Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

318 - Het woord brengt de waarheid teweeg


Een eerste kennismaking

De dichter Jan Willem Schulte Nordholt heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan het Liedboek voor de kerken (1973). Niet al zijn liederen uit de tijd van de ontwikkeling van dat liedboek zijn toen ook werkelijk gepubliceerd. Enkele hebben een verborgen bestaan gehad. Dat geldt voor dit lied, dat al in 1957 werd geschreven. Willem Vogel kwam de tekst zo’n 25 jaar later weer tegen en het lukte hem toen pas om er een melodie bij te schrijven.
De dichter vat in enkele pennenstreken een bijbelse theologie van het woord op poëtische wijze samen. De eerste strofe begint met Genesis 1: het woord schept de aarde tot een plaats waar mensen kunnen wonen. Dat woord is door de eeuwen blijven klinken. Strofe 2 noemt Abraham en Daniël en vat zo het gehele Oude Testament samen. Strofe 3 zet in met de proloog van het Johannes-evangelie. Het woord valt ook samen met wat van Christus wordt gezegd; Hij is de weg, de waarheid en het leven (strofe 4).
De dichter heeft het de componist niet eenvoudig gemaakt. Met wisselende woordaccenten en ongelijke aantallen lettergrepen per regel is het lastig om een melodie te schrijven die bij elke strofe past. De componist heeft dat opgelost door een melodisch geraamte te bieden, waarbij naar believen achtste noten kunnen worden verbonden tot kwartnoten (zie de streepjes onder lettergrepen).

Auteur: Pieter Endedijk


Jan Willem Schulte Nordholt
Willem Vogel

Tekst

Ontstaan en verspreiding

De ontstaansgeschiedenis van lied 318 kent een grillig verloop.
Aanvankelijk circuleerde dit gedicht van Jan Willem Schulte Nordholt binnen kleine kring: het was in 1957 afgedrukt op materiaal van de Amsterdamse Nocturnen.
Pas een kleine dertig jaar later werd deze tekst op muziek gezet, door Willem Vogel. Het lied dat vervolgens ontstond, werd in 1987 opgenomen in het derde deel van de serie Zingend Geloven, als lied 46. Het lied is in 1989 ook onder de aandacht gebracht in de serie Lied van de week.
Een goede twintig jaar later nam de redactie van het Liedboek alle bundels Zingend Geloven door op zoek naar liederen die nog jaren na het verschijnen van het Liedboek een rol zouden kunnen spelen. Bij die zoektocht is ‘Het woord brengt de waarheid teweeg’ in beeld gekomen en zo staat het als lied 318 in het Liedboek.

Vorm en opbouw

Het boeiende aan dit lied is dat het performatief is: het doet wat het zegt. Het gaat niet enkel over de scheppende kracht van het woord: door gebruik van verschillende stijlmiddelen en door de woordkeuze schept dit lied zelf ook en brengt het daadwerkelijk een waarheid teweeg.

Los van de gebruikte woorden valt allereerst het ritme op. Als je het lied hardop leest, merk je dat elke strofe net iets verspringt in klemtoon en lettergrepen. Geen twee strofen zijn in woordritme hetzelfde. Een ode aan het woord en aan de scheppende kracht van het woord kan ook niet anders dan speels en onregelmatig zijn.
Ook het taalgebruik is speels en onregelmatig. De eerste drie strofen beginnen steeds met ‘Het woord…’. In de vierde strofe komt daar een bijvoeglijk naamwoord bij: ‘Het onvergelijkelijk woord’. Daarmee is dit inderdaad onvergelijkelijk geworden.

Het rijmschema daarentegen is wel regelmatig. Elke strofe kent de vorm AbAb, waarbij de A-zinnen steeds staand rijm kennen en de b-zinnen slepend rijm.
De taal zelf is verzorgd en schoon (als in: schone kunsten). Hier en daar staat een alliteratie (‘ziel en zinnen’, ‘hemelse hand’), maar zonder dat het geforceerd aandoet. Ook door deze zorgvuldigheid is het lied zelf een uitvoering van dat wat het bezingt: dat het woord waarheid opwekt, dat het woord de werkelijkheid kan kleuren en zin kan geven.

