Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

324 - Wat vrolijk over U geschreven staat


Een eerste kennismaking

De dichter Huub Oosterhuis is sterk beïnvloed door de dertiende-eeuwse mysticus Meister Eckhart. Oosterhuis zegt over hem: ‘In de taal van Eckehart is het woord ‘ziel’ de aanduiding, de naam van ‘de mens zoals hij bedoeld is’. De ziel is de mens in zijn grootheid, de mens-in-de-mens: de ingeschapen kracht tot menswording, de vonk die in mij gloeit en als een vlam wil uitslaan en bestendig licht wil worden.’
Deze gedachte wordt verbonden met het Godsbeeld dat de dichter omschrijft in strofe 1: ‘Gij zijt de gloed van al wat leeft, / de ziel die vonkt of als een brand uitslaat, / de adembron die ons te drinken geeft.’
De tweede strofe – maar feitelijk is het lied bijna één lange zin – gaat hierop voort. Nu komt de Godsnaam aan de orde, zoals wij deze in Exodus 3 lezen: ‘Ik zal er zijn’, de Naam die ‘vurig geschreven staat’. Maar als wij een te vastomlijnd Godsbeeld maken, wordt het ook verwarrend. Dat woord, ‘geschreven wit op zwart’, bevrijdt ons, maar wij raken ook ‘beschaamd, vervoerd, getroost’ en ‘dan weer getart’. De laatste regel van het lied omschrijft het verlangen dat in de gehele tekst hoorbaar is: ‘Hoe dorsten wij te weten wie Gij zijt’.
De melodie van Antoine Oomen bestaat uit twee delen, die melodisch sterk overeenkomen en ritmisch zelfs gelijk zijn.

Auteur: Pieter Endedijk


Huub Oosterhuis
Antoine Oomen

Tekst

Algemeen

Het lied Wat vrolijk over U geschreven staat is voor het eerst gepubliceerd in de bundel van Huub Oosterhuis, Aandachtig liedboek. 143 teksten om te zingen en ter overweging (Baarn 1983), blz. 190. Na de publicatie van de getoonzette versie door Antoine Oomen in Liturgische gezangen II (Hilversum 1986), no. 70, is deze in verschillende liedbundels opgenomen. In de minder verspreide toonzetting door Tom Löwenthal (Liturgische gezangen II, tweede aanvulling (Hilversum 1991), no. 116) heeft het lied een iets andere titel: Wat staat geschreven. Beide titels geven aan dat het lied handelt over de Bijbel. Het behoort daarmee tot de categorie liederen waarin gereflecteerd wordt op de Schrift, een voor Oosterhuis geliefde thematiek. Het lied sluit daarom aan bij andere liederen waarin de Schrift of het Woord centraal staan zoals het als ‘Schriftlied’ aangeduide ‘Die chaos schiep tot mensenland’ (Liedboek 322), ‘Verbeeld of waar gebeurd’ met als titel ‘Levend boek, Boek jij bent geleefd’, en ‘Dat woord waarin ons richting werd gegeven’ (Liedboek 325). Zie Huub Oosterhuis, Verzameld liedboek (Kampen 2004), blz. 269, 374, 491-493, 525.

Structuur en opbouw

De drie strofen waar het lied uit bestaat, hebben eenzelfde opbouw. Elke strofe bestaat uit vier regels van gelijke lengte met uitzondering van de tweede regel die geen tien lettergrepen bevat maar negen. Hierdoor wordt de cadans van de consequente opeenvolging van telkens een onbeklemtoonde met een beklemtoonde lettergreep licht verstoord in de tweede regel die in tegenstelling tot de andere regels met een beklemtoonde lettergreep begint. Zoals de tweede regel van elke strofe het ritme enigszins doorbreekt, zo doorbreekt de tweede strofe het rijmschema. Anders dan het gekruist rijm in de eerste en derde strofe (A-B-A-B en E-F-E-F) heeft de tweede strofe omarmend (half)rijm (C-D-D-C’).

