Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

244 - Nu is de dag ten einde


Nun sich der Tag geendet

Gerhard Tersteegen
Ad den Besten
Heinrich Isaak Bartholomäus Gesius
O Welt, ich muss dich lassen

Tekst

Deze toelichting is overgenomen uit ‘Een Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken’ (Amsterdam 1977) en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is. 

Ons lied is in feite het laatste deel van een veel omvangrijker Morgen- und Abendopfer, waarin de gehele dag, van morgen tot avond, in het licht der eeuwigheid wordt gesteld. Het verscheen voor het eerst in de vierde druk van Tersteegens Geistliches Blumengärtlein (1745). Evenmin als in zijn andere avondlied ‘De avond komt, de zon daalt in het westen’ (Liedboek voor de kerken gezang 388) zijn het de reële gevaren van de nacht – ‘des Tages Feind’ – die Tersteegen tot gebed nopen, zoals dat in de meeste Duitse avondliederen uit vroeger tijd het geval is. De avond is voor hem de stilte na de luide dag, waarin het menselijk hart zich 'als vanzelf' de hemelse Vader toewendt, – wetende evenwel, dat deze toewending vergeefs is, wanneer niet God zelf zijn gelaat toekeert. Daarvan wordt gesproken als van een zonsopgang midden in de duisternis. In de tweede strofe wordt dan – ja, inderdaad, toch – om goddelijke bewaring gebeden; maar uit de regels 4 tot en met 6 mogen we wel concluderen, dat er niet zozeer aan uiterlijke, als wel aan innerlijke bedreigingen van ’s mensen zielenvrede is gedacht.

In de beide laatste strofen wordt duidelijk, dat we in wezen te maken hebben met het lied van een pelgrim onderweg (zie ook Liedboek 799), die zijn dagelijkse bagage voor een ogenblik heeft afgeworpen. Hij ziet in het verschiet reeds de schone stad der eeuwigheid, waar God hem binnen noodt; en daarvan mag hij nu al een voorsmaak proeven in Gods genadige nabijheid onderweg. Dit pelgrimsmotief is niet alleen bij Gerhard Tersteegen, maar bij welhaast alle dichters van het Duitse piëtisme een geliefd thema: wij zijn hier vreemdelingen, wij mogen ons in deze wereld niet inrichten, en daarmee is een ferment gegeven dat juist in het latere piëtisme – ik denk vooral aan Johann Christoph Blumhardt (1805-1880) en Christoph Blumhardt (1842-1919) – revolutionaire gevolgen heeft gehad.

Ook al om die reden is het niet goed, ons van het piëtisme af te maken, zoals dat tegenwoordig om begrijpelijke redenen gebruikelijk is.

Wat de versvorm betreft, – Tersteegen heeft zich kennelijk gericht naar het nóg beroemder avondlied van Paul Gerhardt (1607-1676), ‘Nun ruhen alle Wälder’, dat ook Matthias Claudius (1740-1815) tot een schoon avondlied heeft geïnspireerd (Liedboek 246). Ze zijn alle drie gedicht op de melodie van ‘Innsbruck, ich muss dich lassen’ met haar zowel in poëtisch als in muzikaal opzicht interessante uitwaaierende slotregel.

Auteur: Ad den Besten


Melodie

In 1539 publiceert de Neurenberger arts en componist Georg Forster (±1510-1568) in zijn Frische Teutsche Liedlein de tekst en melodie van ‘Innsbruck, ich muss dich lassen’ met een vierstemmige zetting van Heinrich Isaak. De tekst wordt wel aan Keizer Maximiliaan I (1459-1519) toegeschreven, maar waarschijnlijk is het gedicht een lied van Zuid-Duitse handwerkslieden, die het vol weemoed aanhieven bij het verlaten der stad. De zetting van Isaak – voor het eerst opgetekend in 1495 – geeft, wat in die tijd sterk opvalt, de melodie in de bovenstem. Of deze nu een tegenstem van de tenor is of niet, dat wil zeggen veel meer een volksmelodie welke door haar innige bewogenheid iedereen veroverde, is niet met zekerheid te zeggen.

Het is bekend dat men Bach en ook Mozart de uitspraak toegeschreven heeft, dat zij hun beste werk er voor zouden hebben willen geven, wanneer zij déze melodie geschreven zouden hebben. Een geestelijke tekst kreeg de melodie eerst in 1505 toegevoegd (een ‘Liedlein von Sankt Anna und Joachim’) en in 1605 gaf Gesius haar de vorm, zoals ze in het Liedboek voorkomt. De eerste versie van Isaak blijft – met de eerste tekst – onovertroffen en verdient de voorkeur.

Auteur: Willem Vogel