Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

220 - Zoals een bloem zijn kelk heft naar de zon


Een eerste kennismaking

In de ondertitel ‘Lied van verlangen’ geeft de dichter Jaap Zijlstra (1933-2015) de kern van dit morgenlied aan: het zoeken naar God wordt weergegeven in het beeld van een bloem die zijn kelk richt op de zon. Ook andere beelden uit de natuur lezen we in de eerste strofe: een boom die zijn takken spreidt, zaad dat kiemt. De mens leert de grootsheid van God kennen in de schepping, of zoals de dichter eens zei: ‘Een heldere sterrenhemel vervult mij meer met verwondering en eerbied dan een zons- of maansverduistering’. Maar in de laatste strofe klinkt ook de zorg om de geschonden schepping. In de tweede en derde strofe herkennen we Psalm 8, maar ook het beeld van Christus als de morgenster.
De melodie van de Vlaamse componist en beiaardier Jos D’hollander golft met de tekst mee en lijkt wel op de woorden van de eerste strofe geschreven, zoals de melodische stijgingen bij ‘naar de zon’ en ‘naar de hemel’ en de daling bij ‘diep in de akkergrond’. Een gedragen zangwijze past bij tekst en melodie.

Auteur: Pieter Endedijk


Lied van verlangen

Jaap Zijlstra
Jos D’hollander

Tekst

Ontstaan en verspreiding

Dit lied is gebaseerd op een tekst uit Zijlstra’s gebedenbundel Gij roept het licht tot koning uit (Kok, Kampen 1988). De Vlaamse ‘boekmaker’ Gert-Jan Buitink spoorde de dichter aan er een liedtekst van te maken. Jaap Zijlstra voldeed graag aan dat verzoek en koos daarvoor de strofevorm van psalm 119. Toen de liedtekst gereed was, vroeg Buitink aan de Vlaamse componist Jos D’hollander er een nieuwe melodie bij te componeren. En zo werd deze tekst, in de woorden van de dichter, van een loopvogel een vliegende vogel. De gebruikswaarde ervan is dus toegenomen: je kunt hem behalve uitspreken ook zingen.
De eerste publicatie van het lied is in Zingend Geloven 5 (1995, nr. 75). Daarna werd het ook opgenomen in Tussentijds (2005, nr. 119) en het Gereformeerd Kerkboek (editie 2006, nr. 173). In de bundel liederen Van harte brengen wij U lof van Jaap Zijlstra (Kampen 1997) vinden we het op blz. 8.

Vorm

Het lied bestaat uit vier coupletten van zes regels met een jambisch metrum. Wat opvalt, is dat de dichter losjes omspringt met het gekruiste rijmschema van psalm 119. Couplet 1 en 4 wijken hiervan af doordat de vijfde regel in beide gevallen niet rijmt op de eerste en derde regel. Het schema is hier dus: A-b-A-b-C-b. Opzet of niet, deze afwijkende regels rijmen wel op elkaar: ‘licht’ (couplet 1) en ‘vergezicht’ (couplet 4), hoewel de afstand voor het klankeffect veel te groot is. In couplet 2 en 3 is de dichter niet afgeweken van het schema van psalm 119: A-b-A-b-A-b.
Wat ook opvalt, is dat de dichter meer dan eens klinkerrijm gebruikt (bijvoorbeeld zon-grond en hemel-leven-vrede) in plaats van volrijm.
Ten slotte wijs ik op de alliteraties: ‘taal’ en ‘tijding’ (strofe 2, regel 4), ‘hoog aan de hemeltrans’ (strofe 3, regel 1) en ‘schade’, 'schande’, ‘schenkt’ (strofe 4, regel 4, 5).

Inhoud

Dit lied is, zoals gezegd, gebaseerd op de tekst van een gebed. Het kan nog steeds als een gebed opgevat worden, omdat God in alle vier de strofen aangeroepen wordt. In het Liedboek is het als morgenlied opgenomen, terwijl Jaap Zijlstra het zelf de ondertitel ‘Lied van verlangen' meegegeven heeft.

