben toegang tot de Vader en kunnen Hem prijzen dankzij/door Jezus Christus’.
De tekst wijzigde in de vierde eeuw toen de arianen de godheid van Christus en de Geest ontkenden. Opeens werden de ‘door de Zoon in de heilige Geest’ uit het Gloria Patri problematisch: ze (b)leken ruimte te geven aan de dwaalleer dat de Zoon en Geest slechts schepsels van God de Vader waren. Om dit misverstand de pas af te snijden werd de tekst van lofzegging gewijzigd: ‘Gloria Patri et Filio et Spiritui Sancto’ (‘Eer aan de Vader en de Zoon en de heilige Geest’).
Het Gloria Patri (in het Nederlands vaak ‘klein gloria’ genoemd) vervolgt dan met de woorden: ‘Sicut erat in principio, et nunc, et semper, et in saecula saeculorum. Amen’ (‘Zoals het was in het begin, en nu, en altijd, en voor altijd en altijd. Amen’). De Latijnse versie verschilt overigens van de Griekse doordat in laatstgenoemde de woorden ‘Sicut erat in principio’ (‘zoals het was in het begin’) ontbreken.
Het Gloria Patri werd in de vroege kerk veelvuldig gebruikt. In de kloosterliturgie ontstond het gebruik om elke psalm en cantica ermee af te sluiten. In de westerse (c.q. romeinse) misliturgie werd de lofprijzingsformule onderdeel van de introïtus, het antifonaal psalmgezang waarmee de binnenkomst van de paus/clerus begeleid werd. De intochtspsalm werd voorafgegaan door een antifoon, die bestond uit een vers van de psalm. In de vroege pauselijke liturgie was het gebruikelijk dat de paus het teken gaf wanneer de psalm besloten kon worden met het Gloria Patri, waarna nogmaals de antifoon volgde. Het introïtusgezang, inclusief de trinitarische lofprijzingsformule, werd niet door de gemeente maar het koor (‘schola cantorum’) gezongen.

Vanaf de Reformatie

In de lutherse reformatie werd het Gloria Patri gebruikt als afsluiting van de lofzang van Simeon (‘Nunc dimittis’) in de getijden. In de kerkdiensten had het echter geen plaats; Luther noemde in zijn Deutsche Messe de mogelijkheid om óf de introïtuspsalm (zonder antifoon en Gloria Patri) óf een geestelijk lied te zingen. In de eeuwen daarna werd het gebruikelijk dat de gemeente een ‘intochtslied’ zong. Hoewel de tekst van het Gloria Patri niet gebezigd werd, klonk er dan toch een doxologie aan het begin van de dienst omdat veel kerkliederen afsloten met een strofe waarin de Drie-eenheid geprezen werd.
In de negentiende eeuw kwam er weer aandacht voor de orden van dienst en in dat kader kregen ook de introïtus en het Gloria Patri hernieuwde aandacht. Er waren orden waarin de ‘kleine doxologie’ door een vierstemmig koor gezongen werd, maar ook was er de mogelijkheid dat de gemeente het klein gloria zong. Tevens zijn er bronnen bekend waarin het Gloria Patri de introïtus (c.q. een reciterende beurtspraak tussen voorganger en gemeente) afsluit. Daarbij zong de voorganger de kleine doxologie, waarop de gemeente met ‘amen’ antwoordde. In de twintigste eeuw werd het in de lutherse kerken gebruikelijk dat de gemeente het Gloria Patri zingt na de ingangspsalm.

Aan het begin van de twintigste eeuw brengt de Nederlandse liturgische beweging het klein gloria weer onder de aandacht als afsluiting van de introïtus, die op drie manieren vorm kan krijgen, zoals blijkt uit deel II van Liturgische Handboekjes Hoofd- (Predik-)dienst van de Liturische Kring uit 1923:
- met een gesproken tekst (wisselend naar kerkelijk jaar
- met een aanvangslied
- met koorzang
Alle drie mogelijkheden worden afgesloten met het Gloria Patri door de gemeente. De melodie ervan (die gelijk is aan Liedboek 195), voorzien van een vierstemmige zetting van Johan Wagenaar, staat achterin het deel II afgedrukt.
In de ‘Hervormde Bundel’ uit 1938 werd het Gloria Patri (inclusief de melodie die nu bij Liedboek 195 afgedrukt staat) opgenomen als gezang 88 in de rubriek ‘Drieëenheid’.

