Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

280 - De vreugde voert ons naar dit huis


Sytze de Vries
Willem Vogel

Tekst

Ontstaan en verspreiding

De exacte datum van het ontstaan van dit lied is 28 september 1993. Het werd voor het eerst gepubliceerd in de Amsterdamse Katernen deel 11 (1993, blz. 7) en deel 13 (1993, blz. 1). Het lied is daarna onder andere opgenomen in Tussentijds (2005, nr. 1), Zingt Jubilate (1976, nr. 754) en Weerklank (2016, nr. 276). De dichter nam het lied op in de uitgaven van zijn liederen: Tegen het donker (2002, nr. 4) en Jij, mijn adem (2009, nr. 5).
De context waarin het ontstond, is de Oude Kerk te Amsterdam waar de dichter, Sytze de Vries, van 1988 tot 2006 voorganger was. In de ontstaansperiode werd een serie diensten gehouden rond de verhalen van aartsvader Jakob (zie strofe 4).

Inhoud

Het ‘looplied’ (zo genoemd door Willem Vogel – zie hieronder bij Liturgisch gebruik) wil ons meevoeren naar het huis waar binnen de liturgie wordt gevierd. Daar ‘geschiedt’ aan ons het woord en wordt in ons ‘het lied gewekt ‘ (strofe 1). Maar dit huis is een tijdelijk onderkomen waar leeftocht aangereikt wordt (strofe 6) om ‘van kracht tot kracht steeds voort te gaan’ (Liedboek 84: 4). De dragende kracht van God zal blijven (strofe 7).

Strofe 1

De vreugde zet de beweging naar binnen op gang. Het doet denken aan de uitroep in de berijming van Psalm 122: ‘Hoe sprong mijn hart hoog op in mij, toen men mij zeide: ‘Gord u aan om naar des Heren huis te gaan!’’ (Liedboek 122)
In dat huis ‘geschiedt het woord’. Woord is hier meer dan een klank die je hoort of letters die je kunt lezen. Bijbels gezien doet het woord daadwerkelijk iets, het is ook daad, het geschiedt en maakt geschiedenis. Het wil iets met ons doen. God roept zijn naam over ons uit, zie daarbij Exodus (‘Namen’ in Tenach) 33,19 en 34,5-7. Deze naam, God zelf, zijn woord, roept aan de menselijke kant het lied op.
Daarmee is heel kort de liturgie getypeerd.

Strofe 2 en 3

In deze strofen komt duidelijk de omgeving naar voren waar het lied is ontstaan en waar het voor het eerst geklonken heeft: de Oude Kerk met haar grote raamoppervlakken, dunne pilaren en houten gewelf. Het is het enige middeleeuwse bouwwerk in Amsterdam. De gebeden van het voorgeslacht zijn hier aan de Heer gewijd. De geur ervan hangt er als het ware nog. Je kunt daarbij denken aan de talloze kaarsen die in de ruimte zijn aangestoken en de wierook die heeft gebrand als reukwerk voor het aangezicht van God.
Dit huis heeft geschiedenis gemaakt door de mensen die er de liturgie hebben gevierd. Hun sporen zijn zichtbaar in het bouwwerk als zodanig, in wat mensenhanden hebben gemaakt, in de zerken op de vloer.
Maar het gaat in dit gebouw om meer dan hout en steen. Het gebouw zal pas aan zijn doel beantwoorden als God zelf de pijler is die het alles schraagt. Dat hebben wij niet in de hand. De strofen 2 en 3 vormen samen dan ook een vraag.

Strofe 4

De aanwezigheid van God is niet vanzelfsprekend. Wanneer wij naar de kerk gaan, is het nog niet zeker dat God ook gaat (O. Noordmans). Bij het binnentreden van het gebouw is het een spannende vraag of de hemel zal opengaan en we Hem zullen vinden. In de vragen van deze strofe komt aan het licht dat we afhankelijk zijn van Gods beweging naar ons toe.
Deze strofe roept het verhaal op van Jakob. Hij bedriegt zijn vader en slaat op de vlucht voor zijn broer Esau. In de nacht slaapt hij in de open lucht en droomt van een ladder die tot aan de hemel reikt. Daarop gaan engelen omhoog en naar beneden. Toen hij wakker werd, zei hij: ‘Op deze plek is de Heer aanwezig’. (Genesis 28,16) De plek werd voor hem Beth-El, een huis van God. In deze strofe wordt gebeden of het huis waarin we samenkomen ook een huis van God mag zijn waar de hemel open gaat, waar we getroost worden, waar God zich laat vinden.

Strofe 5

Deze strofe roept het verhaal van Mozes op uit Exodus 33,15-23. Mozes wil dat God meegaat door de woestijn. Hij wil Hem van aangezicht tot aangezicht zien. Maar Mozes moet het doen met de naam van God die luid en duidelijk klinkt. In de naam laat God zich kennen als degene die er is en meegaat en de weg wijst door de woestijn.
De vraag van Mozes wordt hier overgenomen waarbij de ‘naam’ enerzijds onthulling is van Gods aangezicht, maar anderzijds zijn aangezicht verborgen houdt. God openbaart zich in de verborgenheid.
De ‘voorbedachte raad’ is een toespeling op de klassieke term ‘voorzienigheid’. God laat zich niet afhouden van het doel dat Hij met de wereld voor ogen heeft. Dat geeft houvast op de weg die gegaan moet worden en is licht dat ons op die weg voorgaat.