Strofe 1

Het verlangen uit de ondertitel krijgt met name in deze eerste strofe veel accent. De dichter gebruikt daarvoor drie personificaties die een vergelijking vormen met regel 5 ‘zo zoekt ons hart naar U, o eeuwig licht’ en regel 6 ‘zo taalt ons lied naar U, o God van vrede’. Er is hier geen sprake van een homerische vergelijking: de drie personificaties vormen niet één breed uitgewerkt beeld, maar staan naast elkaar: de bloem heft zijn kelk naar de zon (regel 1), de boom breidt zijn armen naar de hemel uit (regel 2) en het zaad in de akkergrond zoekt naar het licht om op te staan (regel 3-4).

Strofe 2

In dit couplet staat de lofprijzing centraal. Gods naam licht op in de nacht. De ‘sterren’ die in regel 2 genoemd worden, zijn het beeld van Gods luister. Dit wordt verder uitgewerkt in regel 3 en 4: ‘zo hoog’, ‘een uitstraling zo zacht’ en 'van verre’. De kosmische elementen worden gekoppeld aan de talige elementen in regel 4: ‘taal van genegenheid’ en ‘tijding'. Regel 3 en 4 vormen bovendien een chiasme: ‘zo hoog' en ‘van verre’ horen bij elkaar, evenals ‘zo zacht’ en ‘genegenheid'.
Het gehele couplet, maar met name regel 5 en 6, waarin de verwondering over de schoonheid van het nachtelijk firmament tot uitdrukking wordt gebracht, zouden we kunnen zien als een toespeling op Psalm 8,4-5.

Strofe 3

In het derde couplet zet de dichter de kosmische beeldspraak voort: ‘hemeltrans’ (een beeld dat we maar op één plaats in de Bijbel tegenkomen, namelijk Job 22,12) en ‘nacht’ dragen Gods handtekening ‘in sierlijk schrift’. Ze zijn met dezelfde hand geschreven – een metafoor voor geschapen – als wij. Opvallend is de overeenkomst van deze regels met de eerste twee regels van de vorige strofe: ‘uw naam die oplicht… uw luister… geschreven in de sterren.’ Het woord ‘gratie’ in regel 4 sluit mooi aan bij het ‘sierlijk schrift’ in regel 1. God wekt ons ‘schrijvend’ tot leven. De zozeer aan God verwante morgenster (regel 5) is Christus, een beeld dat we ook in Openbaring 22,16 tegenkomen. Opmerkelijk in dit verband is dat deze overdrachtelijke betekenis het Van Dale Groot Woordenboek der Nederlandse taal nooit ‘gehaald’ heeft. Het woord kent in dit woordenboek uitsluitend overdrachtelijke betekenissen in triviale zin, van ‘voddenraper’ tot ‘knots met ijzeren punten’. Daarnaast wordt ‘Morgenster’ als tweede eigennaam genoemd voor respectievelijk Venus, Lucifer en Maria.
In het ‘uur der duisternis’ (regel 6), dat door de morgenster verdreven wordt, zouden we een verwijzing kunnen zien naar Lucas 22,53b, waar Jezus, wanneer Hij wordt uitgeleverd aan de hogepriesters, tempelwachters en oudsten van het volk, zegt: ‘maar dit is uw uur, het uur van de macht van de duisternis.’

Strofe 4

In de laatste strofe komen bijna alle elementen uit de voorgaande strofen weer terug: ‘zo taalt ons lied naar U’ uit strofe 1 en ‘taal van genegenheid’ uit strofe 2 in ‘die ons zingen doet’ (regel 1); ‘wij zijn geschreven met de dezelfde hand’ uit strofe 3 in ‘maaksel van uw handen’ (regel 2); ‘uitstraling zo zacht’ uit strofe 2 in ‘innigheid’ en ‘gloed’ (regel 3); ‘duisternis’ uit strofe 3 in ‘huis van schade en schande’ (regel 4); ‘vrede’ uit strofe 1, ‘heerlijkheid’ uit strofe 2 en ‘wekt ons tot leven' uit strofe 3 in ‘Gij schenkt de sterveling een vergezicht’ (regel 5); tot slot ‘eeuwig licht’ uit strofe 1 en ‘stille pracht' uit strofe 2 in ‘een stad van licht’ (regel 6). ‘Vergezicht’ is een woord dat Jaap Zijlstra vaker gebruikt. Zie ook Liedboek 459: 6 en 646: 2.
Heel strofe 4 vormt een ingenieuze afronding van een mooi lied!

