Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

23a - D’Almachtige is mijn herder en geleide


Joost van den Vondel
Julius Röntgen

Tekst

Harpzangen

In 1657 verscheen Koning Davids Harpzangen den Nederduitschen toegezongen door J. v. Vondel te Amsterdam. Onder de vele psalmberijmers uit de zestiende en de zeventiende eeuw komen we met name gereformeerden tegen, anderen zijn remonstrants, doopsgezind of luthers, en ten slotte is er Joost van den Vondel die aanvankelijk doopsgezind was, maar in zijn latere rooms-katholieke periode de Harpzangen schreef. De bundel bevat de herdichting van alle 150 psalmen, aangevuld met Heilige Gezangen in nederduitsch gerijmt: Moyzes Gezang, Lofzangk van Maria, Zacharias Lofzang, Simeons Lofzang, Het Gebedt des Heeren en De Koninghlijcke Harp.

Twee uiterlijke kenmerken van de bundel onthullen iets over Vondels katholieke sympathieën. Allereerst zijn opdracht aan de erudiete koningin Christina van Zweden, die de lutherse staatskerk verliet en overging tot het katholicisme: een beslissing die haar de troon kostte. Verder hanteert Vondel in zijn werk de psalmnummering van de katholieke Vulgaatbijbel, gevolgd door de eerste woorden (het ‘incipit’) van de Latijnse tekst. Boven Psalm 23 staat bij Vondel: De xxij. [=22ste] Harpzang. Dominus regit me [= De Heer regeert mij].

In de jaren dat Vondel zijn Harpzangen maakte, ondervond hij veel huiselijk verdriet vanwege zijn enige zoon Joost. Vondels eerste biograaf Geeraerdt Brandt citeert de dichter als volgt: ‘Indien ik de troost en verquikking der Psalmen niet hadde, ik verging in myn el[l]ende’ (Brandt, ed. Harmsen dbnl).

Vondels psalm wordt kerklied

Vondel presenteerde zijn Harpzangen zonder melodie-aanduiding, ook ontbreken strofenummers, zodat men ervan kan uitgaan dat hij zijn uitgave heeft bedoeld als leespsalter. Bij sommige van zijn herdichtingen maken witregels de indeling in strofen wél zichtbaar, maar bij Psalm 23 ontbreken zelfs de witregels. De eerste druk uit 1657 laat slechts een 32 regels tellend tekstblokje zien in gotische letters.

Eeuwen later pas, in 1920 om precies te zijn, werd Vondels psalm als lied 255 opgenomen in de Vervolgbundel van de Godsdienstige Liederen, een uitgave van de Nederlandse Protestantenbond. Binnen deze vrijzinnig-protestantse stroming streefde men naar een ontwikkeling van het kerkelijk liedrepertoire. In 1882 verscheen de eerste bundel Godsdienstige Liederen voor gemeente en huisgezin. In ‘Een woord vooraf’ schrijft de Commissie van de Nederlandse Protestanten Bond dat ze heeft gezocht naar dichters van geestelijke liederen uit vroegere en latere tijd: ze putte ‘uit den rijkdom van zangen, gedicht door Beets, De Génestet, Ten Kate, Heije, Da Costa, zelfs Vondel’ (p. VI). Van Vondel waren twee liederen opgenomen die oorspronkelijk dienst hadden gedaan als gezongen of gedeclameerde rei in een toneelwerk van Vondel. In de Vervolgbundel uit 1920 is de aandacht voor liederen uit voorgaande eeuwen nog toegenomen: behalve dat er nóg twee liederen van Vondel gekozen werden – waaronder dus zijn herdichting van Psalm 23 – bevat de bundel bijvoorbeeld liederen van Adriaan Valerius, Jan Luyken en Dirk Raphaelsz. Camphuysen.

Strofebouw

De beginregel van Vondels psalm werd in de Vervolgbundel de titel: ‘D’Almachtige is mijn Herder en Geleide’; de tekst werd in vier strofen verdeeld. De strofen tellen acht versregels die alle een alternerend ritme hebben van afwisselend niet-beklemtoonde en beklemtoonde lettergrepen. Men spreekt dan van jambische verzen. De oneven regels tellen steeds vijf accenten, de even regels, die veel korter zijn, tellen slechts drie accenten. Er zit nog een andere regelmaat in de strofen: de lange regels vertonen vrouwelijk rijm met de klemtoon op de voorlaatste lettergreep: geleide-weide, beke-streke, en de korte regels vertonen mannelijk rijm met de klemtoon op de laatste lettergreep: schort-verdort, verstrooi’-kooi. Het rijmschema van de eerste strofe kunnen we als volgt noteren: aBaBcDcD. Dit wordt gekruist rijm genoemd.

