Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

379 - Breek ons, Heer, het brood


Brich uns, Herr, das Brot

Rudolf Alexander Schröder
C.M. de Vries
Hans Friedrich Micheelsen

Tekst

Deze toelichting is overgenomen uit ‘Een Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken’ (Amsterdam 1977) en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is.

De oorspronkelijke tekst (Brich uns, Herr, das Brot) van de hand van Rudolf Alexander Schröder, werd in 1937 geschreven. Blijkens de, bronvermelding in het Gezangboek der Evangelisch-Lutherse Kerk (1955) aanvankelijk verschenen in Neue Gemeindelieder (Kassel/Basel), komt het als lied 162 voor in het Evangelisches Kirchengesangbuch (1950).
De Nederlandse vertaling, in 1954 voor het Gezangboek der Evangelisch-Lutherse Kerk door mij gemaakt, is in genoemd gezangboek opgenomen als lied 138.
De zes zevenregelige strofen van dit avondmaalslied wemelen van bijbelse motieven, alle verwijzend naar het sacrament van de heilige Tafel.

De eerste strofe is geheel geënt op het verhaal van de Emmaüsgangers (Lucas 24,13-35). In de oorspronkelijke versie (Brich uns, Herr, das Brot, / wie den Jüngern beiden...) is die verwijzing nog nadrukkelijker dan in de vertaling.
De tweede strofe, ‘Geen kan waardig zijn...’ herinnert aan de in de Romeinse liturgie gebruikelijke aanroeping tot Christus, uitgesproken voor de nuttiging van het sacrament: het is de Heer zélf, die waardig maakt. De tekst stamt uit Matteüs 8,8 (de bede van de hoofdman te Kapernaüm).
De derde strofe introduceert het thema van de bruiloft, waartoe naar luid van Matteüs 22,10 zowel ‘de slechten als de goeden’ worden uitgenodigd. Wie die uitnodiging aanvaardt, wordt door de Heer bij de ‘vromen’ gerekend.
Het ene woord haalt het andere uit: ‘bruiloft’ roept ‘Kana’ op (Johannes 2,1-11). De sacramentele ‘méérwaarde’ van de bij het heilig Avondmaal genuttigde spijs en drank (‘meer dan wijn: uw wezen, / brood dat ons van vrezen / doet genezen’) is hier uiterst compact tot uitdrukking gebracht.
In de voorlaatste strofe worden de johanneïsche ‘Ik ben’-woorden van Jezus hymnisch aaneengerijd: de alfa en omega; de ware wijnstok; de weg, de waarheid en het leven; de goede herder (én het lam Gods!; vergelijk Johannes 1,29).
De laatste strofe is een bede, dat de avondmaalsgangers in de ‘dingen’ (brood, wijn) het mysterie van de nieuwe Adam, de eerstgeborene van de nieuwe mensheid, mogen vernemen. De ‘vocale’ thematiek van dit slotvers (‘stem’; ‘spreek’; ‘taal’; ‘bezingen’; ‘noem’; ‘namen’) is in het Nederlands iets overvloediger dan in het origineel, dat deze motieven comprimeert in de beginwoorden Erstgeborner Mund. Men vergelijke echter ook Luthers Kleine Katechismus over het avondmaal: ‘Eten en drinken doen het voorzeker niet, maar de woorden die daar staan: voor u gegeven en vergoten tot vergeving der zonden, – welke woorden benevens het lichamelijk eten en drinken de hoofdzaak zijn in dit sacrament’. Schröder is stellig met deze formulering zeer vertrouwd geweest.
‘Noem met nieuwe namen’ tenslotte, is geïnspireerd door Genesis 2,19.

Auteur: C.M. de Vries


Melodie

Een melodie die langzaam opengaat, dat wil zeggen die haar schoonheid niet direct prijsgeeft; hoe vaker men echter deze wijs zingt des te meer men haar voorname, adellijke rijkdom ervaart. Ze vraagt een verstrekkende adem en men moet tellen (tacteren) vanuit de kwartnoot, rustig de ruimte vullend met klank.

Auteur: Willem Vogel