Strofe 6

In deze strofe komen de twee brandpunten van de liturgie, Schrift en Tafel, aan de orde. De gemeente komt samen om een woord van de andere kant te horen. Gevraagd wordt om ‘een nieuw verstaan’ van dat woord dat de actuele situatie doorlicht. Daarin mag het spreken van God worden gehoord.
In het breken van het brood aan de Maaltijd van de Heer wordt door de Heer zelf aan de gemeente leeftocht gegeven voor onderweg. Op verhaal gekomen in het huis waar ‘het woord aan ons geschiedt’ (strofe 1) kan de gemeente de pelgrimstocht opnieuw beginnen.

Strofe 7

Hier wordt teruggegrepen op de tweede strofe. De liturgie wordt gevierd in een ‘huis van hout en steen’ dat stormen doorstaat. Zoals een mens verslijt, zo slijt ook dit huis aan de tijd. Het is een tijdelijk onderkomen, maar de dragende kracht daarvan zal blijven (zie ook Jesaja 40,8 en 1 Petrus 1,24-25). En wie in dit huis schuilen (vergelijk Liedboek 282: 1), zullen onderweg daardoor worden geleid ‘tot alles is volbracht’. Dat klinkt als het zesde kruiswoord van Jezus (Johannes 19,28-30). Het is tegelijk een toespeling op de voleinding van alle dingen, de voltooiing van de schepping waarvan Jezus de eerstgeborene is (Kolossenzen 1,16), het unieke brandpunt.

Liturgisch gebruik

Hoewel de context van het ontstaan een middeleeuws kerkgebouw is, kan het zeker gezongen worden in een nieuwere kerk waar al wel gesproken kan worden van een voorgeslacht.
Het lied is ondergebracht onder de rubriek ‘Aanvang’. Oorspronkelijk is het lied gedacht voor de cantorij die bij de aanvang van de hoofddienst op zon- en feestdagen naar Engelse trant zingend binnenschrijdt. Na enkele strofen kan dan de gemeenschap zich daar zingend bij aansluiten.

Auteur: Jan Groenleer


Melodie

Dit is typisch zo’n melodie waar Willem Vogel van gezegd zou hebben: ‘Ik hem ‘m niet bedacht, ik heb ‘m alleen maar opgeschreven.’ Een melodie in common metre, gebouwd op vier jambische regels met afwisselend acht en zes lettergrepen. In Nederlandse liedbundels is dit doorgaans niet het meest voorkomende metrum (dat is wat in de Angelsaksische wereld de long metre heet: vier jambische regels van elk acht lettergrepen), maar toch op zijn minst een veelvuldig voorkomende vorm. Uit de eerste publicatie in twee delen van de Amsterdamse Katernen (zie boven) valt op te maken dat de melodie in de laatste dagen van september 1993 geschreven is.

De kwartsprong waarmee de melodie opent, de stijgende melodiek aan het begin van elke regel en de toonsoort G-majeur geven de wijs een eenvoudig, volks en opgewekt karakter. Deze karakteristieken worden nog versterkt door de latente harmonie van deze melodie. Vaak wijken melodieën in common metre halverwege uit naar de dominant (zie Liedboek 90a, 753, 870, 969) of de paralleltoonsoort (zie Liedboek 767, 798). ‘De vreugde voert ons naar dit huis’ komt halverwege, aan het einde van de tweede regel heel nadrukkelijk uit op de terts van het tonica-akkoord op G. Zo raakt de melodie nooit ‘ver van huis’.

Extra vrolijkheid wordt ook bereikt door het gebruik van de stijgende motiefjes van achtste noten (A). Ze fungeren als franje, als ‘vrolijke noot’. Melodisch gezien zijn ze niet strikt noodzakelijk, maar ze verlenen de wijs extra ‘schwung’. Bovendien werkt het intensiverend gebruik ervan – naarmate de melodie vordert, verschijnen ze steeds dichter op elkaar – een uitgekiend spanningsverloop in de hand. Alle frasen beginnen, zoals gezegd, stijgend met een – al dan niet opgevulde – breking van het G-groot akkoord. Slechts de slotregel lijkt daarop een uitzondering te zijn. Echter, dát openingsmotief is het tertsverwante broertje van de allereerste melodienoten. Het melodisch rijm van de regels 1 en 3 is evident. De slotregel van de melodie is een vermomde versie van een – niet in het minst door Willem Vogel zelf – veelgebruikte slotwending: zie de liederen 439, 600, 709 en 971.

De muziekcommissie van de liedboekredactie heeft er – net als bij veel Engelse hymns, waarmee deze wijs wel enige overeenkomst vertoont – voor gekozen slechts één zetting op te nemen; koorzetting en begeleiding zijn identiek (zie de koor- en begeleidingsuitgaven bij het Liedboek). Opvallend is dat de componist in deze zetting, meer dan we van hem gewend zijn, gebruik maakt van sextliggingen en voorhoudingsakkoorden, hetgeen een glooiend, minder hoekig verloop van de afzonderlijke stemmen mogelijk maakt. Verrassend zijn het B-groot-akkoord aan het einde van de derde regel en de d als basnoot in het op twee na laatste akkoord; een dominante basnoot onder een akkoord met subdominante functie. De melodie komt het best tot zijn recht, gezongen in een vlot gaand tempo van rond de 100 kwartnoten per minuut. De teleenheid is de kwartnoot – en per se dus geen beweging in halve noten – zodat een energiek begin van de kerkdienst met het zingen van dit lied gewaarborgd is.

Auteur: Christiaan Winter


Media

Uitvoerenden: Cantorij Emmeloord, Cantorij van het Groninger Studentenpastoraat en het Interkerkelijk Koor Zevenmaal Hardenberg o.l.v. Riekus Hamberg; Toon Hagen, orgel (strofen 1, 2, 3, 6, 7)