Inhoud -vooraf

Er is na meer dan drie eeuwen tekstueel weinig veranderd aan Vondels harpzang: de spelling is iets gemoderniseerd, het aantal komma’s verkleind en drie uitroeptekens zijn toegevoegd. De kleine aanpassingen kunnen niet verhinderen dat de tekst wat archaïsch aandoet, bijvoorbeeld door de verkorte werkwoordsvormen in de aanvoegende wijs ‘verstrooi’’ en ‘afdwaal’’, ‘zworf’ in plaats van ‘zwierf’, ‘beschaduwd van’ (in plaats van ‘door’) de dood.

In de Psalm en in Vondels Harpzang spreekt een ik-figuur. We kunnen daarbij denken aan David, die in zijn jonge jaren door zijn vader werd aangesteld als herder over de kudde kleinvee. Bovendien wordt deze psalm in het opschrift aan David toegeschreven. Achttien maal gebruikt Vondel de vormen ‘ik’, ‘mij’/‘me’ en ‘mijn’, nagenoeg even vaak als De Nieuwe Bijbelvertaling, waarin de vormen ‘ik’, ‘mij’ en ‘mijn’ zestien maal voorkomen bij Psalm 23. Deze hoge frequentie suggereert een sterk persoonlijk Godsvertrouwen bij de dichter. Gelovigen kunnen zich gemakkelijk identificeren met deze ik, omdat angst voor alles wat het leven kan bedreigen (2.5: ‘nare en donk’re dalen’) en het verlangen naar geborgenheid (2.8: ‘Hij staat me bij’) universeel zijn.

Om na te gaan wat Vondel met de bijbeltekst heeft gedaan, vergelijk ik zijn Harpzang met de zes verzen tellende Psalm 23 uit de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) uit 2004. Enkele keren verwijs ik naar de parallelle versie uit de Leuvense Bijbel (LB) uit 1548, de eerste kerkelijk goedgekeurde katholieke Nederlandstalige Bijbel, een getrouwe vertaling van de Vulgaatbijbel gemaakt door Nic. van Winghe uit Leuven. In de volgende zes tekstblokjes passeren achtereenvolgens de zes verzen uit de Nieuwe Bijbelvertaling, met daaronder enig commentaar bij Vondels herdichting ervan.

Psalm 23,1
De HEER is mijn herder,
het ontbreekt mij aan niets.

Opvallend is dat in de Vulgaattekst van deze Psalm (Dominus regit me) en in de Leuvense Bijbel (‘Die Heere regeert my’) het woord voor ‘herder’ ontbreekt, terwijl dat woord toch in de meeste vertalingen en berijmingen beeldbepalend is. Ook Vondel gebruikt het in zijn lied. In de openingsregel vervangt hij de benaming van ‘de Heer’ door ‘D’ Almachtige’, en ‘mijn herder’ breidt hij uit tot het synoniemenpaar ‘mijn herder en geleide’. ‘Het ontbreekt mij aan niets’ herschrijft hij tot een ritmisch lopende retorische vraag: ‘wat is er dat mij schort?’, waarop het verzwegen antwoord luidt: niets. Aan de woorden ‘geleide’ en ‘schort’ in de eindpositie van de eerste regels kan Vondel de twee daarop rijmende woorden ‘weide’ en ‘verdort’ in de regels 3 en 4 koppelen.

Psalm 23,2
Hij laat mij rusten in groene weiden
en voert mij naar vredig water.

Vondel gebruikt bij de woorden ‘weide’ en ‘water’ tweemaal een paar verwante woorden: ‘gras noch groen’ en ‘bronne en beke’, met beginletterrijm (alliteratie) in beide combinaties. Bij ‘drenken’ gebruikt Vondel het object ‘mijn ziel’: ‘Hij drenkt mijn ziel’. Zowel ‘mijn ziel’ als ‘mijn geest’ worden in Vondels eerste strofe genoemd. Aan ‘mijn ziel’ kan de Heer via het water nieuwe kracht geven. De oude Leuvense Bijbel spreekt van ‘die vermakende [= verkwikkende] wateren.’ Dit sluit goed aan bij het begin van vers 3 in de NBV: ‘Hij geeft mij nieuwe kracht.’

Psalm 23,3
Hij geeft mij nieuwe kracht
en leidt mij langs veilige paden
tot eer van zijn naam.

