Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

382 - O alle gij dorstigen, kom tot de stromen


Een eerste kennismaking

Een lied over de overvloed aan brood en wijn die wij om niet mogen ontvangen. De dichter van dit lied, Jan Wit, nam enkele verzen uit Jesaja 55 als uitgangspunt, de bekende uitnodigende profetie. De woorden van de NBG-vertaling zijn bijna letterlijk in strofe 1 overgenomen: ‘O, alle dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet.’ Boven het lied staat Jesaja 55,1-7, maar dat is toch iets te ruim. De strofen 1 en 2 zijn een bewerking van Jesaja 55,1-3a, de derde strofe van Jesaja 55,6-7. Dat deze tekst vanouds in verband wordt gebracht met het Avondmaal, heeft de dichter in de laatste regels aangegeven: ‘De vallende mensen die nu zich bekeren / zijn heiligen Gods aan de tafel des Heren.’
De lange tekstregels waren voor componiste Tera de Marez Oyens aanleiding om een ballade-achtige melodie te schrijven die vrolijk en zonder zorgen gezongen moet worden. Een vreugdevol lied, dat zijn plaats verdient in de liturgie als de Maaltijd van de Heer wordt gevierd. De oorspronkelijke titel van het lied (zie boven strofe 1) duidt deze functie aan.

Auteur: Pieter Endedijk


De Maaltijd des Heren

Jan Wit
Tera de Marez Oyens

Tekst

Deze toelichting is overgenomen uit ‘Een Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken’ (Amsterdam 1977) en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is.

Het begin van Jesaja 55, dat al van oudsher vaak is geciteerd in verband met het avondmaal, is in dit lied zo bewerkt dat er een echt avondsmaalslied is ontstaan. Daartoe was het wel nodig een gedeelte van de gehele perikoop buiten beschouwing te laten en met name de weergave van vers 6 en 7 geheel op de heilige Tafel te betrekken. Zo kwam ik tot de volgende indeling van de stof: Jesaja 55,1, strofe 1; vers 2 en 3a, strofe 2; vers 6 en 7, strofe 3.

Het rijmschema a-B-a-B-c-c komt vaak genoeg in psalmen en gezangenbundels, zoals wij die kennen, voor, maar door de afwijkende ritmische structuur ontstaat een voor het kerklied op zijn minst zeer zeldzame strofevorm. Ik hoop dat een aantal gemeenten dit lied, dat in mijn bundel Ministeriale (Haarlem 1966, blz. 35) ‘De tafel des Heren' heet, gaarne vóór, gedurende of na de dienst van de heilige Tafel zullen zingen. Overigens, hoewel de toespeling op het heilig Avondmaal zeer nadrukkelijk is, zou dit lied mijns inziens ook wel gezongen kunnen worden wanneer in de overige liturgie of in de prediking andere facetten van Jesaja 55 meer beklemtoond worden.

In de proefbundel 102 Gezangen (1964) kwam dit lied voor onder nr. 8.

Auteur: Jan Wit


Melodie

Bij het schrijven van deze melodie, was de moeilijkheid om bij het breed uithalende lied (regels van 11 en 12 lettergrepen!) geen langademige wijs te krijgen. Ik hoop daarin geslaagd te zijn met deze ballade-achtige zangwijs. De melodie moet vrolijk gezongen worden, niét te langzaam, en zonder zorgen. De omvang gaat niet buiten het octaaf , en de melodische lijn is vrij rustig en natuurlijk. Het afwisselend gebruik van bes’ en b’ (zoals in de vijfde regel) is in een dorische melodie (zoals deze er een is) een vrij veel voorkomend verschijnsel.

Auteur: Tera de Marez Oyens


Media

Uitvoerenden: Schola Davidica Utrecht o.l.v. Lisette Bernt; Gert Oost, orgel (bron: KRO-NCRV)