Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

389 - Het brood dat ons voor ogen staat


Jaap Zijlstra
Henry John Gauntlett
Tune: HAWKHURST

Tekst

Ontstaan

Het was Ad den Besten die Jaap Zijlstra vroeg een tekst te schrijven op een psalmzetting van Heinrich Schütz (1585-1672), bestemd voor de bundel Contrafacten (1988), nieuwe teksten op zettingen uit het Becker-Psalter (1628) door Heinrich Schütz. De sluitingsdatum was 31 december 1987. Pas toen alle kerstdrukte voorbij was, zette Zijlstra zich ertoe de opdracht uit te voeren. Drukking van de melk brengt boter voort. Hij wilde een avondmaalslied schrijven op de hem toebedeelde melodie en gelukkig, er viel hem een regel in: ‘De beker die de ronde doet, / het is de omloop van uw bloed ...’ Ook daarna liet de inspiratie hem niet in de steek. Op de valreep kon hij zijn bijdrage insturen. In een kerkblad schreef Den Besten dat hij Zijlstra’s liedtekst de mooiste in de hele bundel Contrafacten vond.

Vorm

Het lied is zeer gelijkmatig opgebouwd: vier coupletten van vier regels. Elke regel bestaat uit acht lettergrepen, vier jamben. Het eindrijm is gepaard, twee rijmklanken (staand) per couplet (A-A-B-B).

Inhoud

Strofe 1

In het eerste couplet wordt Christus aangesproken als ‘lieve Heer’. Het zet de toon van dit lied: intiem en heilig tegelijk. ‘Het brood dat ons voor ogen staat’ wordt gepersonifieerd met het woord ‘geduldig’ (regel 2), waaruit blijkt dat het om de lijdende Christus gaat. Zijn lichaam is niet gelijk aan het brood, maar neemt als het gebroken wordt de gedaante van brood aan tijdens de avondmaalsviering. De vergelijking met het manna, Israëls dagelijkse voedsel in de woestijn, is de eerste verwijzing in dit lied naar het Oude Testament.

Strofe 2

De dichter gebruikt in het tweede couplet het beeld van de bloedsomloop: de beker met wijn doet de ronde, zoals het bloed in ons lichaam ‘de ronde doet’, rondgepompt wordt door de hartslag die nodig is om alle delen van het lichaam te bereiken en van zuurstof te voorzien. Christus’ hartslag is ons leven. Door de samenhang en door de associaties met woorden van Paulus over gelovigen als leden van één lichaam (1 Korintiërs 12), mogen we deze beeldspraak zeer geslaagd noemen!

Strofe 3

In het derde couplet vinden we de tweede verwijzing naar het Oude Testament: de lippen, die door de wijn, het bloed van Christus, worden aangeraakt (regel 1), zijn object bij het beeld van de deurposten van ons bestaan (regel 2), een beeld dat natuurlijk verwijst naar de met bloed gemerkte deurposten van de Joodse huizen in Egypte, waar de engel des doods aan voorbijging (Pesach; Exodus 12,22-23). Zo gaat de dood aan ons hart voorbij (het paschamotief). De afsluitende regel ‘o Lam van God, U loven wij’ verwijst naar het Agnus Dei en naar Johannes, die in een visioen het Lam ziet dat dank en eer gebracht wordt (Openbaring 5,12-13). .

Strofe 4

In het laatste couplet komen brood (couplet 1) en wijn (couplet 2 en 3) bij elkaar in het broodhuis (regel 1) en de wijngaard (regel 2), beide beelden voor Christus, die samen een parallellisme vormen. In het woord broodhuis komen ook het Oude en het Nieuwe Testament bij elkaar: Betlehem betekent broodhuis en is de plaats waar Ruth haar toekomst hervond en de plaats waar Jezus geboren werd. Hij is het die ons drenkt en voedt . In deze volgorde vormen de woorden ‘drenkt’ en ‘voedt’ (regel 3) een chiasme met de woorden ‘broodhuis’ en ‘wijngaard': het eerstgenoemde (regel 1) correspondeert met het laatstgenoemde in regel 3 en het laatstgenoemde (regel 2) correspondeert met het eerstgenoemde in regel 3. Omdat Christus’ liefde voor ons onbegrensd is, wordt hij ten slotte onze overvloed’ genoemd.  

Auteur: René van Loenen


Melodie

Melodie zoekt tekst

Heinrich Schütz (1585-1672) wordt beschouwd als de belangrijkste componist van Duitse protestantse kerkmuziek vóór Johann Sebastian Bach (1685-1750). Zijn uitgebreide vocale oeuvre bevat onder andere madrigalen, motetten, passionen en toonzettingen van psalmen. Naast composities gebaseerd op de psalmen volgens de bijbeltekst, de cyclus Psalmen Davids (1619 en 1628), schreef hij ook muziek bij de psalmberijming van Cornelius Becker (1561-1604), het zogenaamde Becker-Psalter (1628/1640/1661). Meer over de achtergronden van dit Becker-Psalter is te lezen in de toelichting bij de melodie van Liedboek 612. De melodie van dat lied behoorde oorspronkelijk bij de berijming van Cornelius Becker van Psalm 138. Ook bij Liedboek 994 vinden we een melodie van Schütz, oorspronkelijk bij een deel van de berijming van Becker van Psalm 119.