Hier volgen Vondels drie slotregels van zijn eerste strofe.

Indien mijn geest verstrooi’
en afdwaal’ van de kudde en rechte streke,
Hij brengt ze weer te kooi.

Vondels regels schetsen hier het beeld van de ik-figuur die zich afvraagt: wat gebeurt er wanneer ‘mijn geest’ mogelijk ‘verstrooit’, dat is: wanneer ik geestelijk verdwaal en het rechte spoor bijster raak? Hij gelooft dat de Heer hem ook dan niet loslaat. Staat dit ook in de bijbeltekst? Niet in de NBV, maar in de Vulgaatbijbel, die Vondel tijdens het dichten van zijn Harpzangen wel raadpleegde, begint vers 3 aldus: ‘animam meam convertit’, Mijn geest bekeert Hij, en brengt Hij weer bij het rechte geloof terug: ‘Hij brengt ze weer te kooi’. Dit laatste zinnetje brengt ons na alle vergeestelijking weer terug bij de schapen en hun veilige behuizing: de schaapskooi.

Opvallend is in dat zinnetje het woord ‘ze’. Naar welk woord verwijst ‘ze’? Wie Vondels drie regels hierboven herleest, ziet dat ‘ze’ eigenlijk alleen naar ‘mijn geest’ kan verwijzen. Maar: zou Vondel met het vrouwelijke persoonlijke voornaamwoord ‘ze’ verwijzen naar ‘geest’, volgens Van Dale nog steeds een mannelijk zelfstandig naamwoord? Ja, dat is goed mogelijk, omdat in de renaissance het middeleeuwse onderscheid tussen mannelijke ‘den’-woorden en vrouwelijke ‘de’-woorden begon te vervagen, behalve bij persoonsnamen. De voornaamwoordelijke aanduiding met ‘zij’/‘ze’ komt dus in de zeventiende eeuw relatief vaak voor (Van der Sijs 2004, blz. 446-447). Overigens is ‘mijn geest’ een pars pro toto voor ‘mij’. Via een omweg komen we met het woordje ‘ze’ dus toch weer terecht bij de ik-figuur!

‘Hij brengt ze weer te kooi’ is een prachtig zinnetje dat direct doet denken aan Jezus’ verhaal in Lucas 15,4-7 over de goede herder die de kudde achterlaat om het ene verdwaalde schaap te zoeken en op zijn schouders terug te brengen naar de kudde en de schaapskooi. Zo verbindt Vondel de psalm op subtiele wijze met een bekende scène uit het Nieuwe Testament. Een uitbreiding zoals hier is zonder meer een verrijking.

Psalm 23,4
Al gaat mijn weg
door een donker dal,
ik vrees geen gevaar,
want u bent bij mij,
uw stok en uw staf
zij geven mij moed.

Vondel wijdt in de eerste vier regels van strofe 2 nog even uit over de bedoeling van de herder: de ik-figuur wordt geleid naar de goede weg, ‘de heerbaan van zijn wetten’, om God lof te brengen. Het is een uitbreiding die in de psalm niet voorkomt. In de laatste vier regels van strofe 2 schildert Vondel de tocht door de donkere bergspleten: ‘nare en donk’re dalen’, waarbij ‘nare’ ongetwijfeld de oorspronkelijke betekenis heeft van ‘nauw’ (vergelijk het Engelse narrow). De Leuvense Bijbel spreekt van ‘int midden van die scaduwe der doot’, vergelijk de Vulgaat: in medio umbrae mortis. Dit element is bij Vondel terug te vinden: ‘beschaduwd van de dood’.

In de direct aansluitende derde strofe noemt Vondel de twee herdersattributen die ook in de Bijbel genoemd worden: de stok en de staf. Met de stok (of knots) ging de herder een roofdier te lijf die de kudde bedreigde, en met de langere staf zorgde hij dat de schapen veilig de overkant van een snelstromend beekje konden passeren zonder meegesleurd te worden. Vondel noemt de ‘trouwe herdersstok’ en ‘zijn staf’.

Psalm 23,5
U nodigt mij aan tafel
voor het oog van de vijand,
u zalft mijn hoofd met olie,
mijn beker vloeit over.

De gedekte tafel waaraan God de dichter nodigt, krijgt bij Vondel in de derde strofe een overdadig karakter: ‘een volle dis, gelaân met lekkernijen’. Bij de zalving van haar en hoofd met oliegeur denken we onwillekeurig weer aan David. Vondel schrijft dat de zalving het gezicht een glans verleent ‘die druk verdooft’. Met het noemen van de ‘druk’ zinspeelt Vondel op de ‘vijand’ (NBV) en de mensen ‘die my quellen’ (Leuvense Bijbel). De zalving van David was direct omstreden, zelfs bij zijn broers.

