Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

363 - Dat ’s Heren zegen op u daal’


Genootschap ‘Laus Deo, Salus Populo’
Genève 1551
Psalm 134

Tekst

Het ‘dalinkje’

In het Nederlands protestantisme zijn sommige verzen uit de psalmberijming nauw verbonden aan kerkelijke gelegenheden. Zo gold Psalm 105 vers 5 (‘God zal zijn waarheid nimmer krenken’) uit de Statenberijming 1773 binnen grote delen van het protestantisme lange tijd als hét lied bij de doopbediening.

Psalm 134 vers 3 uit dezelfde berijming is vaak gebruikt om tijdens huwelijksbevestigingen het bruidspaar toe te zingen, nadat het paar knielt om de zegen te ontvangen. Nog breder verspreid is het gebruik om dit psalmvers te zingen bij de bevestiging van ouderlingen en diakenen of bij de komst, het vertrek of jubilea van een predikant. De eerste bronnen waarin over dit gebruik gesproken wordt, dateren uit de jaren veertig van de negentiende eeuw. De bijzondere plaats in het protestantse leven leidde zelfs ertoe dat het psalmvers diverse ‘bijnamen’ kreeg, zoals het ‘christelijke Io vivat’, het ‘op-u-daaltje’ of ‘het dalinkje’.

Psalm 134 is de laatste van vijftien pelgrimsliederen (Psalm 120-134). De pelgrims zijn in Jeruzalem aangekomen en in de tempel roepen zij allen ‘die de dienst van de Heer verrichten’ op om de Heer te zegenen (vers 1 en 2). De tempeldienaren reageren daarop (vers 3) met een zegenbede voor de pelgrims, waarin de bekende hogepriesterlijke zegen uit Numeri 6,24-26 doorklinkt.

Het psalmvers uit de berijming functioneert in de kerkelijke praktijk eigenlijk dus precies tegenovergesteld aan de oorspronkelijke context, want daar zijn het juist de tempeldienaren die het volk de zegen toe bidden, terwijl met ‘het dalinkje’ de rollen omgekeerd zijn: de gemeente bidt de ambtsdragers de zegen toe.

Berijming van een kunstgenootschap

De tekst van Psalm 134 vers 3, zoals deze in het Liedboek staat afgedrukt, is bekend uit de Statenberijming 1773. Maar hij werd oorspronkelijk gemaakt voor het psalter van ‘een kunstgenootschap, onder de zinspreuk: Laus Deo, Salus Populo’. Dichteres Lucretia Wilhelmina van Merken (1721-1789) legde de kiem voor deze berijming: zij berijmde psalmen tot ‘stichting van haar zelven en van haare bedrukte Moeder en kranke Zuster’, zoals ze later schreef. Nicolaas Simon de Winter (1718-1795), met wie de dichteres in 1768 trouwde, was erg enthousiast over de berijmingen. Hij wist haar en een aantal bevriende Amsterdamse dichters te bewegen gezamenlijk een complete psalmberijming te maken. Zelf leverde hij ook een aantal berijmingen. Behalve Van Merken en De Winter werkten Harmannus Asschenberg (1726-1792), Bernardus de Bosch (1709-1786), Anthony Hartsen (1719-782), Pieter Meijer (1718-1781), Lucas Pater (1707-1781) en Henri Jean Roullaud (1729-1790) aan de berijming mee.

Het psalter werd in 1760 – zonder melodienotatie – uitgegeven door Pieter Meijer te Amsterdam. De namen van de dichters werden niet vermeld in de uitgave; men koos ervoor te publiceren onder de naam ‘een kunstgenootschap met de zinspreuk: Laus Deo, Salus Populo’ (Eer aan God, heil voor het volk). De berijming van Psalm 134 was echter van de hand van Nicolaas Simon de Winter. De tekst luidde in de berijming van ‘Laus Deo, Salus Populo’:

 

Vooral doopsgezinde en remonstrantse kerken gingen de psalmberijming van het kunstgenootschap gebruiken en bleven dat doen tot in de twintigste eeuw.