In de eerste uitgave van Aandachtig liedboek is de interpunctie anders. Feitelijk bestaat daar het lied uit twee zinnen: één heel lange en één heel korte. De lange zin omvat het hele lied met uitzondering van de laatste regel die samenvalt met de tweede zin. In deze oorspronkelijke versie eindigen de strofen 1 en 2 met een gedachtestreepje waarna de zin verder gaat in de volgende strofe die dan ook niet met een hoofdletter, maar met een kleine letter begint. De eerste punt in het gedicht staat pas genoteerd voorafgaand aan de laatste regel. In het Liedboek beginnen alle strofen met een hoofdletter en is het gedachtestreepje op het einde van strofe 1 vervangen door een punt en is het gedachtestreepje op het eind van strofe 2 weggelaten; daar staat helemaal geen leesteken. Grammaticaal vormt de lange zin echter een eenheid en ook inhoudelijk is er sprake van een doorlopende gedachtegang. De hoofdzin staat halverwege strofe 3 en is eigenlijk een uitroep die in een iets vrijere omschrijving luidt: hoezeer heeft het (woord) ons niet bevrijd, beschaamd, enzovoort. Alles wat hieraan voorafgaat, is een invulling en concretisering van ‘het’ in strofe 3, regel 2. En dat heeft betrekking op hetgeen vrolijk of vurig over U geschreven staat, aldus het begin van strofe 1 en 2; en wat er geschreven staat, wordt in beide strofen na de dubbele punt verder toegelicht. Strofe 2 is in zekere zin een herhaling van strofe 1. De aanhef ‘wat vurig staat geschreven’ herneemt het begin van strofe 1 ‘Wat vrolijk staat geschreven’, en ook de toelichtingen die erop volgen, zijn vergelijkbaar. In strofe 2 en 3 hernemen ‘dat woord’ en ‘dat hoge woord’ als synoniemen voor ‘wat vrolijk/vurig geschreven staat’ uit strofe 1 en 2 nogmaals het voorafgaande om vervolgens uit te komen bij de hoofdzin. Een nauwkeurige lezing van de structuur en de opbouw van de lange eerste zin laat zien dat het grootste gedeelte van het lied een breed omsponnen beschrijving is van het subject van de zin en dat de grammaticale volgorde van deze uitroep is gewijzigd door dit subject voorop te plaatsen in de zin. Zowel door dit gebruik van inversie als door de uitgebreide omschrijving van het subject krijgt het in het lied alle nadruk. In vereenvoudigd proza zou de zin omschreven kunnen worden als: hoezeer heeft datgene wat vrolijk/vurig staat geschreven (namelijk dat Gij dit en dat bent en doet), of anders gezegd, hoezeer heeft dat woord ons niet bevrijd en vervoerd!

Inhoud

In het begin heb ik aangegeven dat het lied gekenmerkt kan worden als een Schriftlied, als een lied dat handelt over de plaats en de betekenis van de Bijbel. Wat er over God geschreven is, staat immers in de Schrift. De inhoudelijke invulling die het lied er vervolgens aan geeft, richt zich op voorstellingen of kwaliteiten van God. Er worden verschillende godsbeelden genoemd, al dan niet rechtstreeks aan de Bijbel ontleend. Het woord ‘vrolijk’ in de eerste regel kan enigszins bevreemden want doorgaans zeggen we niet dat iets vrolijk staat opgeschreven. Er kan hier echter een zinspeling op het woord evangelie in gelezen worden. ‘Vrolijk’ varieert dan op ‘blijde boodschap’ als vertaling van evangelie.
In de eerste strofe herneemt Oosterhuis een gedachte die hij verwoordde in een passage uit een reflectie op de Duitse mysticus Meester Eckhart uit de dertiende eeuw. Bij Eckhart, zegt hij, ‘is het woord ‘ziel’ de aanduiding, de naam van ‘de mens zoals hij bedoeld is’. De ziel is de mens in zijn grootheid, de mens-in-de-mens: de ingeschapen kracht tot menswording, de vonk die in mij gloeit en als een vlam wil uitslaan en bestendig licht wil worden’ (Huub Oosterhuis, En ik zag: een nieuwe wereld. Proeven van bijbelse prediking [Baarn 1984, blz. 65]). Wat Eckhart van de ziel zegt, betrekt Oosterhuis hier op God: God is de gloed van alle leven, de ziel die vonkt en de adembron waar we uit leven.
De tweede strofe kent meer Bijbelse verwijzingen, indirect naar een God die het leed van zijn volk hoort en ziet, en die een nieuw verbond sluit. En meer letterlijk wordt er geciteerd uit Lucas 19,10: ‘De Mensenzoon is gekomen om te redden wat verloren was’, en uit Exodus 3,14 voor de Godsnaam ‘Ik zal er zijn’.
In de derde strofe maakt de hoofdzin duidelijk wat al die hoedanigheden waarin God beschreven is voor ons betekenen. God bevrijdt ons en brengt ons tot schaamte, brengt ons in vervoering en biedt troost, maar kan ons ook tergen en uitdagen. God is op al ons doen en laten betrokken. En toch weten we uiteindelijk niet wie God is. We zouden het wel willen weten; we verlangen ernaar: hebben dorst naar God (vergelijk Psalm 42,3; ‘dorsten’ lijkt hier niet de betekenis te hebben van de onvoltooid verleden tijd in een oude verbuiging van het werkwoord durven). Daarom zijn al deze beelden of kwaliteiten van God slechts benaderingen; ze vallen niet samen met wie God is.