De vierde strofe opent Vondel met ‘een schone kelk’. De NBV vertaalt: ‘mijn beker vloeit over’. De Leuvense Bijbel noemt hier ‘mijnen droncke[n] makende kelck’. Het woord ‘kelk’ is al sinds de middeleeuwen veelal een verkorting van ‘miskelk’. En wanneer Vondel het heeft over een ‘kelk vol wijns’, dan is het zonneklaar dat hij aan de eucharistie denkt. Overigens associëren de protestanten vanouds Psalm 23 met de avondmaalsviering. De beker wordt dan avondmaalsbeker en de tafel avondmaalstafel. Naar aanleiding van ‘de kelk vol wijns’ vat Vondel de betekenis van eucharistie en avondmaal als volgt samen: ‘God stort zijn hart genadig uit, ten beste van mijn leven, ten troost van alle smart’. Het lijkt me een kernachtige omschrijving van eucharistie en avondmaal.

Psalm 23,6
Geluk en genade volgen mij
alle dagen van mijn leven,
ik keer terug in het huis van de HEER
tot in lengte van dagen.

De eerste helft van vers 6 heeft Vondel geparafraseerd in zijn omschrijving van de eucharistie. Aan de tweede helft van dit vers wijdt Vondel zijn vier slotregels. ‘Ik zal Gods huis en zegenrijke tempel / bewonen dag en nacht.’ Deze zin is de pendant van de slotzin van strofe 1: ‘Hij brengt ze weer te kooi’. Zo zorgt Vondel voor een indrukwekkende cyclische afronding. De dichter komt thuis, hij posteert zich als wachter bij ‘Arons drempel’, een uitdrukking die vaker bij Vondel voorkomt als synoniem voor de tempel. Een eenvoudige baan, wachter. Het lijkt een echo uit Psalm 84,11: ‘Beter op de drempel van Gods huis dan wonen in de tenten der goddelozen.’ De dichter wil zijn post nooit meer verlaten, want hij staat wel op de plek waar de Aäronitische zegen (zie Numeri 6,24-26) wordt uitgesproken. Daar wil hij blijven als een trouwe wachter, tot de dood erop volgt.

Gebruik

Liedboek 23a kan bij verschillende gelegenheden functioneren. Omdat de tekst een klassieke vertolking van de populaire herderspsalm van David is, kan het lied gezongen worden in kerkdiensten als het thema van de Goede Herder centraal staat, bijvoorbeeld naar aanleiding van Lucas 15 of Johannes 10. Psalm 23 wordt verder veelvuldig als leidmotief gebruikt bij uitvaarten. Daarbij kan Vondels liedvariant van deze psalm eveneens een goede rol spelen. In veel kerken wordt bij de viering van het avondmaal gelezen of gezongen uit Psalm 23. Men zou ook in deze situatie dit lied van Vondel kunnen zingen.

Auteur: Sybe Bakker

Bronnen

Koning Davids HARPZANGEN Den Nederduitschen toegezongen Door J. v. Vondel. t’Amsterdam, By de weduwe van Abraham de Wees, op den Middeldam. 1657.

Geeraerdt Brandt, Het leven van Joost van den Vondel. Editie A.J.E. Harmsen. Beschikbaar: http://www.dbnl.org/tekst/bran002leve05_01/bran002leve05_01_0001.php (geraadpleegd: 09-05-2016).

Nicoline van der Sijs, Taal als mensenwerk: Het ontstaan van het ABN. Den Haag 2004, blz. 446-447.

 


Melodie

Geschiedenis

Röntgens melodie bij Vondels bewerking van Psalm 23 verscheen in de Vervolgbundel van de Godsdienstige Liederen van de Nederlandsche Protestantenbond. Deze bundel werd in gebruik genomen tijdens de viering van het vijftigjarig bestaan van de bond op 25 oktober 1920 in de Pieterskerk te Utrecht. Tijdens die bijeenkomst begeleidde Röntgen het lied ‘D’Almachtige is mijn herder en geleide’ op orgel. Het lied verscheen ook in Röntgens bundel Godsdienstige Liederen voor ééne stem met Pianobegeleiding (Opus 66).

In 1933 kwam het lied met de melodie van Röntgen terecht in het gezangenboek van de Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband (nr. 25). Daarna nam Hendrik Hasper (1886-1974) het op in zijn Gezangen en geestelijke liederen uit 1934 en Geestelijke Liederen uit den schat van de Kerk der eeuwen uit 1935.