Bijbelse verwijzingen

Directe verwijzingen naar verschillende Bijbelverhalen springen bij dit lied in het oog. In de eerste strofe is dat het scheppingsverhaal uit Genesis 1. Mooi dubbelzinnig hierbij is de slotregel, waarin de wereld wordt aangeduid als een ‘lusthof voor (…) zinnen’. Dat zijn de zintuigen, zeker, maar het woord maakt van de wereld ook een ruimte waar zinnige zinnen geschreven en gezegd kunnen worden.

In strofe 2 worden Abraham en Daniël met name genoemd, als twee mensen die door het Woord in beweging zijn gebracht (respectievelijk Genesis 12 en Daniël 6). Je zou hier kunnen zeggen dat Abraham staat voor de verhalen van het begin, en Daniël voor de stem van de profeten. Maar evengoed is het wel zo dat leeuwen gewoon heel mooi rijmt op eeuwen.

In de derde strofe vervolgens is de proloog van het Johannesevangelie te herkennen (Johannes 1) met name de verzen 1 (regel 1) en 14 (regels 2 en 4). Ook in de vierde strofe wordt naar dit evangelie verwezen, meer specifiek naar Johannes 14,6 waar Jezus zegt dat Hij de weg, de waarheid en het leven is.

In het register bij het Liedboek wordt lied 318 dan ook bij precies deze vijf genoemde Bijbelplaatsen aangegeven. Naast deze directe verwijzingen is het lied doortrokken van Bijbelse taal en noties. Het woord dat iets in beweging zet, het woord dat eeuw na eeuw klinkt, het woord dat in harten wordt gehoord: die beelden beperken zich niet tot de genoemde vijf tekstgedeelten.

Excurs: schepping, waarheid en ambivalentie

De beginregel van het lied is tevens de titel van een bundel verzamelde essays van Jan Willem Schulte Nordholt (Kampen 1992). De ondertitel van deze bundel is ‘Essays over literatuur en werkelijkheid’. In deze bundel zijn dertien lezingen van Schulte Nordholt opgenomen, bij verschillende gelegenheden gehouden of geschreven. In het voorwoord bij deze bundel schrijft hij enkele gedachten die behulpzaam zijn bij een verdere toe-eigening van lied 318. Zo schrijft hij over het begrippenpaar werkelijkheid en waarheid:

‘Men zou kunnen beweren dat met het woord werkelijkheid alle materie bedoeld wordt die er bestaat en met het woord waarheid de structuur die aan die werkelijkheid zin geeft. (…) [M]et die structuur [bedoel ik] de taal, datgene wat ons mensen onderscheidt van de wereld om ons heen. Met woorden eigen ik mij de werkelijkheid toe, maak ik ze waar’ (blz. 7).

Wat hierbij opvalt, is dat deze opvatting van wat waar is en wat werkelijk, niet overeenkomt met hoe deze begrippen in het dagelijkse spraakgebruik voorkomen. Voor Schulte Nordholt heeft waarheid te maken met zin-geving, met betekenis geven aan materie. Werkelijkheid is dan de onbezielde wereld, waarin wel dingen zijn, maar niets zin heeft (gekregen).
Dit doet denken aan het eerste hoofdstuk van Genesis, waarin de aarde woest en leeg is en door taal structuur (en zin) krijgt. Inderdaad is voor Schulte Nordholt het gebruiken van taal verbonden aan de activiteit van scheppen. Dit is een manier waarop de mens beeld van God is, de Schepper zelf. ‘Met de taal, en natuurlijk ook met het beeld, met alles wat met ‘verbeelding’ te maken heeft, zet de mens de schepping voort’ (blz. 7).
Deze gedachten, over taal die zin geeft aan de dingen, over het woord dat de waarheid tot leven roept, zijn door het hele lied heen terug te vinden.

Maar is dat eigenlijk niet te mooi, niet te naïef? Alsof mensen de wereld naar hun hand kunnen zetten en alsof dat altijd zo goed en mooi en zinvol uitpakt?! Schulte Nordholt schrijft zelf:

‘Als dichter geloof ik niets liever dan dat, maar als historicus word ik door mijzelf in toom gehouden, de werkelijkheid blijkt zo overweldigend verward en tegenstrijdig, zo wreed en verschrikkelijk, dat alle pogingen tot zingeving er op stuk breken’ (blz. 7).

