Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

395 - Op de avond, toen de uittocht


Een eerste kennismaking

De oorspronkelijke titel van dit lied was ‘kinderlied bij de maaltijdviering’. Een goed kinderlied is voor de hele gemeente en zeker niet kinderachtig of kinderlijk, maar wel kindvriendelijk.
Voor gemeenten waar het gebruikelijk is om door middel van een avondmaalscatechese de kinderen in te wijden in de betekenis van de Maaltijd van de Heer is dit lied uitstekend catechesemateriaal. Immers, alle aspecten van het avondmaal komen aan de orde.
Karel Deurloo begint zijn liedtekst met de viering van Pesach: ‘Op de avond, toen de uittocht uit Egypte werd gevierd’ (strofe 1). Op die avond heeft Jezus zijn mensen een geheim geleerd: het gebroken en gedeelde brood is een teken van zijn leven (strofe 2), de wijn een teken van vergeving (strofe 3). Gedenken is het verleden in het heden present stellen met het oog op de toekomst. In het avondmaal verwachten wij het toekomende: het feest waar allen vrij zijn, een feestmaaltijd door God aangericht (strofe 4).
Het lied kan in elke avondmaalsviering een plaats krijgen, maar in het bijzonder op Witte Donderdag. Want dat is de avond dat de uittocht uit Egypte wordt gevierd. Dan doen we wat we zingen: rondgaan met brood en wijn om vrolijk te zijn. De vrolijke melodie van Wim ter Burg verhoogt de feestvreugde.

Auteur: Pieter Endedijk


Karel Deurloo
Wim ter Burg

Tekst

Deze toelichting is overgenomen uit ‘Commentaar bij Zingend Geloven 7’ en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is.

Dit kinderlied bij de maaltijdviering gaat, net als in het sacrament van de Maaltijd des Heren, uit van Pesach, waarin de ‘uittocht uit Egypte werd gevierd’ (strofe 1). Het zijn verwijzingen naar Exodus 12, naar Matteüs 26,17 en de eschatologische maaltijd (Jesaja 25,6; Matteüs 26,29). Tijdens de Pesachviering werd de matse gebroken en ‘heeft Jezus aan zijn mensen een geheim geleerd’. Het geheim van zijn leven, zijn lijden en opstanding, zo legt hij daar aan zijn discipelen uit. Het brood van de maaltijd is ‘een teken van leven’(strofe 2), en de beker van de dankzegging is teken van vergeving, nu en telkens weer (strofe 3).
De liturgie van de dienst van de Tafel zegt: ‘Laten wij dan eten en drinken, want zo dikwijls wij dit brood eten en uit deze beker drinken, verkondigen wij de dood van de Heer, totdat Hij komt’. Strofe 4 vat dit alles in kinderlijke trant samen.
Het refrein bestaat uit woorden, die uitnodigen om in blijdschap te communiceren. Een helder en duidelijk lied voor catechese en viering; het is een goede zaak, dat die twee samen kunnen gaan.


Melodie

Op uitnodiging van het NCRV-programma Lied van de week schreef Wim ter Burg de muziek. In de voor zichzelf sprekende wijs van het eerste en laatste regelpaar zien we als stijlverschijnsel de toonherhaling bijna voortdurend optreden. In de regels 3 en 4 volgt Ter Burg melodisch het ‘binnenrijm’ in de tekst met een herhaling. Regel 5 is grotendeels gelijk aan de eerste. Het ritme kenmerkt zich door een ostinate figuur, alsof men onderweg is en de pas er in wil houden, maar dan wel in 3/4 maat…
De metrisch kortere refreinregels wordt meer ritmische rust gegund. De korte slotregel kreeg een kwartenmelisme, dat in de herhaling met achtsten een uitbreiding onderging. De toonsoort F grote terts laat de ambitus van de wijs geheel binnen haar melodische en harmonische grenzen (d’-d”).
Om het vrolijke karakter van het refrein te onderstrepen is een fluitpartijtje toegevoegd aan de eenvoudige begeleiding (zie de begeleidingsuitgave bij het Liedboek).
Dit blijde lied is – uiteraard! – niet alleen voor kinderen geschreven; de hele gemeente kan (moet!) erin participeren, zoals men ook samen met de kinderen de tekenen van brood en wijn tot zich neemt.


Media

Uitvoerenden: The Young Voices Putten o.l.v. Gerrie de Glint; Eric-Jan van der Hel, orgel

Video: Liedboek 395 door Els Beelen, zang; Vincent van Laar, orgel (strofen 1, 4)