Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

213 - Morgenglans der eeuwigheid


Morgenglanz der Ewigkeit

Christian Knorr von Rosenroth
Casparus Bernardus Burger
Mühlhausen 1662/Halle 1704

Tekst

Deze toelichting is overgenomen uit ‘Een Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken’ (Amsterdam 1977) en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is. 

Het lied van Christian Knorr von Rosenroth ‘Morgenglanz der Ewigkeit’, is het enige, dat wij van hem in het Liedboek hebben. Ook in het Duitse Evangelisches Gesangbuch (1995, nr. 450) komt het voor als morgenlied. Het is genomen uit het Gesangbuch Freylinghausen van 1704. Het komt op andere wijze vertaald voor bij Hasper, Geestelijke liederen, nr. 400.

In de ‘Hervormde Bundel van 1938’ komt het reeds voor als gezang 128; in het Liedboek zijn de strofen 4 en 5 anders vertaald dan in de bundel van 1938, terwijl in strofe 2 de eerste twee regels zijn gewijzigd, omdat de bedoeling niet goed tot haar recht kwam. In strofe 4 werd speciaal prijs gesteld op het behoud van de uitdrukking ‘opgang uit den hoge’ (Lucas 1,78). In de versie van 1938 luidde strofe 4:

Licht van boven dat ons leidt,
geef dat wij ten jongste dage,
gans verheerlijkt en bevrijd
ver van alle aardse plagen,
langs Uw vreugdevolle baan
binnengaan.

en strofe 5:

Dat Uw glans ook daar ons schijn’,
klare zon van Gods genade,
als wij eens verheerlijkt zijn
in Uw rijk, verlost van 't kwade,
waar de vreugde zonder maat
nooit vergaat.

Wij vinden het lied ook in de bundel van de Nederlandse Protestanten Bond uit 1943 als nr. 187, de tekst daar is gelijk aan die van de bundel van 1938.

Hoewel het lied als ochtendlied is bedoeld stijgt het al spoedig daar boven uit tot de hoop van het christelijk verwachten, door Christus verkondigd en beloofd. De bijbelse achtergrond is overal duidelijk aanwijsbaar. In Psalm 36,10 vinden wij het ‘licht uit Licht geboren’ en de ‘Bron des levens’, die ons met liefelijkheden drenkt en overspoelt, zie strofe 1 en 2. De ‘koude werken’ uit strofe 3 zijn moeilijker te plaatsen, maar herinneren in elk geval aan Openbaring 3,15-16, waaruit we lezen kunnen, dat de werken der Christenen niet warm zijn. In Openbaring 2,4 vinden we, dat zij hun eerste liefde hebben verzaakt. Misschien moeten we ook denken aan de koude van de dood (1 Johannes 3,14-17), of de koude van de nacht (1 Johannes 2,11) of de koude van het zelfbedrog (1 Johannes 4,20). Daarom moeten we als de verloren zoon tot onszelf komen en opstaan (Lucas 15,17-18), om het feest te kunnen meevieren, dat bestemd is voor hen, die de Opgang uit den hoge heeft geroepen en bestemd tot de eeuwige heerlijkheid. Zie strofe 4 en 5.

Het lied is in Nederland zeer geliefd geworden. Het verbindt op bijzonder fraaie wijze de ochtend met Christus, licht uit licht, die de nacht verdrijft, met de dauw als beeld van Gods genade, de komende dag als beeld van Gods liefde die de koude verjaagt, de dageraad als beeld van de jongste dag die de nacht doet vergeten, en het licht van de zon als beeld van Gods trouw en goedheid, welke alles overstraalt. Er zijn weinig morgenliederen, die de verschijnselen van de nieuwe dag zo fijnzinnig en consequent uitwerken in de richting van het toekomstig heil.

Auteur: C.B. Burger


Melodie

In 1684 gaf de veelzijdig begaafde dichter Christian Knorr von Rosenroth onder de titel Neuer Helikon een bundel met 70 gedichten uit, blijkens de ondertitel: geistliche Sittenlieder von Erkenntnis der wahren Glücksseligkeit. Ze waren voorzien van een melodie met een becijferde bas, zonder dat de componist daarvan vermeld werd. Of ze van de dichter zelf zijn, valt niet te bewijzen. Uit deze bundel nam Freylinghausen in 1704 niet minder dan 16 liederen over, waaronder het bekende Morgenglanz der Ewigkeit, een lied dat nu wel in een veertigtal talen vertaald moet zijn. In de eerste drie oplagen van Freylinghausen heeft het lied twee melodieën; de eerste is de ook ons bekende; de tweede schijnt het ook toentertijd niet gehaald te hebben. Of de eerste melodie bij Freylinghausen aan de Helikon is ontleend, weet Zahn  niet te melden. Verder geeft hij van onze melodie (3427) slechts enige onbeduidende varianten, zoals die in latere edities van Freylinghausens gezangboek voorkomen.

De even schone als eenvoudige melodie moet spoedig grote verbreiding hebben gevonden en wordt in de negentiende eeuw ook in Amerika aangetroffen (Philadelphia 1875). Pakkend is de inzet, waar de grote drieklank via de terts wordt aangevat. De vorm is weer de zo bekende Barvorm: regel 3 en 4 herhalen onveranderd regel 1 en 2. Een goede afsluiting geeft de zesde regel, die slechts uit drie noten bestaat. De ambitus blijft precies binnen het octaaf. Het halfslot moduleert duidelijk naar de dominant. Een melodie die met elementaire middelen werkt en die stellig nog lang – mede door de goede tekst – tot de onvergankelijke schat van de kerk der eeuwen zal blijven behoren.

Auteur: Bernard Smilde

Literatuur

Johannes Zahn, Die Melodien der deutschen evangelischen Kirchenlieder. Gütersloh 1889-1893, Reprint: Hildesheim 2006.


Media

Uitvoerenden: Haags Kerkmuziek Ensemble o.l.v. Hans Jansen; Jan Hage, orgel (bron: KRO-NCRV)