Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

273 - Loof God, die zegent al wat leeft


Jan Willem Schulte Nordholt
Johann Crüger
Nun danket all und bringet Ehr

Tekst

Inleiding

In dit lied komt heel de liturgie op een uitnodigende manier aan de orde. De gelovigen zingen zichzelf te binnen en zingen elkaar toe waarom ze bijeen zijn. Heel eenvoudig en toch niet dwingend formuleert Jan Willem Schulte Nordholt waar het in de kerkdienst allemaal om te doen is en waar we op mogen hopen. Steeds opnieuw klinkt de aansporing: ‘Loof God’. Het lied kreeg ook een plaats in het Oud-Katholiek Gezangboek (1990, nr. 728) en Weerklank (2016, gezang 286).

Inhoud

Strofe 1

God zegent al wat leeft, zoals Psalm 145,16 verkondigt: ‘Gul is uw hand geopend, U vervult het verlangen van alles wat leeft’. Hij heet in deze strofe ‘der hemelen Heer’. Deze uitdrukking is niet letterlijk in de Bijbel te vinden. Dicht in de buurt komen de woorden van Jezus: ‘Ik loof U, Vader, Heer van hemel en aarde…’ (Matteüs 11,25). Dat God niet alleen van de hemel is, maar ook van de aarde, komt in de derde en vierde regel tot uitdrukking. ‘Die tussen ons zijn woning heeft’. ‘Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond’ (Johannes 1,14). En de kerk heet ook wel ‘huis van God’ (1 Timoteüs 3,15). God is zowel ver als nabij. ‘Ben ik alleen een God van dichtbij, ben ik ook niet een God van ver? – spreekt de Heer’ (Jeremia 23,23). Als we samenkomen om Gods naam aan te roepen, doen we dat in het vertrouwen: ‘Allen die Hem aanroepen, is de Heer nabij’ (Psalm 145,18).

Strofe 2

De kerk als schip is een oude, veel gebruikte beeldspraak. De Raad van Kerken in Nederland heeft bijvoorbeeld een scheepje in haar logo. Er wordt nogal wat gevaren in de Schrift, hoewel de kinderen Israëls de zee tegelijk vreesden als symbool van chaos. In een scheepje komt het tot de aanbidding en belijdenis: ‘U bent werkelijk Gods Zoon!’ (Matteüs 14,33). En Paulus breekt het brood vlak voordat het schip breekt (Handelingen 27,35). Het zijn woorden die aan de eucharistie herinneren.

Strofe 3

Bij de bouw van kerken is de toren vaak een sluitstuk. Wat is het nut ervan, vragen sommigen zich af. De functie is gelegen in de verwijzing naar de hemel. De toren is als Gods vinger die aanwijst ‘dat het ten hemel toe moet gaan’. ‘Richt u op wat boven is, niet wat op aarde is’ (Kolossenzen 3,2). Bij de uitdrukking ‘Gods vinger’ valt ook te denken aan de stenen platen, ‘met Gods vinger beschreven’ (Deuteronomium 9,10). De geboden van God laten op een praktische manier zien hoe het op aarde ‘ten hemel toe moet gaan’.

Strofe 4

De toren is als vingerwijzing zichtbaar voor de wijde omgeving. Maar wat gebeurt er in de kerk? In de kerk komt God aan het woord, op een voor mensen verstaanbare manier, bij monde van zijn gezanten. ‘Hij spreekt onze taal’. Het pinksterwonder herhaalt zich. ‘Wij allen horen hen in onze eigen taal spreken’ (Handelingen 2,6). Het antwoord blijft niet uit: de lofprijzing. ‘Hij troont op onze lof’. ‘U bent de Heilige die op Israëls lofzangen troont’ (Psalm 22,4). Kort gezegd: ‘In woord en doop en avondmaal / houdt Hij bij ons zijn hof’. Als een rechtgeaard protestant houdt Schulte Nordholt zich aan de twee sacramenten waarvan de instelling expliciet in de Bijbel terug te vinden is: doop en avondmaal. God woont niet zomaar bij ons, Hij houdt bij ons zijn hof (vergelijk Liedboek 766:3). Hof houden is wat een koning doet. Zijn troon is al genoemd: onze lof.

Strofe 5 

Het woord begeleidt het sacrament, dat zelf door Augustinus een verbum visibile (zichtbaar woord) werd genoemd. Nu begint de maaltijd van de Heer. ‘Die ons aan tafel vraagt’. Hij is koning, maar ook: bruidegom. De kerk is de bruid. Paulus leert ons het echtelijk samengaan van man en vrouw te zien als mysterie. ‘Dit mysterie is groot – en ik betrek het op Christus en de kerk’ (Efeziërs 5,32). De klank van het lied wordt intiemer. De oproep tot lofzang wordt nu afgelost door een persoonlijke uitspraak. De toon van de lofzang dempt zich, haast tot fluistersterkte. ‘O lieve God, ik kom’. Zo krijgt de gelovige een voorsmaak van de bruiloft van het Lam. ‘Want de bruiloft van het Lam is gekomen en zijn bruid staat klaar’ (Openbaring 19,7).

Liturgisch gebruik

Dit lied heeft in het Liedboek zijn plek in de rubriek ‘Aanvang’. Het is een lied dat de gelovigen in de stemming brengt voor wat staat te gebeuren: liturgie. Het alledaagse moet opzij, er moet ruimte komen voor het hemelse, voor het eeuwige (strofe 3). Dat ruimte maken gebeurt in een feestelijke stemming: ‘Loof God’! Men zou het lied ook kunnen zingen vlak voor de maaltijd van de Heer, gezien de heel persoonlijke uitspraak waarmee het eindigt: ‘O lieve God, ik kom’. In het Liedboek voor de kerken (1973, gezang 319) stond dit lied in de rubriek ‘Kerk’.

Auteur: Wouter van Voorst


Melodie

De melodie van Johann Crüger voor het lied ‘Nun danket all und bringet Ehr’ van Paul Gerhardt (1607-1676), zie Evangelisches Gesangbuch nr. 322, komt in het Liedboek driemaal voor, telkens als leenmelodie: behalve bij 283 ook bij 642 en 751. Bij Liedboek 642 wordt de melodie besproken.


Media

Uitvoerenden: Gereformeerd Gemengd Koor ‘Tot ’s Heeren Glorie’ Bunschoten-Spakenburg o.l.v. Geert Westerhof; Peter Sneep, orgel 

Video: Liedboek 273 door zangers Dorpskerk Eelde, Vincent van Laar, orgel