Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

266 - Die ons schiep


Een eerste kennismaking

Het ontstaan van het lied is anekdotisch: componist Willem Vogel had de tonen ‘gehoord’ in de ruime akoestiek van een leeg kerkgebouw. Wat hij gehoord had poogde Sytze de Vries in woorden te vangen. Zijn eerste poging deugde volgens Vogel niet, maar de tweede wel: ‘precies wat ik hoorde: houdt in de holte van uw hand’ (strofe 1). In de tweede strofe herkent men de jonge Samuël die in de nacht een stem hoort; in de derde strofe klinkt het begin van Psalm 91 door en de vierde strofe is gebaseerd op een uitspraak van Augustinus. Het gehele lied past ook uitstekend bij Genesis 32,23-33, de nachtelijke worsteling van Jakob. ‘Het was nog nacht…’, zo begint dit verhaal (zie ook strofe 1); het eindigt met: ‘Hij zag de zon opkomen’ (Genesis 32,32; vergelijk strofe 5). Jakob gaat als gezegende zijn weg.
De componist schreef de melodie vooral in halve en hele noten en suggereert daarmee een ingetogen wijze van zingen in een heel rustig tempo.
Een avondlied, maar de tekst kan ook goed gebruikt worden als een gesproken avondgebed.

Auteur: Pieter Endedijk


Sytze de Vries
Willem Vogel

Tekst

Ontstaan en verspreiding

Van dit lied was de melodie er eerder dan de tekst en dan niet in de zin van een contrafact, maar de noten waren er als een weergave van wat de componist, Willem Vogel, ‘hoorde‘ in het donker van een lege, mystieke kerkruimte. In enkele muzikale lijnen schreef hij dat op voor de dichter die er een tekst bij maakte.
De dichter, Sytze de Vries, vertelde erover op het jaarlijkse Oekumenische Seminar zum Kirchenlied in Kloster Kirchberg in Zuid-Duitsland, waar hij in maart 2015 een lezing hield over een aantal liederen van hemzelf rond het thema ‘Nacht’. Het lied is in het Duits vertaald door Jürgen Henkys en is al in 2003 gepubliceerd. Het is te vinden in Stimme, die Stein zerbricht, Geistliche Lieder aus benachbarten Sprachen ausgewählt und übertragen van Jürgen Henkys (München 2003).
Het lied werd eerder opgenomen in diverse delen van Amsterdamse Katernen, in Zingend geloven 5 (1995, nr. 73), in de bundel Tussentijds (2005, nr. 122) en in de bundels met verzamelde liederen van Sytze de Vries: Tegen het donker (2002, nr. 96) en Jij, mijn adem (2009, nr. 158).

Inhoud

De tekst ademt de sfeer van de lege kerkruimte, de stilte die er heerst, waarin je bijna hoopt een stem te horen...
Het lied is gedicht in een vrije versvorm. Consequent eindigen elke vierde en zesde regel met een rijmwoord. Dat levert op de lange noot aan het eind van deze regels een natuurlijke rust op.

Strofe 1

Liedboek 266 is een intiem, lieflijk bijbels lied. Mooi om te zingen in een ingetogen, mystieke sfeer en omgeving. Die treft men meestal in de avond, als de nacht valt, ook die ‘van beproeving en angst’. Als dit laatste aan de orde is, is het woord 'overmant' in strofe 1 ter zake. Dit woord domineert strofe 1 wel. Men zegt  ‘overmand door slaap’, maar als synoniem van overweldigen, welke betekenis zich hier opdringt, is het mijns inziens niet zo gebruikelijk. De dreiging van overweldigd worden vraagt om bescherming; in strofe 1 is dat ‘houdt in de holte van uw (Gods) hand (vergelijk Jesaja 40,12).

Strofe 2

In strofe 2 loopt de in 1 begonnen zin door met een andere naam voor de aangesprokene: ‘die ons zoekt in het duister’. Het komt in de bijbel niet vaak voor dat God ‘ons zoekt’; wel bijvoorbeeld in Ezechiël 34,16 waar God zich een goede herder betoont, die de bedreigde schapen zoekt, tegenover de slechte herders (leiders) van Israël. Vaker is er sprake van dat God zich laat vinden (Psalm 32,6; Jeremia 29,14). Wie het leven, de eigen situatie ervaart als nacht, verlangt uiteraard naar het licht van de dag (Jesaja 9). De stilte is een nieuw beeld in het gedicht en is een associatie met de roeping van Samuël (1 Samuël 3 – ‘spreek, Heer, uw knecht luistert’) dat zich aandient met het rijmende woord ‘knecht’ voor ‘toegezegd’.