Vervolgens somt hij ambivalenties op die voor elk mens van invloed zijn op zijn zoektocht naar de zin van zijn leven. Dit zijn de spanningen tussen ‘woord en werkelijkheid en dat wil dan ook zeggen tussen enkeling en gemeenschap, vrijheid en tyrannie, kerk en wereld, taal en traditie, geloof en twijfel, God en mens’ (blz. 7).

Het lied is geschreven door de dichter en niet door de historicus, dat mag duidelijk zijn. De ambivalenties komen in het lied niet aan de orde. Tegelijkertijd geeft deze visie van de historicus Schulte Nordholt aan de laatste regel van het lied wel een nieuwe ruimte voor interpretatie. Uiteraard is deze regel een verwijzing naar een uitspraak van Jezus (zie onder Bijbelse verwijzingen) die voor ons de weg, de waarheid en het leven is. Maar je kan deze laatste regel ook lezen als een open vraag. Dan duidt hij op de zoektocht naar zin, de scheppingsruimte voor ‘onze weg, onze waarheid, ons leven’. Het gaat dan om de opdracht voor iedereen – immers: het is de essentie van je mens-zijn – om met jouw taal een weg te banen door de werkelijkheid om je heen en zo je leven te kleuren. Een individuele taak, die echter altijd verder gaat dan je eigen zelf (vergelijk de genoemde ambivalenties!). Het is, nogmaals in de woorden van de dichter zelf, ‘[d]e grootheid van de mens, wiens glorie en trots het mag zijn dat hij met zijn taal, in lof en verzet, de representant van God op aarde is’ (blz. 8).

Als je dit mensbeeld, deze ideeën over wat een mens is en hoe ieder zijn eigen weg gaat op zoek naar waarheid, met dit lied weet te verbinden, moet je de redactie van het Liedboek gelijk geven: dit lied van ruim zestig jaar oud is nog steeds actueel en herkenbaar.

Liturgische bruikbaarheid

Hierboven is een vijftal Bijbelgedeelten genoemd waar in dit lied naar wordt verwezen. De combinatie met deze bewuste lezingen is de eerste voor de hand liggende gebruiksmogelijkheid van dit lied. Het verdient aanbeveling om dan wel het hele lied te laten klinken en niet alleen die strofe waarin het aan bod zijnde Bijbelgedeelte voorkomt. Door het hele lied te kiezen, worden doorkijkjes gemaakt, worden lijnen getrokken tussen toen en nu en later, vallen hoofdstukken uit de Bijbel in het bredere verband van Gods verbondenheid met mensen. Lied 318 helpt om verhalen niet te veel los van elkaar te maken. Zo kan het lied een rijke aanvulling zijn en tegelijk een waarschuwing tegen al te veel knippen en plakken met Bijbelgedeelten.

Een tweede mogelijkheid voor gebruik is afgeleid van deze lezingen, waarvan er twee een vaste plek in de diverse leesroosters hebben.
Door de verbondenheid met Johannes 1 kan dit lied namelijk gebruikt worden op de kerstmorgen, wanneer dit evangelie klinkt. En ook als dat niet klinkt, geeft dit lied het kerstverhaal in eigen taal. In aanvulling hierop is het lied ook geschikt voor de zondagen van Epifanie, met in de laatste regel van de derde strofe een samenvatting van wat Epifanie eigenlijk is.
Ook in de paasnacht kan dit lied zijn dienst bewijzen. De lange reeks lezingen in de paasnacht laat Gods doorgaande beweging met mensen zien en dit lied zou daar een mooie bevestiging van kunnen zijn. De serie lezingen wordt bovendien vaak ingezet met de lezing uit Genesis 1, waar ook dit lied mee start.