Auteur: Louis van Tongeren


Melodie

De melodie van Antoine Oomen is gecomponeerd in 1984 en verscheen voor het eerst in Liturgische Gezangen II (1985), later ook in partituurvorm in diverse andere uitgaven, waaronder een verzameling liederen onder de titel Wat vrolijk over U geschreven staat.

Eerder (in 1981) werd dezelfde tekst van Huub Oosterhuis al getoonzet door Tom Löwenthal, maar deze compositie vond zijn weg niet zo snel naar de parochies en gemeenten als de toonzetting van Oomen.

Het lied is geschreven voor vierstemmig gemengd koor, gemeente en pianobegeleiding. Later heeft Oomen ook een versie gemaakt met orgelbegeleiding. Beide zijn opgenomen in de begeleidingsuitgave bij het Liedboek. Het is niet mogelijk om dit lied te zingen zonder gebruik te maken van één van deze partituren, omdat het lied al begint op het moment dat het voorspel van vier maten inzet. Deze intro leidt vanzelf en zonder onderbreking naar het begin van het lied en keert na de eerste en tweede strofe terug als tussenspel. 

Van dit lied circuleren versies in A-groot en in As-groot. Deze laatste toonsoort is voor de gemeentezang het meest geschikt, aangezien de hoogste noot es” gemakkelijker zingbaar is dan een e’.

De melodie bestaat uit vier regels, waarbij steeds twee regels op elkaar ‘rijmen’: regel 1 en 3 zijn ritmisch exact gelijk terwijl ze melodisch slechts in de eerste en de laatste noot van elkaar verschillen; tussen regel 2 en 4 bestaat de overeenkomst eveneens in het ritme, maar ook in de stijgende lijn van de melodie, waardoor in de laatste regel de climax wordt bereikt.

Op het eerste gehoor lijkt het lied te beginnen met een opmaat, want het eerste tekstaccent ligt op ‘vrólijk’. Als je heel precies gaat letten op de woordaccenten in de tekst, blijkt dat de maatindeling zich daar niets aan gelegen laat liggen. Wie de begeleiding erbij neemt, ziet dat de componist in de basnoten de zwaartepunten meestal wel op de eerste tellen van de maat legt. Uiteindelijk gaat het erom dat melodie breed gezongen wordt: de maatstrepen wegdenken en de stuwende kracht van de syncopen ervaren. Het tempo moet daarbij rustig zijn (66 halve noten per minuut) en vooral grootsheid en kracht uitstralen. Dat blijkt ook uit de dynamische tekens in de piano- en orgelbegeleiding: de componist verlangt dat het lied poco f wordt uitgevoerd, alleen de inleidende maten van de piano mogen iets zachter klinken (mf).

Oomen heeft bij het lied weliswaar een vierstemmige koorzetting geschreven, maar ook eenstemmig is het lied heel goed te zingen: er is geen sprake van moeilijk te treffen intervallen, de melodie verloopt grotendeels in secundeschreden en de slotnoot van de ene regel wordt hernomen als beginnoot van de volgende. Wanneer het lied  eenmaal gekend is en van harte meegezongen wordt, wordt ‘de ziel die vonkt of als een brand uitslaat’ voelbaar in de muziek!

Auteur: Bert Stolwijk


Media

Uitvoerenden: koor van de Amsterdamse Studentenekklesia en/of koor voor Nieuwe religieuze muziek