Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

305 - Alle eer en alle glorie


Een eerste kennismaking

Dit lied van Sytze de Vries is oorspronkelijk een deel van een uitgebreide lofzang, ‘een Gloria voor Vader, Zoon en Geest’. De drie delen beginnen steeds met een liedstrofe, en deze drie strofen vormen het zondagslied voor Trinitatis.
De tekst sluit aan bij de inzet van het Gloria: ‘Eer aan God in de hoge en vrede op aarde aan de mensen die Hij leefheeft’. In de eerste strofe wordt de lof aan God verwoordt in de glorie om ‘de luisterrijke naam’, waarmee God zich bekend heeft gemaakt.
In de tweede strofe geldt de eer de Zoon, hier ‘de erfgenaam’ en ‘genade die ons toekomt’ genoemd, woorden die verwijzen naar Hebreeën 1,2 (het epistel van kerstmorgen). Maar Hij wordt ook aangeduid met: ‘Licht uit licht’, een citaat uit de geloofsbelijdenis van Nicea.
De derde strofe is een lofzang om ‘de Geest die leven doet, / die de eenheid in ons ademt, / vlam, die ons vertrouwen voedt!’ De laatste zin van deze strofe is een fraaie bewerking van Handelingen 2,10.
Het lied is niet alleen geschikt als Gloria, maar ook als credo in de vorm van een lofzang vaak bruikbaar.
De melodie van Willem Vogel is even glorierijk als de tekst en zal nauwelijks moeilijkheden opleveren.

Auteur: Pieter Endedijk


Gloria voor Vader, Zoon en Geest

Het ordinarium in het Liedboek
Sytze de Vries
Willem Vogel

Tekst

Een lofzang geïnspireerd door het klassieke gloria. Het Gloria is van oorsprong een psalmus idioticus, een hymne die aan de psalmen herinnert. Een dergelijke hymne heeft geen vaste vorm en kent geen rijm of coupletvorm. Deze lofzang gaat terug tot de vierde eeuw en is oorspronkelijk een morgenzang uit de getijden. Als misgezang komt hij alleen in de romeinse, de ambrosiaanse en mozarabische liturgie voor. In de loop van de tijden zijn er toevoegingen en weglatingen geweest, de huidige tekstversie gaat terug op een handschrift uit de negende eeuw.

Ontstaan

‘Alle eer en alle glorie’ werd in 1987 geschreven als ‘presentje-uit-dankbaarheid’ voor het onthaal dat de Sweelinckcantorij van de Oude Kerk Amsterdam onder leiding van Willem Vogel kreeg tijdens een koorreis naar het Belgische Grimbergen.  Het lied is onderdeel van een groter geheel dat te vinden is in Lied van de week, jaargang 4, nummer 5 (mei 1988) en in Amsterdamse Katernen deel 6 (1990). Dit grote geheel was voor de ‘gewone’ liedbundels te omvangrijk en breedsprakig. Zo kwam de strofische kern van het werk terecht in Zingend Geloven 6 (1998), Tussentijds (2005) en de Vlaamse bundel Zingt Jubilate (2006).

De bewerking van Sytze de Vries heeft wel een vaste vorm (in tegenstelling tot de psalmus idioticus) en bestaat uit drie coupletten van zeven regels. De tweede, vierde en zevende regel hebben dezelfde rijmklank en de vijfde en zesde korte regel hebben een tweede rijmklank. Deze tekst verdeelt de drie coupletten ‘eerlijk’ over God de Vader (de Naam), de Zoon en de heilige Geest. Bovendien is het louter een lofzang, terwijl binnen het klassieke Gloria driemaal een smeekbede klinkt.

Strofe 1

De eerste regels van deze lofzang sluiten nauw aan bij het klassieke Gloria: ‘Eer aan God in de hoge en vrede op aarde aan de mensen die Hij liefheeft’. In deze tekst wordt gesproken over de naam, de majesteitelijke naam. De naam staat hier niet voor niets. Aan de ene kant kun je zeggen dat God nabijgekomen is en zich laat kennen in het uitspreken van zijn naam (Exodus 3, Mozes bij het brandende braambos). Wie zich met zijn/haar naam voorstelt, gaat een relatie aan. Aan de andere kant mag – in ieder geval in de joodse traditie – de Godsnaam niet uitgesproken worden, immers wij hebben geen macht over God. ‘De Naam’ geeft dus nabijheid en afstand aan. God maakt zijn naam aan ons bekend, maar wij mogen God niet met die naam aanspreken.

De hymne roept ons op de vrede te vieren. God proclameert de vrede nu en wij mensen antwoorden door ons leven. De laatste regel is een bede om ontferming tot God met zijn lichtend gelaat.

Strofe 2

In de eerste twee regels vinden we opnieuw de oproep eer en glorie te geven. De gelijkluidende beginregel van de drie strofen geeft structuur aan de tekst als geheel. Bij ‘eer’ kun je denken aan iets wat je iemand verschuldigd bent, achting bijvoorbeeld. Het woord ‘glorie’ verwijst meer naar het gratuite vieren, de pracht en luister. In het tweede couplet geldt ‘alle eer en alle glorie’ de Zoon, die hier erfgenaam heet. In de brief aan de Hebreeën (1,2) wordt de Zoon ‘erfgenaam van al wat bestaat’ genoemd ‘door wie Hij het heelal heeft geschapen’. Zo kun je de Zoon beschouwen van God uit gezien. Maar van de Zoon wordt ook gezegd dat hij ‘de genade (is) die ons toekomt’. Een paradoxale combinatie: want je hebt geen recht (die ons toekomt) op genade. Eigen aan genade, vergeving, gunst en dergelijke is dat je die zomaar, om niet ontvangt. ‘Toekomt’ mag je ook verstaan als: die ons nadert en waardoor wij veranderen en een nieuwe naam (dat is identiteit) krijgen. Dan worden wij mede-erfgenamen, een benaming die we vaker in de brieven tegenkomen, onder andere Hebreeën 11,9. Je kunt deze regel ook letterlijker verstaan: wij dragen Christus’ naam, wij zijn christenen. De aanduiding ‘licht uit licht’, een citaat uit de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel, verwijst naar de aanhef van het evangelie naar Johannes (1,1-4). Hier vormt het de aanhef van een bede dat wij, mensen, lichtdragers worden.

