Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

280 - De vreugde voert ons naar dit huis


Sytze de Vries
Willem Vogel

Tekst

Een bespreking van de tekst volgt nog.


Melodie

Dit is typisch zo’n melodie waar Willem Vogel van gezegd zou hebben: ‘Ik hem ‘m niet bedacht, ik heb ‘m alleen maar opgeschreven.’ Een melodie in Common Metre, gebouwd op vier jambische regels met afwisselend acht en zes lettergrepen. In Nederlandse liedbundels is dit doorgaans niet het meest voorkomende metrum (dat is wat in de Angelsaksische wereld de Long Metre heet: vier jambische regels van elk acht lettergrepen), maar toch op zijn minst een veelvuldig voorkomende vorm. We vinden het lied voor het eerst in Amsterdamse Katernen deel 11 (1993, blz. 7) en deel 13 (1993, blz. 1). Daaruit valt op te maken dat de melodie in de laatste dagen van september 1993 geschreven is. Vervolgens verscheen het lied in Zingend Geloven 5 (1995, nr. 1) en Tussentijds (2005, nr. 1). Ook kreeg het een plaats in de editie van 2006 van de Vlaamse liedbundel Zingt Jubilate (nr. 754) en in de bundel Weerklank (2016, nr. 276). De dichter nam het lied op in de uitgaven van zijn liederen: Tegen het donker (2002, nr. 4) en Jij, mijn adem (2009, nr. 5).

De kwartsprong waarmee de melodie opent, de stijgende melodiek aan het begin van elke regel en de toonsoort G-majeur geven de wijs een eenvoudig, volks en opgewekt karakter. Deze karakteristieken worden nog versterkt door de latente harmonie van deze melodie. Vaak wijken melodieën in Common Metre halverwege uit naar de dominant (zie Liedboek 90a, 753, 870, 969) of de paralleltoonsoort (zie Liedboek 767, 798). ‘De vreugde voert ons naar dit huis’ komt halverwege, aan het einde van de tweede regel heel nadrukkelijk uit op de terts van het tonica-akkoord op G. Zo raakt de melodie nooit ‘ver van huis’.

Extra vrolijkheid wordt ook bereikt door het gebruik van de stijgende motiefjes van achtste noten (A). Ze fungeren als franje, als ‘vrolijke noot’. Melodisch gezien zijn ze niet strikt noodzakelijk, maar ze verlenen de wijs extra ‘schwung’. Bovendien werkt het intensiverend gebruik ervan – naarmate de melodie vordert, verschijnen ze steeds dichter op elkaar – een uitgekiend spanningsverloop in de hand. Alle frasen beginnen, zoals gezegd, stijgend met een – al dan niet opgevulde – breking van het G-groot akkoord. Slechts de slotregel lijkt daarop een uitzondering te zijn. Echter, dát openingsmotief is het tertsverwante broertje van de allereerste melodienoten. Het melodisch rijm van de regels 1 en 3 is evident. De slotregel van de melodie is een vermomde versie van een – niet in het minst door Willem Vogel zelf – veelgebruikte slotwending: zie de liederen 439, 600, 709 en 971.

De muziekcommissie van de liedboekredactie heeft er – net als bij veel Engelse hymns, waarmee deze wijs wel enige overeenkomst vertoont – voor gekozen slechts één zetting op te nemen; koorzetting en begeleiding zijn identiek (zie de koor- en begeleidingsuitgaven bij het Liedboek). Opvallend is dat de componist in deze zetting, meer dan we van hem gewend zijn, gebruik maakt van sextliggingen en voorhoudingsakkoorden, hetgeen een glooiend, minder hoekig verloop van de afzonderlijke stemmen mogelijk maakt. Verrassend zijn het B-groot-akkoord aan het einde van de derde regel en de d als basnoot in het op twee na laatste akkoord; een dominante basnoot onder een akkoord met subdominante functie. De melodie komt het best tot zijn recht, gezongen in een vlot gaand tempo van rond de 100 kwartnoten per minuut. De teleenheid is de kwartnoot – en per se dus geen beweging in halve noten – zodat een energiek begin van de kerkdienst met het zingen van dit lied gewaarborgd is.

Auteur: Christiaan Winter


Media

Uitvoerenden: Cantorij Emmeloord, Cantorij van het Groninger Studentenpastoraat en het Interkerkelijk Koor Zevenmaal Hardenberg o.l.v. Riekus Hamberg; Toon Hagen, orgel (strofen 1, 2, 3, 6, 7)