Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

23b - De Heer is mijn herder


Jan Jacob Lodewijk ten Kate
Johannes Gijsbertus Bastiaans

Tekst

Deze toelichting is overgenomen uit ‘Een Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken’ (Amsterdam 1977) en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is. 

Het lied, dat de predikant-dichter Jan Jacob Lodewijk ten Kate schreef, naar Psalm 23, werd in de Vervolgbundel-1866 opgenomen onder het opschrift ‘Het lied van den goeden herder’ (gezang 198). In de ‘Hervormde Bundel van 1938’ treft men het aan in de rubriek ‘Gemeenschap met God’ (gezang 184). Het lied is nagenoeg ongewijzigd gebleven. Wel mag worden aangetekend dat in de in 1891 en 1892 in Leiden verschenen verzameling J.J.L. ten Kate’s Gedichten het slot van het vierde couplet luidt:

Hij zalft mij met olie,
Hij drenkt mij met wijn!

en van het vijfde couplet:

Zoo volgen Zijn zegen
en 't goede me altijd!

Overigens heeft Ten Kate meer dan één berijming van Psalm 23 gemaakt. Zo vindt men in zijn Godsdienstige Poëzy (Leiden 1879) op bladzijde 39vv., eveneens ‘Het lied van den Goeden Herder’. De tekst daarvan is ook te vinden in A.W. Bronsveld, Vervolgbundel op de Evangelische Gezangen (1927, blz. 49).

Liedboek 23b, waarvan nu alleen de regels 3 en 4 van strofe 3 zijn veranderd – zij luidden: ‘met grimmige kaken, geen schrik zal mij naken’ – gaat dus terug op Psalm 23 en Johannes 10,1-16. Het opmerkelijke rijmschema (a-B-c-c-d-B) schijnt ook Bastiaans’ aandacht te hebben getrokken. Zijn melodie is er kennelijk op afgestemd (vergelijk de B- en c-regels). Het lijkt mij duidelijk, dat Ten Kate zich bij deze berijming gericht heeft naar Psalm 23 uit het Scottish Psalter (1650) .

Auteur: A.C. Honders


Melodie

J.G. Bastiaans schreef deze melodie in 1866 voor de Vervolgbundel op de Evangelische Gezangen (Amsterdam/Haarlem/Groningen 1868) in opdracht van de Algemene Synode van de Nederlandse Hervormde Kerk. Om deze vervolgbundel voor te bereiden had een synodale commissie uit reeds bestaande gezangbundels liederen gekozen, waarvan vele reeds goede melodieën hadden. Ontbrekende teksten werden aan bekende dichters in opdracht gegeven. De meeste hiervan werden in het metrum van bestaande gezangen gedicht, maar er bleef toch nog een dertigtal liederen over die van nieuwe melodieën moesten worden voorzien. Bastiaans kreeg toen opdracht het geheel – 82 teksten en 30 melodieën – te corrigeren en te redigeren. Daar hij verschillende reeds gekozen melodieën te slecht vond, keurde hij er vele af. Hetzelfde lot ondergingen nog enkele andere melodieën, die hem door de commissie werden nagezonden en die men graag zag opgenomen. Toch gaf men Bastiaans carte blanche in het belang van kerkzang en gemeente te handelen. Dientengevolge componeerde hij dertig nieuwe melodieën en voorzag tien andere gedichten van grotendeels eigen en drie Duitse melodieën. Hoewel deze melodieën niet het beste van Bastiaans’ oeuvre zouden vormen, had de commissie toch een goede keuze gedaan, want Bastiaans had koraalboeken op zijn naam staan en reeds in de jaren 1840-1841 melodieën geschreven voor niet-kerkelijk gebruik. Bovendien nam hij in zijn wereldlijke werken veelal koralen op. Tevens had hij in 1858 een opdracht gekregen voor de Recueil supplémentaire van de Waalse Kerk.

De melodie van Liedboek 23b komt in de Vervolgbundel voor onder nummer 198. Ze behoort met twee andere melodieën van Bastiaans tot de weinige die in een driedelige maat staan. Hoewel verschillende kerkelijke autoriteiten, componisten en leken deze maatsoort voor koralen te werelds vonden – denkt u maar aan de wals – heeft Bastiaans met deze melodie veel succes gehad, ze werd een van zijn meest geliefde koraalmelodieën. Van walsinvloeden was weinig te bespeuren; het zangtempo lag destijds heel laag in de kerken. Bovendien is de melodie bijzonder goed zingbaar; ze heeft op de drieklanksbreking na weinig sprongen. Deze drieklanksbreking lag tevens goed in het gehoor en geeft aan het lied een ingetogen stemming. De vorm bestaat uit drie melodische zinnen. Het verdient daarom aanbeveling de regels twee aan twee zonder enige onderbreking door te zingen en zelfs niet te wachten na regel 4. Weliswaar plaatste Bastiaans zelf na elke regel een fermate, maar dit was noodzakelijk wegens de kerkelijke praktijk van monoritmisch zingen in die dagen.

Het door Bastiaans vervaardigde voorspel in het Vierstemmig Koraalboek, bevattende de Nieuwe Melodieën van de Vervolgbundel (Haarlem 1869) behoudt het karakter van een niet te langzaam lied; het is een gefigureerd koraal, waarvan de melodie met behoud van de vierstemmige zetting in een tweestemmige canon komt. Het naspel wilde Bastiaans altijd zeer kort gehouden hebben: hooguit vier maten lang.

Doordat er uiterst verdrietige meningsverschillen rezen tussen Bastiaans en de synodale commissie, die hem zijn opdracht verleend had, is de Vervolgbundel niet alleen door hemzelf van een koraalboek voorzien, maar ook door Johannes Worp (1821-1891) en Johann Barend Litzau (1822-1893), respectievelijk verschenen in 1869 en 1870). Bij het kiezen van voorspelen en harmonisaties is dus grote omzichtigheid geboden. Want het twistgeding liep zo hoog, dat Bastiaans in het door hem verzorgde Koraalboek de oorspronkelijke teksten, waarvoor hij zijn melodieën had geschreven (dus ook die van Ten Kate ), niet meer mocht opnemen: harmonisaties en voorspelen verschenen daardoor niét met de corresponderende liedteksten in druk. ‘De Heer is mijn Herder’ werd vervangen door het niet voor kerkelijke doeleinden geschreven vers van Carel Steven Adama van Scheltema sr. (1877-1924), ‘Mijn God is mijn Vader’, waarboven op de betrokken bladzijde het opschrift luidt ‘Gezang 198’ met tussen haakjes een verwijzing naar de toedracht. Aanbevolen tempo: MM 100 voor de kwartnoot.

Auteur: Jan ten Bokum


Media

Uitvoerenden: Sweelinckcantorij Amsterdam o.l.v. Christiaan Winter; Wim Dijkstra, orgel (strofen 1, 4, 5) (bron: KRO-NCRV)