Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

376 - Ziel, mijn ziel, aanvaard uw luister


Schmücke dich, o liebe Seele

Johann Franck
Jan Willem Schulte Nordholt
Johann Crüger

Tekst

Deze toelichting is overgenomen uit ‘Een Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken’ (Amsterdam 1977) en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is.

De burgemeester van Guben, Johann Franck, zo beroemd om zijn stralende hymne Jesu meine Freude, mag dan volgens het oordeel der deskundigen geen groot dichter geweest zijn, hij had toch nog meer pijlen op zijn boog en heeft aan de schat van de kerkzang ook dit mystieke avondmaalslied toegevoegd. In het commentaar van Johannes Kulp (Die Lieder unserer Kirche, blz. 245-246) lees ik een nogal negatieve aanbeveling, het is wel een knap stuk dichtwerk maar ‘trotzdem rückt uns das Gedicht wegen seiner überschwenglichkeit und Gefühlsbetontheit, und weil seine Aussagen im Munde der heutigen Gemeinde die Gefahr der Unwahrhaftigkeit heraufbeschwören, immer ferner’. Wij hebben het toch vertaald en gewaagd het in ons nieuwe gezangboek op te nemen (ook reeds in de 102 Gezangen, nr. 53), meer vertrouwend op de dichter dan op zijn late critici en er bovendien van overtuigd dat een christelijke gemeente wezenlijk boven zichzelf uit zingt. Dat is geen onwaarachtigheid maar genade.

Francks lied werd in 1649 voor het eerst gepubliceerd door zijn vriend Johann Crüger in diens Geistliche Kirchenmelodien, de eerste strofe slechts, en daarna, in 1653, in zijn geheel in de Praxis pietatis melica. Het was toen twee strofen langer, die zowel in de Duitse versie in het Evangelisches Kirchengesangbuch als in onze vertaling zijn weggelaten, en het had als titel Vorbereitungslied zum heiligen Abendmahl. Het is inderdaad een lied typisch voor het tijdperk van de Barok waarin het ontstaan is en dat is wel een toonaard die ons thans wat vreemd in de oren mag klinken. Kunnen wij daar niet doorheen kijken en de fijne innigheid en zuiverheid van de tekst ontdekken, dan moeten we het inderdaad maar niet zingen. Het is tenslotte een lied uit de mystieke traditie en voor rationalisten is dat altijd wat moeilijk. De dichter begint met het toespreken van de ziel en daarin weerklinken echo’s van Psalm 45 en het Hooglied, de ziel is als een bruid voor haar man gesierd, is ook als de wijze maagd die de bruidegom tegemoet gaat. En in die zalige gespannenheid wordt het verlangen hartstochtelijk en zo antwoordt het ook in de tweede strofe. Het hele verdere lied is dan een extatische en toch objectieve benadering van het grote geheim van het heilig Avondmaal, sterk geïnspireerd door Jezus’ eigen woorden in Johannes 6,48-58 met lichtere ontleningen aan 1 Korintiërs 2. De vreemde Duitsers hebben het lied altijd in hun gezangboeken opgenomen en er ook altijd veel kritiek op gehad, vooral wel op de laatste strofe, de regels 3-4. Al in 1696 schreef een commentaar: ‘Dies ist sehr hart. Wir sind zu dem heiligen Tisch geladen nicht uns zum Schaden sondern zu unserer Seelen Wohlfahrt und Besten.’ Alsof niet de dichter hier regelrecht geïnspireerd was door 1 Korintiërs 11,29. Het hele lied is trouwens alleen te verstaan binnen de kring van innigheid waar de geheimen Gods niet worden verklaard maar aanvaard.

Auteur: Jan Willem Schulte Nordholt


Melodie

Schmücke dich, o liebe Seele is ten onzent als tekst geïntroduceerd door de proefbundel 102 Gezangen; de melodie van Johann Crüger is echter al bekend geworden (zij het een toon lager gezet) via de ‘Hervormde Bundel van 1938’, waarin als gezang 249 een avondmaalslied van Friedrich Gottlieb Klopstock (1724-1803) voorkomt, dat er door wordt gedragen. Het is inderdaad een grandioze zangwijs, waarover een oude beoordeling luidde, dat zij ‘zó geslaagd was, dat de engelen in de hemel geen betere hadden kunnen bedenken’. Ritmisch én melodisch heeft ze een vrolijke innigheid zonder langademig te worden; men lette bijvoorbeeld op de ritmische overgang van de beide Stollen naar het Abgesang (dus van regel 4 naar 5), waar schijnbaar een driedeligheid optreedt, samenvallend met de hoogste tonen in de melodie.
Het is te hopen, dat deze kostelijke melodie niet onbekend blijft doordat de tekst zich niet direct laat rijmen met het levensgevoel van onze tijd!

Auteurs: Bernhard Steinvoort/W.G. Overbosch