De commissie die de ‘Hervormde Bundel’ uit 1938 samenstelde, was bang dat voor opname van Röntgens melodie een flink geldbedrag aan auteursrechten neergeteld zou moeten worden. Daarom gaf zij in 1937 Adriaan C. Schuurman opdracht een nieuwe melodie te componeren, waarvoor de componist 25 gulden ontving.

In vrijzinnige liedbundels bleef Vondels Psalm 23 vergezeld gaan van Röntgens melodie. Dat betrof de vier edities van de Liederenbundel van den Nederlandschen Protestantenbond (Amsterdam 1944, nr. 118).

In het Liedboek voor de Kerken werd – naast Schuurmans melodie (gezang 13B) – ook die van Röntgen opgenomen (gezang 13A). Dit gebeurde op uitdrukkelijk verzoek van de liedbundel­commissie van de Nederlandsche Protestantenbond, want de achterban van de bond, die ook toekomstige gebruikers van het Liedboek voor de kerken waren, zongen de melodie van Röntgen en niet die van Schuurman.

De redactie van het Liedboek, Zingen en bidden in huis en kerk koos voor de melodie van Röntgen, en plaatste onder het lied de opmerking dat de liedtekst ook op de melodie van nr. 766 (‘Ik zag een nieuwe hemel zich verheffen’) gezongen kan worden, een lied van Willem Barnard op de melodie die Schuurman bij Vondels tekst componeerde.

Analyse

De melodie staat in Es-groot. Maar in de vierstemmige zetting die Röntgen componeerde voor zijn hierboven genoemde Opus 66, en die ook in de vierstemmige uitgave van de Vervolgbundel van de Godsdienstige Liederen uit 1921 verscheen, staat de melodie in F groot. Dit waarschijnlijk omdat deze hogere ligging voor solisten en gemengde koren prettiger zingbaar is.

Röntgens melodie sluit aan bij het rijmschema van de tekst: regel 1 wordt herhaald in regel 3, regel 2 in regel 4, regel 5 in regel 7. De regels 6 en 8 zijn ook aan elkaar verwant, maar waar de zesde regel open eindigt (c.q. de terts boven de tonica), is regel 8 in zijn geheel gericht op de afsluiting op de grondtoon.

De eerste vier regels spelen zich af tussen c’ en c”; in regel 5 wordt de ambitus naar boven uitgebreid tot es”. Met uitzondering van de regels 5 en 7 hebben alle melodieregels een neerwaartse beweging. De regels 1 en 3 dalen van de dominant bes’ naar de c’. Aan het einde van regels 1 en 3 klinkt een dalende kwintsprong, die ook aan het begin van de regels 2 en 4 voorkomt na de opwaartse octaafsprong bij de overgang van regel 1/3 naar regel 2/4. Die octaafsprong verleent de tweede melodieregel als het ware het uitroepteken dat de retorische vraag ‘wat is er dat me schort’ impliceert.

De kwint- en octaafsprongen komen we alleen tegen in de eerste helft van de melodie. In de tweede helft typeert de stijgende kwartsprong het melodisch verloop: in zowel regel 5 als 7 komen we er drie tegen.

De regels 1 en 3 sluiten af op de terts onder de tonica, terwijl de regels 2, 4 en 6 eindigen op de terts boven de tonica, en de regels 5 en 7 afsluiten op de dominanttoon.Met uitzondering van de slotregel vragen alle melodieregels dus om een vervolg; de melodie krijgt zo als het ware pas bij de laatste noot vaste grond onder de voet.

Bepalend voor de melodie zijn ook de tweetonige melismen die in de oneven regels op onbeklemtoonde, en in de even regels (met uitzondering van regel 8) op beklemtoonde lettergrepen vallen. Dergelijke melismen paste Röntgen veelvuldig toe in de melodieën die hij voor de Vervolgbundel componeerde. Ze doorbreken niet alleen het ‘eentonig’ gebruik van kwartnoten, maar verlenen de melodie extra vocaliteit en emotionaliteit.

Wat de uitvoering betreft: Röntgen schrijft in zijn hierboven genoemde bundeltje met pianobegeleidingen (Opus 66) boven het lied: ‘Rustig maar niet te langzaam’.

Auteur: Jan Smelik


Media

Uitvoerenden: Haags Kerkmuziek Ensemble o.l.v. Hans Jansen; Jan Hage, orgel (strofen 1, 2) (bron: KRO-NCRV)