Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

348 - Heer van uw kerk


Evert Louis Smelik
Carl Philipp Emanuel Bach
Gott ist mein Lied

Tekst

Deze toelichting is overgenomen uit ‘Een Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken’ (Amsterdam 1977) en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is.

Evenals in Liedboek 347, het lied van Benjamin Schmolck (1672-1737), zijn het allereerst de (doop-)ouders, die spreken, – zoals trouwens ook in de lied van Ad den Besten (1923-2015, Liedboek 778). Maar zij spreken in de gemeente en met de gemeente méé: de doop is een omvattend gebeuren, waarin ook het voorgeslacht is begrepen; als er in de afsluitende regels van de laatste strofe gezegd wordt ‘de ouders, die hier stonden’, reikt dat dan ook ver over de hoofden van de direct aanwezigen heen naar ‘de ganse kerk in één geloof’. – Overigens is dit lied duidelijker een dooplied dan Liedboek 347 en 778; in strofe 4 klinkt de belijdenis, dat ‘de oude mens moet sterven’ (vergelijk bijvoorbeeld Paulus’ zegswijze in Efeziërs 4,22-24), gesuggereerd wordt dat de dopelingen ‘nieuwe namen’ zullen krijgen, en in strofe 6 wordt ‘gedoopt’ uitgelegd als ‘begraven en herrezen’ (vergelijk Romeinen 6,4). Als daar van het kind, dat werd aangedragen, gezegd wordt: ‘het is gedoopt’ (wat in strofe 9 breder en met het oog op de gang der generaties terugkeert als ‘Er is gedoopt!’), vormt dat tevens een aanwijzing dat dit (in het Liedboek voor de kerken als gezang 335 voor het eerst gepubliceerde) dooplied waarschijnlijk het beste in twee gedeelten kan worden gezongen: de strofen 1 tot en met 5 vóór de eigenlijke doopbediening (strofe 3: ‘Reeds staat Gij klaar’; strofe 5: ‘Het water wacht’), de strofen 6 ttot en met daarná.

Auteurs: Evert Louis Smelik / W.G. Overbosch


Melodie

De melodie van dit lied is aanvankelijk gecomponeerd bij een tekst van de belangrijkste dichter uit de tijd van de Aufklärung, Christian Fürchtegott Gellert (1715-1769): Gott ist mein Lied (zie gezang 139 in de ‘Hervormde Bundel van 1938’). Hoewel deze periode kerkmuzikaal over het algemeen moet worden gezien als een tijdperk van verval, toch bleven enkele melodieën uit die tijd gangbaar, die ons in hun vrij monotone eenvoud een duidelijk specimen geven van de hymnische denkwijze van toen.

Johann Sebastian Bachs zoon Carl Philipp Emanuel, de componist van de hier bedoelde wijs, geeft hiervan een sprekend voorbeeld. In zijn in 1787 verschenen bundel 14 Neuen Melodien zu einigen Liedern des neuen Hamburgischen Gesangbuchs voorzag hij niet minder dan tien liedteksten van Gellert van een bijpassende melodie. Later, in 1792, volgden er nog 25.

De tendens naar het zoetvloeiende lied zou later worden voortgezet door componisten als Johann Abraham Peter Schulz (1747-1800), Karl Breidenstein (1830-1879), Friedrich Silcher (1789-1860) en vele anderen.

De hier bedoelde melodie verscheen in de bovengenoemde bundel met becijferde bas. De ook bij de tekst van het onderhavige lied goed passende wijs verraadt onmiddellijk de vakman, die, in tegenstelling tot zijn vele liederen für die häusliche Erbauung, hiermee een goede melodie voor een gemeentelied schreef: koraalmatig en zangrijk. De melodie wordt in het Liedboek ook gebruikt voor de tekst van nr. 364, eveneens een tekst van E.L. Smelik.

Auteur: Evert Westra


Media

Uivoerenden: Gemeentekoor van Rotterdam-Centrum o.l.v. Dirk Zwart; Suzan Zwart-de Kruif, fluit; Jaap Zwart jr., orgel (strofen 1, 3, 9)