De commissie die de Statenberijming 1773 samenstelde, besloot tijdens haar 102de zitting Psalm 134 uit de berijming van ‘Laus Deo, Salus Populo’ te kiezen. Josua van Iperen tekent in zijn Kerkelyke Historie van het Psalmgezang (Amsterdam 1778, deel 2, pag.315, 316) aan:

‘Op den CXXXIVsten Psalm der Kunstgenooten, vond men weinig te berispen: alleenlyk begon men liefst het eerste, besloot men het tweede vers, met Looft, looft nu, --, om aan het beloop van den tekst te voldoen; en dan dacht men, in het slot nu te moeten afwisselen met dan, om een dichtkundig besluit te maaken.’

Met deze wijzigingen verscheen Psalm 134 van het kunstgenootschap/De Winter in de Statenberijming.


Melodie

Ontstaan en verspreiding

De melodie van Psalm 134 verscheen voor het eerst in de bundel Pseaumes octantetrois de David, mis en rimes françoise, die in 1551 te Genève werd uitgegeven en die een van de voorlopers van het definitieve en complete Geneefse psalter uit 1562 was. Zoals de titel al meldde, bevatte de bundel 83 psalmen, waaronder 34 nieuwe berijmingen van Théodore de Bèze (1519-1605). Een daarvan betrof de berijming van Psalm 134. De nieuwe melodieën in dit psalmboek waren gecomponeerd door Loys Bourgeois (±1510-±1560), die van 1545 tot 1553 in Genève als cantor werkzaam was.

Psalm 134 staat in Pseaumes octantetrois als volgt afgedrukt:

De melodie werd internationaal bekend. Zo kennen de Engelsen de wijs onder de naam ‘The Old Hundredth’. In de Nederlanden geliefd heeft dominee-dichter Willem Sluiter (1627-1673) haar voor menig contrafacttekst gebruikt. De populariteit van de melodie bereikte haar hoogtepunt in de negentiende en begin twintigste eeuw: toen behoorde de melodie van Psalm 134 samen met die van de Psalmen 36, 42 en 66 tot de meest geliefde Geneefse melodieën. Dat bleek vooral uit het aantal contrafacten dat op deze psalmmelodie gemaakt werd.

Gezien dit verleden verbaast het niet dat we de melodie in het Liedboek niet alleen bij Psalm 134 aantreffen, maar ook als contrafactmelodie bij de liederen ‘In den beginne was het woord’ (Liedboek 488) en ‘Kom, heilige Geest, Gij vogel Gods’ (Liedboek 680).

Analyse

De melodie staat in de hypolydische modus, en speelt zich af in het toonbereik d’ tot d” (Voor ingewijden: de melodie beweegt zich in het hexachordum molle en hexachordum naturale).

Melodisch zijn de eerste twee melodieregels aan elkaar verwant: beide openen met een dalende beweging in secunde-schreden, en in beide regels klinkt een stijgende kwartsprong voordat de regel met drie halve noten eindigt. Waar echter de eerste regel afsluit met drie stijgende halve noten, eindigt de tweede regel met drie dalende halve noten. Daardoor hebben deze twee regels een dialoogkarakter.

Ook de regels 3 en 4 vormen in zekere zin een paar. Regel 3 sluit af met drie stijgende halve noten, de vierde eindigt met drie dalende. In beide regels treffen we naast secunden het terts-interval aan. Op de plek waar in de eerste twee regels een kwartsprong klonk, klinkt in regel 3 een dalende kleine terts. De slotregel valt op doordat hij zelfs drie tertssprongen bevat. Daardoor verdwijnt de secundebeweging die de melodie in de eerste drie regels kenmerkt, grotendeels in de laatste regel. Ook het ritme van deze regel wijkt af van die van de vorige drie. Het ritme van de regels 1, 2 en 3 is identiek: een halve noot, gevolgd door vier kwartnoten en afgesloten met drie halve noten. De vierde melodieregel eindigt én begint met drie halve noten. Bovendien bereikt de melodie bij de eerste noot van deze regel haar hoogtepunt. Dit alles zorgt ervoor dat de slotregel een sterkt afsluitend en concluderend karakter heeft.

Auteur: Jan Smelik