Ter gelegenheid van het Schütz-jaar 1985, het vierhonderdste geboortejaar van de componist, ontstond het idee om bij een aantal melodieën van Schütz uit het Becker-Psalter nieuwe Nederlandse teksten te schrijven. Deze verzameling werd samengesteld door Ad den Besten en gepubliceerd als Contrafacten, een uitgave van de Stichting Centrum voor de Kerkzang (1988). Vanuit de gedachte dat Schütz zijn melodieën bij de daarbij behorende psalmtekst had gecomponeerd, werd aan hedendaagse dichters gevraagd te bezien of de corresponderende psalm elementen bevatte voor een nieuwe liedtekst, maar feitelijk werd aan de dichters alle vrijheid gelaten.

De meeste van de 66 liederen in Contrafacten hebben daarna niet hun weg kunnen vinden naar andere liedbundels. Enkele liedteksten komen later terug, maar dan weer met andere melodieën. Drie teksten komen in het Liedboek voor. Naast deze tekst van Jaap Zijlstra op een Engelse melodie Liedboek 119a, een berijming van een gedeelte van Psalm 119 door Sytze de Vries, nu op een melodie van Willem Vogel, en Liedboek 552, een lied van Hanna Lam voor Palmzondag, nu met de melodie van het adventslied ‘Nun jauchzet, all ihr Frommen’ van Johann Crüger (Liedboek 438).
Hoewel de muziek van Schütz van hoge kwaliteit is, geldt voor veel van de composities uit het Becker-Psalter dat het eerder koorliederen dan gemeenteliederen zijn. Dat is vaak te zien aan de grote ambitus van de sopraan (de melodie van het lied) en de versierde cadens aan het slot van de psalmzetting.
Van het laatste is Psalm 15 uit het Becker-Psalter een voorbeeld. Aan Jaap Zijlstra was Schütz’ toonzetting van Psalm 15 gegeven. Zijn tekst is echter geen bewerking van deze psalm, maar een avondmaalslied. Hieronder de eerste strofe van het lied met de muziek van Schütz:

Tekst zoekt melodie

Zoals hierboven beschreven: enkele liedteksten uit Contrafacten zijn hun eigen weg gegaan op andere melodieën die meer geschikt zijn voor gemeentezang. Dit geldt ook voor de tekst van het avondmaalslied van Jaap Zijlstra.

In Van harte brengen wij U lof (Kampen 1997), een bundeltje met dertig liederen van Jaap Zijlstra, is het lied als nr. 14 opgenomen met een eigen melodie van Ignace de Sutter:
Meer achtergronden over het ontstaan van deze melodie zijn niet bekend, maar opvallend is dat De Sutter zijn melodie letterlijk ‘gecomponeerd’ heeft, samengesteld. In deze melodie zijn citaten te herkennen van andere melodieën van zijn hand.
Zo zijn de eerste en derde regel nagenoeg letterlijk terug te vinden in de twee melodieën die hij schreef bij het lied ‘Ach Heer, geef vrede aan het land’ van Tom Naastepad (Het lied op onze lippen, Kampen 2003, nr. 97B en 97C) en doet de laatste regel sterk denken aan de derde regel van de melodie ‘Wie namens Jezus spreken mag’ van Jan Willem Schulte Nordholt (De woorden gezongen, ’s-Gravenhage 1982, nr. 25).
Of zijn de aan het gregoriaans gerelateerde melodiepatronen in de melodieën van De Sutter zo vanzelfsprekend? Hoe dan ook, deze melodie kan men snel verwarren met een andere. Een eigen gezicht ontbreekt hier.

De Evangelische Liedbundel (1999, nr. 290), en in navolging daarvan Weerklank (2016, gezang 331), koos bij de tekst van Jaap Zijlstra voor de melodie ‘Komm, Gott Schöpfer, heiliger Geist’ (zie Liedboek 670). Er zijn veel melodieën voor vierregelige coupletliederen met acht lettergrepen per regel (8-8-8-8), in de Engelse traditie long metre genoemd. Waarom deze melodie bij deze tekst? Er zijn al zo veel liederen met deze melodie. Zo krijgt het lied geen eigen gezicht.
De muziekcommissie van de liedboekredactie vond geen van de drie melodieën overtuigend genoeg bij de liedtekst van Jaap Zijlstra en zocht naar een andere melodie, in de hoop dat tekst en melodie een nieuw en gelukkig huwelijk konden aangaan.
Men trof een fraaie melodie aan in The New English Hymnal (1986, nr. 347), geschreven door Henry John Gauntlett bij de tekst ‘Come, gracious Spirit, heavenly Dove’ van Simon Browne (1680-1732). De melodie komt voor het eerst met deze tekst voor in de eerste uitgave van Hymns Ancient & Modern (1875, nr. 209). Het is denkbaar dat Gauntlett de melodie voor deze liedbundel schreef. Andere teksten met deze melodie zijn niet gevonden.
Het meest opvallende aan deze melodie zijn enkele, zelfs voor Engelse begrippen, grote sprongen. Zo zien we in de tweede regel een dalende septiem (d”-e’), in de derde regel tweemaal een dalende kwint – eerst de reine kwint b’-e’ en als slotinterval de verminderde kwint c”-fis’) – en tussen de derde en vierde regel een stijgende sext (fis’-d”). De gehele melodie is gebaseerd op de onderliggende harmonieën die Gauntlett schreef. Melodie en harmonieën vormen een eenheid. Deze vierstemmige zetting is zowel in de koorbundel als in de begeleidingsbundel bij het Liedboek opgenomen. De zetting is rijk gekruid met septiemakkoorden en tussendominanten. Vanwege de harmonische gang van het lied is een rustig tempo aan te bevelen: MM = ±84 voor de kwartnoot.

Auteur: Pieter Endedijk


Media

Video: ‘Come, gracious Spirit, heavenly Dove’ met de melodie HAWKHURST door het koor van York Minster o.l.v. Philip More (de fermate aan het einde van de tweede regel wordt in Nederland niet gezongen)