Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

293 - Hoor mijn stem, Heer


Sytze de Vries
Willem Vogel

Melodie

De oerversie van deze bewerking van Psalm 27 is gedateerd op 30 juli 1991 en te vinden in Amsterdamse Katernen 9 – reeds uitgegeven in augustus 1991. In dat deel, getiteld De weg van een pelgrim zijn ‘psalmfragmenten voor de zingende gemeente’ te vinden. In feite is dit een poging om de gemeente de onberijmde psalm niet als recitatief, maar op een eenvoudige melodie in de mond te leggen. De psalmfragmenten in dit katern zijn ontstaan in dezelfde periode als de eerste delen Voor de Kinderen van Korach (Prof. dr. Van der Leeuw-Stichting; zie Liedboek 96b, 100b, 122a, 124a, 126b), en vormen in zekere zin ook een tegenwicht. Hier is het niet het theatrale karakter van de gehele, onverkorte psalm. In Amsterdamse Katernen 9 wordt gedacht aan ‘de kleine kring’ en vanuit de ervaring dat een hele psalm ‘te veel van het goede’ kan zijn.

In Amsterdamse Katernen 11 (Liturgica voor de Vespers en Avondgebeden, september 1993) en in Zingend Geloven 6 (1998, nr. 88) is dezelfde psalm ondertussen ingekort tot ‘drempelgebed’ door alleen de verzen 7 tot en met 9 van de psalm te gebruiken. In Amsterdamse Katernen 11 wordt daarmee bedoeld: de opmaat van het psalmgebed. In Zingend Geloven 6 is dezelfde compositie onder het kopje ‘Hoofddienst – drempelgebeden’ terechtgekomen. Het refrein wordt eerst solistisch, dan door het koor en vervolgens door allen gezongen. Uit de originele compositie resteert vervolgens slechts het eerste gedeelte, waarna het refrein wordt hernomen. In het Liedboek is ook de drievoudige herhaling van het refrein verlaten. Dat zou in de functie van ‘gebed van toenadering’ (voorheen aangeduid als drempelgebed) ook wat veel van het goede zijn geweest.

In onderstaand notenvoorbeeld links het refrein en rechts het voorzangvers.

Alle ingrediënten uit het refrein hebben ook een plaats gevonden in het voorzangvers. De overige melodische gegevens lijken vrij willekeurig, maar ook daar zijn directe verbanden aan te wijzen. De tweede regel uit het voorzangvers is immers gelijk aan het slot van het refrein (b’-g’-e’-g’), maar dan in de parallelle majeur toonsoort (d”-b’-g’-b’). De slotregel uit het voorzangvers verwijst naar de tweede refreinregel. Toch heb ik die slotregel uit het voorzangvers altijd wat onnatuurlijk gevonden: te weinig ‘personality’, te lang uitgerekt om de voorbereiding van het refrein te kunnen dragen. De verklaring daarvoor is te vinden in het origineel van die zomerdag in 1991. Daar gaat de voorzang immers verder:

De begeleiding bestaat slechts uit enkele akkoorden, zonder pretentie en dienstbaar. De aanvankelijke uitgave geeft een tip betreffende de tempokeuze: ‘nooit vlugger dan de tekst zich laat verstaan en begrijpen’. Een rustige ingetogenheid doet recht aan de ontstaansgeschiedenis van dit liturgisch gezang.

Auteur: Christiaan Winter