Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

402a - Wij zegenen U, Vader (Vogelmis)


Een eerste kennismaking

Liedboek 402a is een onderdeel van de ‘Vogelmis’ van Willem Vogel. De andere onderdelen van dit ordinarium zijn Liedboek 299d, 339c, 404d en 408d. Zie voor meer informatie het overzichtsartikel Het ordinarium in het Liedboek.


Lofgebed uit de Didachè

Het ordinarium in het Liedboek Tafelgebed
Willem Vogel

Tekst

Ontstaan en verspreiding

Dit tafelgebed is van het beracha-type en bevat de letterlijke tekst uit hoofdstuk IX van de Didachè. (Zie het overzichtsartikel over het tafelgebed.)
Het werd voor het eerst gepubliceerd als onderdeel van het Oecumenisch Ordinarium (Proeve van het Oecumenisch Ordinarium, Amsterdam 1968). Deze uitgave bevatte vijf deeltjes met toonzettingen van respectievelijk Freek Houtkoop, Frits Mehrtens, Ignace de Sutter, Bernard Huijbers en Willem Vogel. Bij de werkgroep die in de jaren 1962 en 1963 de drie deeltjes van de Adem van het Jaar had gepubliceerd, was namelijk de behoefte gegroeid om ‘ook voorstellen te doen voor de vaste en telkens terugkerende delen van de ‘hoofddienst’. Deze werkgroep bestond uit een breed en oecumenisch samengesteld team: Willem Barnard (predikant in Roozendaal), Rudolf Boon (Landsmeer), L. Brink (Velsen/IJmuiden), G.F.W. Herngreen (Duinoordkerk Den Haag, daarna Arnhem), Tom Naastepad (Araunaparochie Rotterdam), Huub Oosterhuis (rooms-katholieke studentenparochie Amsterdam en Werkgroep voor Volkstaalliturgie), Tim Overbosch (‘Matinen’ Amsterdam-Zuid), Hans van der Werf (jeugdpredikant Utrecht) en W.P. ten Kate (destijds voorzitter van de Liturgische Kring). Met de voorstellen voor zo’n ordinarium was in de loop der jaren geëxperimenteerd in diverse ‘proefparochies in den lande’.

Wat betreft het Didachè-gebed: opmerkelijk is de plaats die daaraan in het Oecumenisch Ordinarium wordt gegeven. Het fungeert niet als zelfstandig tafelgebed – daarvoor werden acht uitvoerige tafelgebeden (van het anaphora-type) gepresenteerd voor de diverse tijden van het kerkelijk jaar. De Didachè-tekst is een alternatief voor het Lam Gods (Agnus Dei). In de rubriek staat de vermelding: ‘Voor een zegening van den HEER tijdens de breking van het brood gebruike men bij voorkeur het lofgebed uit de Didachè, indien niet gezongen dan in wisselspraak gezegd’. De Toelichting en Verantwoording motiveert de reden: ‘Of dat (het Agnus Dei als ‘vast stuk’ van het ordinarium – kj) wel zo vanzelfsprekend is, mag tot op zekere hoogte betwijfeld worden, want (…) onder de dekmantel van het ‘Lam Gods’ kunnen (…) eigenzinnige theologoumena schuil gaan’ (blz. 46).

In het gemeenteboekje Onze Hulp (Amsterdam 1978), dat de Van der Leeuw-stichting tien jaar later als ‘een bijgewerkte ‘herdruk’’ uitgeeft, is de ‘Zegening uit ‘Het onderricht der apostelen’’ opnieuw een onderdeel in de toeleiding naar de communie (blz. 34-35; 49; 70-72). De tekst kan gezegd of gezongen worden na het Lam Gods en de vredegroet en direct voorafgaand aan de gemeenschap van brood en wijn.

In Dienstboek – een proeve, deel I (Zoetermeer, 1998) heeft de tekst uit de Didachè ook een plaats, maar dan als zelfstandig tafelgebed (nr. 40, blz. 327-328) en ook in zijn volledige vorm, dat wil zeggen in de bewoordingen van hoofdstuk IX én X. Als bron noemt het Dienstboek een speciaal nummer van de Theologische Etherleergang Rondom het Woord 34 (1992) nr. 3, blz. 56-57. Het nummer had als titel Het spel en de regels en behandelde stap voor stap de zondagse liturgie volgens het Oecumenisch Ordinarium (onder redactie van Hans Blankesteijn). Als vertalers van het Didachè-gebed worden daar Kleijs Kroon, Tim Overbosch en Hans Blankesteijn genoemd. Het Dienstboek biedt tevens een toonzetting van dit volledige Didachè-tafelgebed: Liturgische Gezangen 92 (blz. 677-681).

