Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

252 - De avondwind draagt deze dag


Nun trägt der Abendwind den Tag

Kurt Rose
Sytze de Vries
Herbert Beuerle

Tekst

Deze toelichting is overgenomen uit ‘Commentaar bij Zingend Geloven 6’ en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is.  

Dankzij de contacten tussen de Interkerkelijke Stichting voor het Kerklied en de organisatie van de Duitse oecumenische kerkliedconferentie in het klooster Kirchberg in Zuid-Duitsland, kwamen de nieuwe liedteksten van Kurt Rose onder de aandacht. Een aantal ervan is vertaald, waaronder dit ‘Nun trägt der Abendwind den Tag’. De teksten van Rose zijn verzameld in de bundel Da war die Nacht, da kam das Licht (München 1987). Rose was predikant, en later tekstschrijver en pedagoog. De teksten ontstonden in de eerste helft van de tachtiger jaren en pogen vooral de centrale christelijke thema’s voor de geest van vandaag opnieuw te vertalen.

De avondwind is in hete streken vooral zuiverend en verkoelend; de hitte van de dag wordt afgevoerd. Deze wind is als een vogel met grote vleugels, die zo de zwaarte van de dag wegdragen. Deze vogel draagt de dag ook hemelwaarts, tot in Gods handen, die de zwaarte eraan ontneemt. Deze gedachte sluit aan bij de heel klassieke, bekende formulering ‘en wilt gij alles wat verkeerd was, daaruit wegnemen’.

Hoezeer in het verdwijnende daglicht het leven zelf betrekkelijk lijkt, bezingt vers 3. Er wordt gerefereerd aan Psalm 103,15-16:
De mens – zijn dagen zijn als het gras,
hij is als een bloem die bloeit op het veld
en verdwijnt zodra de wind hem verzengt…

Maar al dit loslaten van een zware dag, ook van de moeiten van het leven, is óók dit alles overgeven in de handen van Hem, die ‘de tijd in handen houdt’.


Melodie

Een melodie, die uit drie versregels bestaat. De maatsoort wisselt tussen een 3/2- en 2/2-maat. Het ritme van de muziek is ontleend aan het spraakritme. De melodie staat in b-klein en heeft een omvang van een octaaf. Ze heeft een plagaal karakter, doordat zij zich aan weerszijden van de grondtoon beweegt.
De eerste zin psalmodieert rond de grondtoon a’. De contouren van de melodie zijn gebaseerd op een typische gregoriaanse formule In de tweede versregel daalt de melodie naar de lagere e’.
Gedurende de derde regel stijgt de melodie opnieuw naar de grondtoon, waarop via een cadensfiguur ook afgesloten wordt.
De begeleidingsstemmen in de koorzetting van de componist (zie kooruitgave bij het Liedboek) hebben een zekere melodische zelfstandigheid, en creëren daardoor terloops enkele avontuurlijke samenklanken.