Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

326 - Van ver, van oudsher aangereikt


Een eerste kennismaking

De klassieke introïtus voor de vijfde paaszondag, zondag ‘Cantate’, is Psalm 98, waarvan het begin luidt: ‘Zing voor de Heer een nieuw lied’. Deze zin heeft de dichter Sytze de Vries verbonden met de Johannesproloog (Johannes 1,1-14) en zo is dit lied ontstaan, bedoeld als intochtslied voor deze zondag.
Johannes 1 is het evangelie van kerstmorgen. De eerste strofe is daarom met Kerst verbonden, maar ook met Pasen: ‘... weer vleesgeworden, opgestaan!’ en de tweede strofe associeert met Pinksteren: ‘Dit woord komt tot ons op de wind...’.
In enkele strofen wordt over het zingen gesproken: ‘Dit woord blijft leven in een lied’ (strofe 3); ‘Dit lied (...) wordt keer op keer als nieuw gehoord’ (strofe 4), het heeft zelfs eschatologische dimensies; ‘een lied, dat Gods gelaat onthult’ (strofe 5) en ten slotte: ‘Het woord (...) zet ons opnieuw tot zingen aan’ (strofe 6).
Opvallend is dat de tekst ontstaan is om de aanstekelijke melodie van Liedboek 665 vaker te kunnen zingen, een bijzondere aanleiding om een lied te schrijven. Bovenstaande beschrijving geeft aan dat het lied niet alleen op die vijfde paaszondag een plaats verdient, maar veel vaker gezongen kan worden: niet alleen op de feestdagen, maar gedurende de meeste perioden van het liturgisch jaar.

Auteur: Pieter Endedijk


Sytze de Vries
Hannover 1646
Nun jauchzt dem Herren, alle Welt

Tekst

Deze toelichting is overgenomen uit ‘Commentaar bij Zingend Geloven 4’ en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is.  

De introïtus voor de vijfde zondag van Pasen (zondag Cantate) bestaat uit de aanhef van Psalm 98 (verzen 1-2):
Zing voor de Heer een nieuw lied:
wonderen heeft hij verricht.
Zijn rechterhand heeft overwonnen,
zijn heilige arm heeft redding gebracht.
De Heer heeft zijn overwinning bekendgemaakt,
voor de ogen van de volken zijn gerechtigheid onthuld.

In dit intochtslied voor zondag Cantate is deze oproep tot het zingen van een nieuw lied verbonden met de proloog uit Johannes 1: ‘In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Het was in het begin bij God’ (Johannes 1,1-2). De passage ‘weer vleesgeworden, opgestaan’ (strofe 1) verwijst duidelijk naar Johannes 1,14 en naar noties die op de verrijzenis van Pasen betrekking hebben.

Strofe 2 – ‘Dit Woord komt tot ons op de wind’ – herinnert ons aan het pinksterfeest. En in strofe 4 klinken paas- en eschatologische motieven beide door: Het lied ‘breekt zich baan in morgenlicht, / een nieuwe dag, een vergezicht!’

Het lied zou een variatie kunnen zijn van de tekst: ‘Het Woord gaat van God uit en keert niet ledig tot Hem terug’. Wanneer het mensen heeft aangesproken zet het hen tot zingen aan (strofe 6) en bereikt het zijn uiteindelijke doel: de lofzang van mensen aan God. Zingend geven we het Woord aan Hem terug: ‘Gezegend, hier en overal / die is, die was, die komen zal!’ (strofe 6).

Rijmschema: A-A-B-B.


Melodie

Wie iets over de historie van de melodie te weten wil komen, zij bij deze gewaarschuwd: hij/zij eindigt – na aan het bureau te zijn begonnen – op de kamervloer, welke geheel bedekt zal zijn met uitgaven waar de melodie in voorkomt; voor het merendeel zal het melodisch materiaal onderlinge verschillen vertonen... Een algemeen toegankelijk naslagwerk is het Compendium bij de 491 gezangen; in kolom 309 (bij gezang 101) leert men, dat de auteur zich liever niet de vingers brandt aan de geschiedenis, door te vermelden dat de oorspronkelijke melodie via de honderdste Beckerpsalm Nun jauchzt dem Herren, alle Welt (1602) stamt van het voorreformatorische Puer nobis nascitur. Dit is correct; van deze ‘oermelodie’ zijn echter alleen al vier (Latijnse) versies, die alle met elkaar verwant zijn! (F. van Duyse, Het oude Nederlandsche Lied, Den Haag/Antwerpen 1907, Deel III, blz. 1860vv.) Als men daarbij de varianten optelt die er in de verschillende landen zijn ontstaan, en dan is de chaos compleet. Voldoende verwarring loopt men al op door enkele eigentijdse uitgaven van dit oorspronkelijke kerstlied (‘Ons is gheboren een kindekijn’) met elkaar te vergelijken, zoals bijvoorbeeld in:
- ‘Nederlands Volkslied’ (Haarlem 1977, blz. 80);
- Jan Pzn. Sweelinck, Opera Omnia, Vol. 11 Fasc. II (Amsterdam 1974, blz. 44);
- Ignace de SutterVijftig Kerstliederen van vroeger en nu (Tielt/Bussum 1983, blz. 62).

‘Onze’ melodie baseert zich op het Evangelisches Kirchengesangbuch (150, nr. 187), en daarmee op het in 1646 te Hannover uitgegeven New Ordentlich Gesangbuch van Justus Gesenius en David Denicke. Eén van de belangrijkste stijlfiguren in de melodie wordt gevormd door het ritme, dat geheel opmatig van structuur is en uniform van vorm: kort-lang; of uitgaande van het accent: lang-kort. De hymne-achtige opbouw kenmerkt zich door metrisch gelijke regels (8-8-8-8) en door een A-A-B-B-rijm. De eerste en laatste regels bewegen zich in de toonsoort van D grote terts tussen tonica en dominant; regel 2 heeft met een octaaf de grootste omvang, terwijl ook de dominanttoon een belangrijke plaats blijft innemen; regel 3 heeft, ondanks de herhaling van de hoogste toon, door niet lager te gaan dan de dominant, de kleinste omvang.

Willem Vogel (1920-2010) schreef een eenvoudige cantionaalzetting, die recht doet aan de stijl van de melodie (zie begeleidingsuitgave bij het Liedboek). Vogel merkt hierbij op, dat de harmonie en de bas zich in de eerste, tweede en derde regel min of meer in spiegelbeeld bewegen. Het duidelijkst zien we dit in de harmonie/bas van regel 1: d-d-A-d-fis-d-A-d. Ook schrijft hij, dat het G-groot-akkoord in de derde regel de wijdste harmonische ligging heeft en zo diepte en breedte aan het lied geeft.


Media

Uitvoerenden: Gereformeerde Kamerkoor Amersfoort o.l.v. Jannes Munneke; Harry van Wijk, orgel )bron: KRO-NCRV)