Liturgische bruikbaarheid

Het lied is in het Liedboek ingedeeld in de rubriek morgenliederen. Daarnaast is het goed bruikbaar in de paastijd vanwege de paas- en pinkstermotieven: ‘opstaan om te leven’ (strofe 1, regel 4), ‘oplichten in de nacht’ (strofe 2, regel 1), ‘tot leven wekken’ (strofe 3, regel 4), ‘uw adem geeft innigheid en gloed’ (strofe 4, regel 3) en ‘uit het huis van schade en schande leiden’ (strofe 4, regel 4). Vanwege de rijke beeldspraak is het lied ook nog op andere wijzen en in andere contexten bruikbaar. Zo wordt het in het liedboekregister (blz. 1608) vermeld bij ‘Schepping’.

Auteur: René van Loenen


Melodie

Wie de melodie van dit lied analyseert, ontdekt meteen twee karakteristieken: de melodie draagt alle kenmerken van het gregoriaans in zich, en de woorden van de eerste strofe vormden het uitgangspunt voor de melodische en ritmische structuur.

Het gregoriaanse karakter uit zich vooral in het vrije ritme, waarbij deze melodie slechts twee notenwaarden gebruikt. Alleen de vierde noot is een gepunteerde halve. Daarnaast is het melodisch verloop van hoofdzakelijk secundeschreden typerend voor deze stijl. Slechts enkele tertssprongen onderbreken deze gang, De kwart- en kwintsprong in regel 3 en de octaafsprong in regel 6 gaan het gregoriaanse karakter wat te buiten.
Zoals hierboven is vermeld dacht de dichter zijn tekst op de melodie van psalm 119 uit het Geneefse psalter. In zijn bundel Van harte brengen wij U lof (1997, blz. 8) koos Jaap Zijlstra echter voor de melodie ‘De Heer heeft mij gezien en onverwacht’ van Bernard Huijbers. Huijbers schreef deze melodie oorspronkelijk bij de laatste strofen van de berijming van Psalm 119 (zie de melodiebespreking bij Liedboek 221). Met de melodieën van Bernard Huijbers en Jos D’hollander heeft het lied een rooms-katholieke ‘sound’ gekregen.

Bij het schrijven van de melodie heeft Jos D’hollander zich laten inspireren door de tekst van strofe 1. Lange klinkers in woorden als ‘boom’, ‘zaad’, ‘zoekt’ en ‘U’ waren dankbare bouwstenen.
De glooiende melodie is in te delen in drie volzinnen: elk regelpaar vormt een eenheid. Het eerste regelpaar kent de ambitus van een octaaf (e’-e”) en doorloopt deze omvang eerst stijgend tot halverwege regel 2 om daarna enigszins terug te buigen tot de dominant (b’).
Het tweede regelpaar kent een geringere omvang (e’-cis”) en cirkelt rond en eindigt op de mediant, de derde trap van de toonladder (gis’).
Het derde regelpaar kent weer de omvang van een octaaf, begint op de grondtoon (e’) om in secundeschreden (behoudens één tertssprong, b’-gis’) naar het bovenoctaaf te stijgen halverwege de laatste regel. Na een octaafsprong naar beneden wordt met een kort stijgend en dalend motief de toonsoort E-groot bevestigd.
Elke melodische zin van twee regels is onder te verdelen in stijgende en dalende motieven van drie of vier aansluitende noten, trichorden en tetrachorden. In de eerste regel zijn dat bijvoorbeeld de motieven e’-fis’-gis’ en fis’-gis’-a’-b’. In regel 2 zijn dat de motieven b’-cis’-dis’-e’ (stijgend en dalend) en gis’-a’-b’. Zo kan elke regel worden geanalyseerd.

Het gregoriaanse karakter van de melodie vraagt om een rustige en gebonden, maar soepele zangwijze, waarbij de accenten niet verticaal zijn (zwaar-licht), maar horizontaal (lang-kort). Wel is het de moeite waard om elke regel in één adem te zingen en niet halverwege een regel na een halve noot adem te halen.
De melodie van Jos D’hollander bij deze tekst verscheen voor het eerst in het vijfde deeltje van Zingend Geloven (1995, nr. 75). De drukfout daar in de melodie (twee halve noten in regel 4 bij het woordje ‘opstaat’) is in het Liedboek gecorrigeerd.

Auteur: Pieter Endedijk