Hiermee zijn de gebruiksmogelijkheden nog niet uitgeput. In het Liedboek heeft dit lied een plaats gekregen in de categorie ‘Rond de schriften’. In Zingend geloven stond het bij de ‘algemene liederen’. Deze indelingen geven aan dat ‘Het woord brengt de waarheid teweeg’ nog veel breder gebruikt kan worden dan hierboven aangegeven. Vanwege de aandacht die in de laatste strofe wordt gegeven aan ‘onze harten’, en ook ‘onze weg, onze waarheid, ons leven’, is het ook heel goed voorstelbaar dat het lied klinkt in vieringen waar mensen van harte een weg van waarheid en leven gaan. Denk aan belijdenis, bevestiging van ambtsdragers en zegening van wie (namens kerk en gemeente) op reis gaan.

Auteur: Nienke van Andel


Melodie

Willem Vogels melodie bij ‘Het woord brengt de waarheid teweeg’ verschijnt voor het eerst in Zingend Geloven 3 (1988, nr. 46). Vervolgens gaat ze een kortstondige relatie aan met ‘De oorsprong van leven en licht’ in Zingend Geloven 7 (2000, nr. 34, zie Liedboek 986), om zich in het Liedboek vervolgens weer exclusief te verbinden met de tekst van Jan Willem Schulte Nordholt.  Het is duidelijk een melodie die geschreven is om een tekst met een wisselend aantal lettergrepen per regel te kunnen dragen (vergelijk Liedboek 763/764/765). De repeterende achtste noten kunnen naar believen worden samengetrokken tot een kwartnoot. Daarom ook was de melodie minder geschikt voor de tekst van ‘De oorsprong van leven en licht’; het zeer regelmatig volgehouden metrum doet daar in feite afbreuk aan het vermogen van de melodie zich aan te passen aan een wisselend aantal lettergrepen.

Willem Vogel zegt er zelf over: ‘In de 80-er jaren (’84?) ontdekte ik tussen oude Nocturneliturgieën uit 1957 deze aardige en tevens briljante tekst van Jan Willem Schulte Nordholt.  Ik was bevlogen om er een wijs op te maken maar dat viel niet mee, als gevolg van de wisselende accenten en het ongelijke aantal lettergrepen. Was dit juweeltje blijven liggen sinds '57? In ieder geval moest ik er jaren mee bezig zijn om tot de schijnbaar simpele wijs te komen, die het nu heeft’ (Commentaar bij Zingend Geloven 3).

De ‘ontritmiseerde’ versie van de melodie ziet er als volgt uit:

Een aantal zaken valt nu direct op:
1) Alle regels beginnen met een stijgend interval. De eerste regel met een overtuigende grote sext (vergelijk Liedboek 23b: ‘De Heer is mijn Herder’), de volgende regels met de wat neutralere kwartsprong. De melodie springt in de laatste regel met een octaaf naar het hoogtepunt, de d”.
2) De melodie rijmt duidelijk mee met de tekst. De ‘zaagtandbeweging’ in de eerste en de derde regel rijmen met elkaar, evenals de rustig stijgende lijn in de tweede regel met de dalende lijn in de slotregel.
3) Ten slotte is de goed voorbereide gang naar de topnoot aan het begin van de laatste regel duidelijk waarneembaar. De componist laat direct in de eerste regel de b’ al horen, daalt af om halverwege de melodie weer op die noot terug te keren. In de derde regel wordt de c” bereikt, waarna de melodie wederom afdaalt om in de slotregel als op een skispringschans de wijs een zwieper naar het uiteindelijke hoogste punt te geven.

De koorzetting is gelijk aan de begeleidingszetting bij dit lied, zij het dat in de laatstgenoemde zetting de noten waar mogelijk aan elkaar verbonden zijn, zodat de bladspiegel rustiger oogt. Ook is in de tweede helft het octaaf een octaaf naar beneden gelegd om ongewenste akkoordomkeringen te voorkomen. De samenklanken zijn basaal en door het veelvuldig gebruik van sextakkoorden mild van klank. De melodie is gedacht vanuit de kwartnoot (dus niet in halve noten!), waarvan er zo’n 100 in een minuut gaan.

Auteur: Christiaan Winter


Media

Uitvoerenden: Cantate Deo Ouderkerk aan den Amstel o.l.v. Willem Vogel; Eric Jan Joosse, orgel; Femie de Groot, fluit; Arianne de Groot, fluit; Martijn Mansvelder, cello; Peter Oosterveld, contrabas