In Liedboek 402a hebben we alleen met de korte versie te doen: het gebed uit hoofdstuk IX van de Didachè.

Toelichting bij de tekst

Strofe 1

In de eerste strofe wordt God, die ‘Vader’ wordt genoemd, gezegend ‘vanwege de heilige wijnstok, David, uw knecht, waaraan Gij ons deel hebt gegeven door Jezus, uw dienaar’. Het is op het eerste gezicht niet direct duidelijk wat met deze zin bedoeld wordt. Hoezo is David de heilige wijnstok? Krijgen wij deel aan David? Heeft Jezus die aan ons bekendgemaakt? En waarom wordt zowel David als Jezus ‘knecht’ of ‘dienaar’ genoemd?
Het beeld van de wijnstok kennen we vooral uit Johannes 15, waar Jezus zichzelf de ‘ware wijnstok’ noemt (15,1.5). God is daar de landman die zorgt voor de wijnstok als een kostbaar bezit, en de leerlingen zijn de ranken, die voor hun leven geheel afhankelijk zijn van de wijnstok.
Maar ook in het Oude Testament komt het beeld van de wijnstok verschillende keren voor. In Psalm 80,9-10 wordt het volk Israël vergeleken met een wijnstok die door God wordt onderhouden. Hetzelfde beeld wordt gebruikt om de tijd van voorspoed, welvaart en vrede onder koning David (en Salomo) te karakteriseren: de inwoners van Juda en Israël, konden toen ‘van Dan tot Berseba onbezorgd onder hun wijnrank en vijgenboom zitten’ (1 Koningen 5,5). Het zitten onder de wijnrank of vijgenboom werd bij de profeten het beeld van de messiaanse toekomst van vrede en recht (zie onder andere Micha 4,3-4 en Zacharia 3,10). Met de ‘heilige wijnstok’ wordt dus die beloftevolle toekomst bedoeld, die onder koning David al deels gestalte kreeg en die door Jezus ten volle gerealiseerd zal worden. Daaraan krijgen wij deel door Jezus, Gods ‘dienaar’, en van wie David, Gods ‘knecht’, een voorafbeelding was. Overigens wordt voor ‘knecht’ en ‘dienaar’ in het Grieks hetzelfde woord paidos gebruikt, dat ook met ‘kind’ te vertalen is.
De aanduiding ‘dienaar’ of ‘dienstknecht’ voor Jezus roept de liederen op over de lijdende dienaar van de Heer in het boek van de tweede Jesaja, met name hoofdstuk 53. We vinden deze titel verder in twee preken van de apostel Petrus (Handelingen 3,13; 4,27.30). Dat ook David Gods ‘dienaar’ genoemd wordt, is niet vreemd, want zo wordt hij vaak genoemd in de boeken van Samuël, Koningen en Kronieken, bij de profeten en in de psalmen (onder andere 1 Samuël 19,4; 1 Koningen 8,24-26.66; 11,13.32.34.36.38; 14,8; Jesaja 37,35; Jeremia 33,22.26; Ezechiël 34,23-24; Psalm 18,1; 36,1; 78,70; 132,10; 144,10; zie ook Lucas 1,69 en Handelingen 4,25).

Strofe 2

De tweede strofe heeft dezelfde zinsopbouw als de eerste: God wordt nu gezegend ‘vanwege het leven en de kennis, waaraan Gij ons deel hebt gegeven door Jezus, uw dienaar’. Het leven en de kennis worden bemiddeld door Jezus. Hij heeft ons, als niet-joden, toegang gegeven tot de manier van leven, die in de Thora en de profeten beschreven staat, en Hij heeft ons laten zien hoe wij deze levenswijze ten uitvoer kunnen brengen door God en onze naaste lief te hebben.
‘Leven’ en ‘kennis’ – in het Grieks staan hier de woorden zoè en gnosis. Ze doen denken aan de taal van het Johannesevangelie. ‘Leven’ is daar een van de eerste aanduidingen van de betekenis van Jezus: ‘In het Woord was leven en het leven was het licht voor de mensen’ (Johannes 1,4). In Hem heeft ieder die gelooft eeuwig leven (3,15). Hij is het brood dat leven geeft (6,48), de weg, de waarheid en het leven (14,6), enzovoort. En het is door de Zoon dat wij de Vader mogen kennen (1,18; vergelijk 8,19; 14,7). Ook Paulus spreekt geregeld over de kennis van God en van Christus (bijvoorbeeld Efeziërs 4,13; Kolossenzen 1,10; 2,2). Eigenlijk verwoordt strofe 2 dus dezelfde betekenisinhoud als strofe 1: God geeft ons door Jezus, zijn dienaar, deel aan het volmaakte, eeuwige leven dat bestaat in zijn koninkrijk van vrede en recht.