Het Dienstboek voor de Nederlandse Hervormde Kerk uit 1955 plaatste de tekst van het Gloria Patri als onderdeel van de orde van dienst voor de zondagavond, waar deze gezongen wordt na de genadeverkondiging. De Gereformeerde Kerken (syn.) stellen in 1974 een orde van dienst vast, waarbij het klein gloria facultatief geplaatst is na de ‘Psalm van de intocht’. Hetzelfde gebruik, waarbij een andere lofprijzing vermeld wordt dan Liedboek 195, wordt geopperd in het Dienstboek – Schrift, Maaltijd, Gebed (blz. 865) uit 1998.
In het Liedboek – Zingen en bidden in huis en kerk is Gloria Patri opgenomen in de rubriek ‘Getijden van de dag’. De lofprijzing dient daar als afsluiting van psalm die in een van de getijdendiensten gelezen worden.

Bijbelse referenties

Dat het Gloria Patri in de geschiedenis hoofdzakelijk gebruikt is als afsluiting van een psalm, zal ingegeven zijn door het gegeven dat de vijf psalmboeken (Psalm 41,14; 72,19; 89.53; 106,48 en 150,6) steeds afsluiten met een lofverheffing.
De trinitatische indeling ‘Vader-Zoon-Geest’ sluit aan bij het doopbevel van Christus (Matteüs 28,19).
Het vervolg van de tekst is gebaseerd op de driedeling ‘verleden-heden-toekomst’:
1) als in den beginne,
2) nu en immer,
3) en van eeuwigheid tot eeuwigheid.
Alle drie elementen zijn Bijbels gefundeerd: dat de drie-enige God er vanaf het begin was, lezen we onder meer in Johannes 1,3 en Kolossenzen 1,15. Waarschijnlijk waren de woorden ‘sicut erat in principio’ oorspronkelijk bedoeld als rechtstreekse verwijzing naar het begin van het Johannes-evangelie waar staat dat Christus ‘in den beginne’ was. De bewoordingen dat Hem de eer toekomt ‘nu (en immer) en tot in eeuwigheid’ vinden we in 2 Petrus 3,18 en Judas 1,25. De uitdrukking ‘van eeuwigheid tot eeuwigheid’ (of: ‘in alle eeuwigheid’) treffen we herhaaldelijk aan in de Schrift, onder meer in de lofverheffing waarmee het eerste en vierde Psalmenboek afsluit (Psalm 41,14; 106,48), in Psalm 90,2, Daniël 2,20, Galaten 1,5 en Efeze 3:21. Omdat de woorden ‘van eeuwigheid tot eeuwigheid’ rationeel lastig te begrijpen zijn, luidt de Duitse oecumenisch vastgestelde tekst tegenwoordig ‘wie im Anfang, so auch jetzt und alle Zeit und in Ewigkeit’.


Melodie

De oudst bekende bron voor de melodie van Liedboek 195 staat in Der Erbaren, Erenriker Stadt Sost Christlike Ordenunge uit 1532. Dit betreft een uitvoerige kerkorde in het Nederduits die afgesloten wordt met de nieuwtestamentische cantica en Luthers Duitstalige bewerking van het Te Deum. De kleine doxologie sluit de lofzang van Simeon (‘Nunc dimittis’) af. De melodie is genoteerd in een gotisch (en onnauwkeurig) muziekschrift. In modern notenschrift en getransponeerd naar d-lydisch luidt zij:
Zowel tekstueel als melodisch verscheen twee decennia later een andere versie in de Kirchenordnung von Pfalz-Zweibrücken (Neuburg) uit 1557. Het gedeelte na ‘Geiste’ werd tekstueel en melodisch gewijzigd. De woorden ‘Alseydt was in dem anbeginne’ werden gewijzigd in ‘wie eis war im Anfang’ en voorzien van het melodisch fragment dat in de lofzang van Simeon gezongen werd bij de woorden ‘Ein liecht zu erleuchten die Heiden’.
Ook bij het vervolg treffen we naar tekst en melodie een andere versie aan:
In de negentiende eeuw duikt de Gloria Patri-melodie uit de zestiende eeuw weer op in de Agenden-Kern die evangelisch-lutherische Kirche in Bayern (Nürnberg 1856, blz. 4) waar het een plaats heeft gekregen als afsluiting van de introïtus. Afgezien van het ‘amen’ is het deze melodieversie die in de twintigste eeuw algemeen gebruikelijk wordt:

Analyse

De melodie staat in de open en opgewekte lydische toonsoort (vijfde psalmtoon). De versie uit 1532 laat zien dat de melodie oorspronkelijk een sterk recitatief karakter heeft, waarbij de reciteertoon a’ (in d-lydisch) de hoofdrol speelt. In de latere versies heeft deze reciteertoon een minder op de voorgrond tredende rol.

Auteur: Jan Smelik