Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

246b - De maan is opgekomen


Der Mond ist aufgegangen

Matthias Claudius
Muus Jacobse
Johann Abraham Peter Schulz

Tekst

Deze toelichting bij is overgenomen uit ‘Een Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken’ (Amsterdam 1977) en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is. 

Op ‘De Pietersberg’, ‘in opdracht’ vertaald naar ‘Der Mond ist aufgegangen’ van Matthias Asmus Claudius (1740-1815), aan de hand van Evangelisches Kirchengesangbuch lied 368. De oudere vertaling van Hendrik Tollens (1780-1856) met dezelfde beginregel – te vinden in de Liedjes van Matthias Claudius (Antwerpen 1832) – kende ik nog niet toen ik de mijne maakte. Deze is het eerst gepubliceerd in de proefbundel 102 Gezangen (1964, nr. 59), 1965, met een ander, nauwer bij de Duitse tekst aansluitend slot:

't Wordt kil. Wij huiv'ren haast,
God, weer van ons het kwade
En wees met Uw genade
Ook met de zieke van hiernaast.

Het gedicht van Claudius verscheen voor het eerst in de Musen-Almanach (1779), van J.H. Voss en werd door de dichter opgenomen in het vierde deel van zijn Asmus omnia sua secum portans, oder Sämtliche Werke des Wandsbecker Boten (1783). Hij heeft geen kerklied willen maken, maar op zijn eigen wijze enkele motieven willen uitwerken uit het lied van Paul Gerhardt (1607-1676) ‘Nun ruhen alle Wälder’, van wie hij ook de strofevorm overnam. Vergelijk het begin van Claudius’ eerste strofe:

Der Mond ist aufgegangen,
Die gold’nen Sternlein prangen
Am Himmel hell und klar,

met dat van Gerhardts derde:

Der Tag ist nun vergangen,
Die güld'nen Sternlein prangen
Am blauen Himmels-Saal.

Claudius kon het, zoals ook uit zijn beroemd geworden avondlied, derde en vierde strofe, blijkt, niet altijd goed vinden met het ‘verlichte’ rationalisme van zijn tijd. Naarmate hij ouder werd ging hij zich meer en meer aansluiten bij het confessionalisme van de lutherse traditie, zonder dat men zijn inspiratie echter dogmatisch kan noemen. ‘Wir stolze Menschenkinder / Sind eitel arme Sünder / Und wissen gar nicht viel’, is een belijdenis van ‘de waarheid van zijn leven’.

Auteur: Klaas Heeroma


Melodie

De melodie van Johann Abraham Peter Schulz behoort tot de laatste mooie uit de geschiedenis van het kerklied, vóór zij door de stromingen van Piëtisme en Rationalisme in wezen werd afgebroken. Heerste in de theologie der muziek van Friedrich Schleiermacher (1768-1834) de mening, dat de muziek, onafhankelijk van de tekst, een zelfstandige godsdienstige functie toekwam (namelijk om de zielen te verheffen, gevoelens te wekken, en een bepaalde stemming te beleven), Schulz zette zich er daarentegen juist nog toe om liederen in de volkstoon te schrijven. Zijn melodie bij Matthias Claudius’ ‘Der Mond ist aufgegangen’ verscheen in 1790 in het derde deel van zijn Lieder im Volkston; zelf zei hij ervan: ‘Door een frappante overeenkomst van de muzikale met de poëtische toon van het lied (door een melodie, die zich in haar voortschrijden nimmer boven de gang van het lied verheft of ook daaronder wegzinkt, die – als een kleed aan het lichaam – bij de declamatie en het metrum van de woorden aansluit) verkrijgt het de schijn van het ongezochte, het kunstloze, het bekende, in één woord: van de volkstoon’.

Is met deze woorden het biedermeierse streven naar liederen in de volkstoon voluit getekend, tegelijk is onze melodie er positief mee gekarakteriseerd. Waarschijnlijk is zij destijds zeer langzaam gezongen, in het kader van de penetratie in het gemeentegezang van de sentimentaliteit der Romantiek, zoals die door het opkomen van de isometriek in het kerklied van de zeventiende eeuw reeds was voorbereid. Vooral echter wanneer wij haar nú in een normaal, vlot tempo zingen, treft zij door bepaalde eigenschappen. Want al is deze melodie er één van een zeer eenvoudige opzet, daar de zes regels in feite bestaan uit twee bijna geheel gelijke helften (waarbij als het ware van een dominantbrug gebruik gemaakt is), – zij herinnert in haar kleine melodische voortschrijdingen (zelfs boven het interval van de kwart wordt niet uitgegaan!) aan het oude kerklied. Door de inderdaad nauwe woord-toon-verhouding kan ze zelfs met de beste oude kerkliederen vergeleken worden, terwijl zij gestalte geeft aan iets van de devotie, die haar in de buurt van het liturgische kerklied brengt.

Auteur: Willem Mudde


Media

Uitvoerenden: Koor OAZE o.l.v. Elske te Lindert; Janieke Mollenhorst, orgel (bron: KRO-NCRV)

Video: Liedboek 246b door zangers Dorpskerk Eelde, Vincent van Laar, orgel (strofen 1, 2, 3)