Strofe 3

Het gebed verandert nu van toon: de zegening en de lofverheffing maken plaats voor smeking, voor het gebed dat God eens zijn gemeente (Grieks: ekklesia) in zijn koninkrijk zal bijeenbrengen. Daarvoor wordt het beeld gebruikt van het gebroken brood dat eerst verstrooid was over de bergen en nu wordt samengebracht. Het beeld gaat onder meer terug op 1 Korintiërs 10,17, waar Paulus spreekt over het ene brood waaraan wij, hoewel wij met velen zijn, deel hebben, want wij vormen het ene lichaam van Christus. Maar het verstrooid en verzameld worden doet ook denken aan het volk Israël. In de ballingschap leefde het in de verstrooiing en de profeten voorzeggen dat God het eens weer zal samenbrengen en zal hoeden als een herder (Jesaja 11,12; Jeremia 29,14; 31,10; 32,37; Ezechiël 11,16-17; 34,5-6.12-13; Micha 2,12). Het bijeenbrengen van de uitverkorenen vanuit de vier windstreken van de aarde is precies datgene wat de Mensenzoon zal doen als Hij wederkeert (Matteüs 24,31; Marcus 13,27). Ook in deze strofe is dus weer sprake van die eschatologische, messiaanse toekomst die gerealiseerd wordt in het koninkrijk van God. De gemeente die bijeen is rond brood en wijn, mag hiervan nu reeds een voorproef ervaren.

Acclamatie

De strofen worden steeds beantwoord door een lofprijzende acclamatie. De eerste twee keer luidt deze: ‘U zij de heerlijkheid in alle eeuwen’. In deze woorden klinken Bijbelse doxologieën door, die we onder meer vinden in 1 Kronieken 29,11; Romeinen 11,36; 16,27; Galaten 1,5; Filippenzen 4,20; 1 Timoteüs 1,17; 2 Timoteüs 4,18 en Hebreeën 13,21.
De derde acclamatie is iets uitgebreider: ‘Want U is de heerlijkheid en de kracht door Jezus Messias in alle eeuwen der eeuwen’. Ze verwoordt bijna letterlijk de afsluiting van het Onze Vader (Matteüs 6,13). De woorden doen ook denken aan doxologieën in Judas vers 25 en Openbaring 1,6. Een toevoeging is hier nog: ‘door Jezus Messias’. De gemeente zegent en eert God door zijn dienaar Jezus Christus. Door Hem kan zij God verheerlijken, door Hem krijgt zij deel aan zijn koninkrijk.

Liturgisch gebruik

Kan het lofgebed uit de Didachè als zelfstandig tafelgebed dienen? Zo wordt het in ieder geval in het Liedboek gepresenteerd, maar het vraagt wel om een context.
Wie kiest voor een korte avondmaalsviering, kan dit gebed gebruiken en er bijvoorbeeld een inleidende beurtspraak aan vooraf laten gaan en er het Onze Vader, de vredeswens en de communie op laten volgen.
Wie ervoor kiest om ook de instellingswoorden te doen klinken, kan deze een plaats geven voorafgaand aan de Didachè-tekst of ze zeggen bij de communie.
Ook mogelijk is de ordening die we vinden in het Oecumenisch Ordinarium en Onze Hulp, waarbij eerst een tafelgebed in de anaphora-vorm klinkt, gevolgd door het Onze Vader, de vredeswens en dan het Didachè-gebed. Dat is dan direct de opmaat voor de communie.
Ten slotte vermelden we nog de mogelijkheid die het Dienstboek – een proeve, deel I aanbiedt in de proeve van een lerende orde (De Maaltijd van de Heer – B, blz. 175-182). Daar wordt het Didachè-gebed gesuggereerd na de inzettingswoorden. Vervolgens klinken het gebed om de heilige Geest, eventueel intercessiegebeden, en het Onze Vader, waarna de communie plaatsvindt.

Auteur: Ko Joosse


Melodie

Voor een bespreking van de melodie: zie Liedboek 299d.