Strofe 3

In het derde couplet wordt de Geest lof toegezwaaid. De Geest wordt vaak verstaan als de tegenwoordigheid Gods, de nabije en actuele in ons werkzame kracht van God. Hier wordt de Geest ook geschilderd als degene die verbondenheid schept en vertrouwen voedt. De bede vraagt of wij als bevrijde mensen Gods lof mogen zingen (Openbaring 7). Het beeld van de gebonden tong verwijst naar sprakeloosheid of stomheid. Wanneer onze tongen voorgoed losgemaakt zijn, is ons zingen zonder einde.

 Auteur: Andries Govaart


Melodie

‘Alle eer en alle glorie’ werd in 1987 geschreven als ‘presentje-uit-dankbaarheid’ voor het onthaal dat de Sweelinckcantorij van de Oude Kerk Amsterdam onder leiding van Willem Vogel kreeg tijdens een koorreis naar het Belgische Grimbergen. Het lied is onderdeel van een groter geheel dat te vinden is in Lied van de week, jaargang 4, nummer 5 (mei 1988) en in Amsterdamse Katernen deel 6 (1990). Dit grote geheel was voor de ‘gewone’ liedbundels te omvangrijk en breedsprakig. Zo kwam de strofische kern van het werk terecht in Zingend Geloven 6 (1998, nr. 45), Tussentijds (2005. nr. 17) en de Vlaamse bundel Zingt Jubilate (editie 2006, nr. 767).

Alleen in Zingend Geloven 6 is ervoor gekozen het lied gecentreerd af te drukken, zodat een ‘kelkvorm’ te ontwaren is. Het beroemde ‘koningspaar’ van Philipp Nicolai (1556-1608; Liedboek 518 en Liedboek 749) kreeg in het Liedboek deze speciale behandeling wel. In díe liederen is de verwijzing naar het avondmaal directer dan in het hier besproken lied. Toch is het jammer dat de korte delen waaruit de voorlaatste regel bestaat nu achter elkaar zijn afgedrukt. De verdichting aan het slot van elke strofe wordt nu typografisch nauwelijks onderstreept.

Het lied heeft een metrische opbouw en rijmschema dat vrijwel uniek is. De zeven regels hebben achtereenvolgens 8-7-8-7-3-3-7 lettergrepen met het daarbij logisch passend rijmschema a-B-a-B-C-C-B. Het is opvallend dat de componist er niet voor gekozen heeft de eerste twee regels letterlijk te herhalen. Het eerste regelpaar eindigt op dominanttoon a’, terwijl het tweede regelpaar afsluit op de grondtoon g’. Omdat de tonica reeds bereikt is, werken de laatste regels als een bevestiging, als een coda.
De kiem van vrijwel de gehele melodie ligt besloten in de eerste drie noten. De drie stijgende noten (d’-e’-g’ = motief A) geven de wijs direct bij aanvang een optimistisch karakter (vergelijk het ‘Exsultet’, Liedboek 595). Deze onbekommerdheid wordt versterkt door een volgende stijgende trits noten in dezelfde regel (g’-a’-b’ = A’) en de herhaling van het openingsmotief – een kwart hoger – in de tweede regel (g’-a’-c”). Dan wordt de dalende variant van hetzelfde motief geïntroduceerd (c’-b’-a’ = motief B). Door het gepuncteerde ritme blijft de vrolijke sfeer behouden. Terwijl de derde regel een bijna letterlijke herhaling van de eerste regel is, gebruikt Willem Vogel motief B om in de vierde regel te kunnen afdalen naar de grondtoon. De volgende korte regels zijn eigenlijk niet meer dan een uitroep: motief A’, zelfstandig gebruikt. De dalende gebroken drieklank waarmee de slotregel opent, lijkt een vreemde eend in de bijt, maar dit interval is reeds subtiel voorbereid in de dalende kwint aan het slot van regel 3. Ook vlak voor het slot wordt met motief A” het opgewekte karakter voortgezet. Het korte melisme in dat motief geeft de wijs het duwtje naar de finish.

Overigens denk ik dat de plaatsing van de maatstrepen arbitrair is; niet altijd komt het tekstuele hoofdaccent overeen met het zwaartepunt van de maat. Een tactus-aanduiding was mijns inziens bij deze melodie meer op zijn plaats geweest. Hoe het ook zij, het gaat erom dat de gang van de melodie in halve noten gedacht is, in het tempo dat bij liedmelodieën van Willem Vogel het meest voorkomt: 60 per minuut.

In de koorbundel is de originele zetting van de meester te vinden. De uitwaaierende eenstemmigheid waarmee de eerste en derde regel beginnen, heeft een krachtige werking die de aard van de melodie goed ondersteunt. Verder zijn de samenklanken tamelijk basaal met hier en daar een voorhouding in de middenstemmen. De begeleidingszetting is van de hand van ondergetekende.

Auteur: Christiaan Winter


Liturgische bruikbaarheid

Deze hymne kan als Gloria of als Credo worden gezongen in de zondagse hoofddienst.


Media

Uitvoerenden: Cantate Deo Ouderkerk aan den Amstel en Koperblaaskwintet Leger des Heils o.l.v. Willem Vogel