Strofe 3

De scheppende en zoekende (God) is ook (klassiek) de hoeder. Zo lezen we in strofe 3. Het begin van Psalm 91 spreekt over 'de schaduw van de Ontzagwekkende', waarin de mens beschutting ervaart (vers 1), en over zijn beschermende  vleugels waaronder hij een toevlucht vindt (vers 4). Wellicht speelt ook het beeld mee dat Jezus op zichzelf toepast van de 'hen die haar kuikens onder haar vleugels hoedt' (Matteüs 23,37; Lucas 13,34).

Strofe 4

De vierde strofe – de in strofe 3 begonnen zin loopt door – drukt uit dat deze God die ons leven heeft gewild en beschermt (vergelijk Psalm 84) weet wie wij zijn, kent ons met onze onrust en onwetendheid, zoals Psalm 42 en 139 daaraan uitdrukking geven. Alle reden was er om te verwijzen naar het bekende woord van Augustinus: ‘Onrustig is ons hart in ons totdat het rust vindt in U, o God’ (vergelijk ook Liedboek 897 van Sytze de Vries, waarvoor dit gevleugelde woord van Augustinus uitgangspunt is).

Strofe 5

Deze strofe is een afsluitende gebedsroep van ‘Die ons schiep’ (strofe 1), ‘zoekt’ (2),  ‘hoedt’(3) en ‘kent’ (4) om zich te laten zien als de zon die opkomt in de morgen, want dan is nacht voorbij en is daar de zegen van Gods genadig licht.
De twee eerste zinnen van strofe 5 vormen een ‘parallellisme membrorum’ zoals dat in Hebreeuwse poëzie vaak voorkomt. Het doet denken aan Psalm 4,7; Psalm 19 en Jesaja 60. 
Het lied eindigt met een zegenbede in het ‘citaat van’ de Aäronitische priesterzegen uit Numeri 6,24.

Auteur: Jaap Doolaard


Melodie

In tenminste één opzicht is dit lied uniek in het Liedboek: de melodie was er eerder dan de tekst. Het verhaal gaat dat Sytze de Vries het blaadje met de noten van deze melodie bij de componist thuis zag liggen. Willem Vogel vertelde dat hij de wijs had bedacht toen hij alleen door een stille kerk liep. Het was zijn antwoord op de vraag ‘Waar vraagt deze ruimte om?’. Maar er waren dus nog geen woorden. Na een aanvankelijke vergeefse poging kwam Sytze de Vries vervolgens met deze tekst, die de componist zeer beviel. Vooral de laatste zin van de eerste strofe (‘houdt in de holte van uw hand’) bleek bij deze melodie een tekstuele vondst.

Hieronder is de melodie schematisch weergegeven, waarbij de repeterende halve noten vervangen zijn door hele noten.

 

Het is een melodische spanningsopbouw in postzegelformaat, een soort aftasten van de tonale omgeving. Zoals ieder een nieuwe omgeving verkent: eerst tot de hoek van de straat, dan naar bakker heen en weer en vervolgens een blokje om.

Allereerst valt het zich steeds uitbreidende notenmateriaal op:
Regel 1: g’ en a’
Regel 2: + b’
Regel 3: + d” en c”
Regel 6: + e’ en fis’

Daarnaast is – zoals we van Willem Vogel gewend zijn – het aantal melodische bouwstenen zeer beperkt. Die bouwstenen zijn steeds twee aan twee tot melodische frasen aaneengesmeed. Overigens is het de vraag of uit muziektheoretisch oogpunt de maatstrepen wel op de juiste plekken staan. In de meeste gevallen valt het tekstuele hoofdaccent – en daarmee ook het melodische accent – halverwege de maat.

Ondanks – of dankzij – de kleine hoeveelheid kwartnoten ligt het tempo niet hoog. Het bij deze componist vaakst voorgeschreven tempo lijkt ook hier van toepassing: 60-66 halve noten per minuut. De orgelbegeleiding is tegelijk koorzetting; aan alt, tenor en bas wordt verzocht te vocaliseren. Ook in de meerstemmigheid heeft Vogel er alles aan gedaan het verstilde karakter van de melodie te bewaren. Dit alles betekent echter niet dat melodie en zetting eenvoudig zijn. Door het ontbreken van een overvloed aan muzikale informatie, zijn schoonheid en perfectie (klank, zuiverheid) onontbeerlijk voor een fraaie uitvoering van dit lied.

Auteur: Christiaan Winter


Media

Uitvoerenden: Sweelinckcantorij o.l.v. Christiaan Winter; Matthias Havinga, orgel (bron: KRO-NCRV)