Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

276 - Zomaar een dak boven wat hoofden


Een eerste kennismaking

Dit is een lied dat bij de opening van de dienst gezongen kan worden. Het gaat om een sterke tekst op een even sterke melodie uit de Nederlandse volksliedtraditie.
De eerste strofe spreekt over de ruimte waar wij samenkomen: ‘Zomaar een dak boven wat hoofden’. Deze ruimte is in principe niet anders dan andere ruimten, maar krijgt betekenis, wordt tot een levende ruimte ‘als wij er binnengaan / om recht voor God te staan’. Dat huis wordt zo ‘een levend lichaam’, met ‘muren van huid, / ramen van ogen’.
De tweede strofe gaat over de Dienst van de Schrift: de ‘woorden van ver’ als ‘vallende sterren’ gezaaid, ‘Gods vrij en lichtend woord’. De laatste strofe spreekt over Dienst van de Tafel, het avondmaal, de eucharistie: in het breken en delen ‘doen wij wat ondenkbaar is’. Steeds komt dat ‘oud en vergeten geheim’ als nieuw tot ons, om te weten ‘dat wij elkaar gegeven zijn’.
De woorden zijn geschreven op de volksliedmelodie ‘Comt nu met sangh’ (zie Liedboek 865). De muziek is een ‘branle’, dat is een springdans. Het lied moet dan ook zeker niet te langzaam gezongen worden!

Auteur: Pieter Endedijk


Huub Oosterhuis
Valerius’ Neder-landtsche gedenck-clanck 1626
Komt nu met zang van zoete tonen

Tekst

Het lied ‘Zomaar een dak’ behoort tot de oudere liederen van Huub Oosterhuis en het is een van zijn meest bekende en meest gezongen liederen. Al decennia lang behoort het tot de meest geliefde openingsgezangen. Dat komt omdat het lied zo beeldend onder woorden brengt waarom we naar de kerk gaan om samen liturgie te vieren. De ongebruikelijk lange titel geeft precies aan waar het lied over gaat: ‘Lied over de plaats waar wij bijeengekomen zijn’. Het lied gaat dus over het kerkgebouw en over wat daar gebeurt en gedaan wordt.

Vorm

Het lied bestaat uit drie strofen met een voor kerkliederen minder gangbare omvang van zeven regels. Misschien heeft dit aantal regels ertoe bijgedragen dat er geen volledig doorgevoerd rijmschema is gehanteerd. Alleen de tweede en vierde regel van elke strofe rijmen op elkaar (in de derde strofe middels halfrijm) en de laatste twee regels. Deze laatste twee regels zijn bovendien even lang en korter dan de overige regels. Zowel het rijm als de lengte zorgt ervoor dat deze twee regels als een climax of conclusie functioneren van elke strofe. Dit wordt nog versterkt door de melodie waar de tekst op geschreven is; die kent alleen in de twee laatste regels alleen maar kwartnoten.

Inhoud

De betekenis van de samenkomst van de gemeente wordt aan de hand van drie invalshoeken toegelicht. Elk van de drie strofen werkt een van deze invalshoeken uit. De viering van eucharistie/avondmaal vormt daarbij het referentiepunt. Andersoortige vieringen zoals het getijdengebed of de viering van doop en huwelijk zijn weliswaar niet gethematiseerd, maar veel elementen uit het lied zijn ook daarop van toepassing. In de eerste strofe staat de ruimte centraal waar de gemeente samenkomt om te vieren; in de tweede strofe gaat het over de dienst van het woord met de lezing uit de Schrift en de overweging; en de derde strofe gaat in op de viering van eucharistie/avondmaal. De hele viering komt in het lied dus ter sprake.

Strofe 1

De eerste strofe handelt over het kerkgebouw dat in de aanhef wordt aangeduid met het onbepaalde ‘zomaar een dak’ dat zich even onbepaald bevindt ‘boven wat hoofden’. De inzet van het lied suggereert daarmee een zekere willekeur en wekt de indruk dat het gebouw eigenlijk niet van belang is. Gaandeweg de strofe wordt echter duidelijk dat het inderdaad niet om het kerkgebouw op zich gaat, maar om de gemeente waar het gebouw zich mee vult. Het kerkhuis krijgt pas een functie wanneer de gemeente er samenkomt; daar ontleent het zijn betekenis aan. Als wij er binnengaan, wordt het stenen gebouw pas ‘een levend lichaam’. De materie waar het gebouw uit opgetrokken is, krijgt dan menselijke trekken: de muren zijn ‘van huid’ geworden, en de ramen zijn ‘als ogen’. Door deze personalisering sluit de typering van het kerkgebouw in deze strofe naadloos aan bij 1 Petrus 2,5, een kerntekst uit de liturgie van de kerkwijding, waar de mensen voorgesteld worden als levende stenen die nodig zijn voor de bouw van een geestelijke tempel. De kerk is vervolgens een ruimte die uitnodigt om er binnen te gaan en stil te worden, en er op zoek te gaan naar hoop en perspectief (‘dageraad’).

Strofe 2

Volgens de tweede strofe klinken in dat kerkgebouw woorden uit een ver verleden. De verhalen uit de Schrift zijn als ‘vallende sterren’ die richting geven of als ‘vonken’ waar we ons aan kunnen warmen; het zijn woorden die als zaadjes in ons tot wasdom moeten komen. Het zijn woorden die onze dromen en visioenen levend houden. Ze worden gehoord, verkondigd en doorverteld; ze zijn een baken van licht, een lichtend voorbeeld voor wie ze horen wil.

Strofe 3

In de kerkruimte staat een tafel, de ‘tafel van Een’, wat kan duiden op de tafel van de Ene, van God die ons samenroept en verzamelt rond die tafel, dan wel verwijst naar de gemeenschap die zich rond de tafel tot een eenheid smeedt. In de diverse bundels en boeken waarin dit lied is opgenomen, worden een of meer bijbelse referenties vermeld: Romeinen 12,4-5; 1 Korintiërs 10,17 en 12,12-13. Deze verwijzingen hebben betrekking op het begin van deze strofe die gezien kan worden als een parafrase van het beeld van het ene lichaam dat veel delen heeft, of als een allusie op de beschouwing van Paulus over de vele mensen die samen één lichaam vormen omdat zij zich in het ene brood verenigen met Christus. Er wordt brood gedeeld als teken dat het leven een gave is en dat we voor elkaar een gave zijn: ‘dat we elkaar gegeven zijn’. Als we dat realiseren en zo in vrede leven, mag de viering van eucharistie of avondmaal een ‘wonder’ heten. Dit alles verwijst naar een oud verhaal dat zo oud is dat het in vergetelheid dreigt te raken, maar dat tevens weer als nieuw en actueel oplicht wanneer het opnieuw verteld wordt en gedaan wordt. Wanneer we op deze manier eucharistie/avondmaal vieren, en breken en delen, doen we wat eigenlijk niet kan en wat we ons niet voor kunnen stellen, namelijk het vieren en actualiseren van het geheim van dood en verrijzenis, het mysterie van Pasen.

Auteur: Louis van Tongeren


Melodie

Voor een toelichting bij de melodie: zie Liedboek 865


Media

Uitvoerenden: Vocaal Kerkmuziek Ensemble o.l.v. Christiaan Winter; Eric Jan Joosse, orgel (bron: KRO-NCRV)