Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

403c - Danken wij de goede God


Van alle dagen deze morgen

Tafelgebed
Bart Robbers
Paul Schollaert

Tekst

Ontstaan en verspreiding

Bart Robbers schreef dit tafelgebed (volgens zijn eigen aantekening) op 11 februari 1995 als ‘een (gedeeltelijk) gezongen tafelgebed waarvan de woorden heel goed door kinderen in de mond genomen kunnen worden’. In dat jaar was de redactie Dienstboek (van de toen nog zo geheten Samen-op-Weg-kerken) op zoek naar geschikte tafelgebeden, onder andere voor kinderen. Het tafelgebed werd beproefd tijdens de Kerkmuziekdagen in Hoeven in de zomer van 1995. Op grond van de ervaringen daar werd de tekst herzien. De opname van het tafelgebed in Dienstboek – een proeve ging niet zonder slag of stoot, omdat de redactie Dienstboek aanvankelijk vond dat de gebedsstijl niet overal even herkenbaar was en er theologische bezwaren waren tegen de vlakke inhoud van het refrein (alsof de kring rond de tafel primair door ons gevormd zou worden en niet door Christus als gastheer). Na aanpassing, waarbij overigens het refrein ongewijzigd bleef, werd het als tafelgebed 31 opgenomen in Dienstboek – een proeve (Zoetermeer 1998, blz. 304-306; Liturgische gezangen 91, blz. 669-676).
De liedboekredactie vond het tafelgebed wel lang, maar koos het vanwege de opgewekte muzikale uitstraling en het sterke catechetische karakter.

Opbouw

Het tafelgebed vertoont de anaphora-structuur (zie het overzichtsartikel over het tafelgebed) en bevat de belangrijkste elementen die daarvoor kenmerkend zijn: een prefatie waarin de dankzegging tot uiting komt, een verwijzing naar de lofzang van het Heilig (Sanctus), de gedachtenis van Jezus Christus, de instellingswoorden en een – zij het heel korte – epiclese.
Het vierregelige refrein geleedt het gebed. Het (kinder-)koor zet ermee in aan het begin, in de prefatie wordt het hernomen door allen. Daarna klinkt het nog driemaal en op het eind opnieuw, maar dan als het ware ‘getransformeerd’. Verder klinken er nog drie andere, korte acclamaties, en een vierregelige tekst die door allen gezongen wordt, maar te lang is om nog een acclamatie te noemen.

Toelichting bij de tekst

Regel 1-2: oproep en instemming

     1     Danken wij de goede God!
     2     Ja, wij willen voor Hem zingen:

De tekst begin met een oproep van de voorganger: ‘Danken wij de goede God’. Deze wordt instemmend beantwoord: ‘Ja, wij willen voor Hem zingen’. Daarmee is de toon gezet voor de rest van het gebed.

Regel 3-6: plaatsbepaling

     3     van alle dagen deze morgen,
    
4     van heel de wereld deze plaats
     5     van alle gaven brood en beker,
     6     van alle mensen jij naast mij.

Dan volgt de tekst die verderop als acclamatie gaat dienen. De inhoud is een soort plaatsbepaling. De gemeente die dit tafelgebed zingt (in de rolverdeling van voorganger, koor, allen), realiseert zich haar plaats en zet zichzelf in een grotere context. Dit gebeurt in de dimensies van tijd en ruimte en in relatie tot de dingen en de mensen.

Regel 3: ‘Van alle dagen deze morgen’ – zo wordt de ‘historische’ context verwoord. De gemeente komt op déze (zondag)morgen bijeen, op de eerste (of de achtste) dag van de week, in ieder geval op dit specifieke moment van deze dag. Deze morgen, deze dag wordt als het ware uitgezonderd van alle andere dagen van de week en van het jaar, van een mensenleven, van heel de geschiedenis.

Regel 4: ‘van heel de wereld deze plaats’. Het is in deze ruimte, in dit kerkgebouw dat de gemeente samenkomt. ‘Deze plaats’ – de uitdrukking doet denken aan het Hebreeuwse woord maqoom, mokum. Als Jakob in Betel droomt over de ladder waarlangs engelen omhoogstijgen en afdalen, zegt hij als hij wakker wordt: ‘Op deze plaats is de Heer aanwezig. (…) Wat een indrukwekkende plaats is dit, dit is niets anders dan het huis van God, dit moet de poort naar de hemel zijn!’ (Genesis 28,16-17). Op deze morgen, op deze plaats wil God de bijeengekomen gemeente ontmoeten.

Regel 5: ‘van alle gaven brood en beker’. Dat is wat er voorafgaand aan de Maaltijd van de Heer gebeurt: bij de inzameling van de gaven worden brood en wijn afgezonderd en bestemd om te dienen als tekenen van zijn aanwezigheid. ‘Brood en beker’ – ze worden aangedragen als ‘de eerstelingen van de schepping’ (Ireneüs van Lyon, ±140-±202). Van alles wat ons door God gegeven is, zijn het dit brood en deze beker die wij aan Hem teruggeven om ze, vervuld door zijn Geest, weer geschonken te krijgen als de tekenen van het Lichaam en Bloed van Christus.

Regel 6: ‘van alle mensen jij naast mij’. Van alle mensen die Gods kinderen zijn, zijn wij het die onszelf als Gods evenbeeld in elkaar mogen herkennen. ‘Jij naast mij’: ik ben jouw en jij bent mijn naaste.

Wat hier in deze vier regels gebeurt, is dat er steeds iets apart wordt gezet. Zo wordt het gewone buiten-gewoon, het wordt heilig gemaakt, geheiligd, aan God toegewijd.

Regel 7-14: dank om Gods schepping

     7      God, die alles hebt geschapen,
     8      het geheim van het morgenlicht
    
9      en de zon hoog aan de hemel,
     10    lucht voor vogels, vrije zielen,
     11    helder water voor de vissen –
     12    heel de aarde een mensentuin:
     13    Zelf gaf U ons stem en woorden
     14    om te zingen: ‘God is goed!’

Regel 7-11: Wat tot nu toe klonk, kunnen we karakteriseren als voorbereiding op het echte gebed. God wordt nu expliciet aangesproken. Hij is de Schepper van al wat bestaat: het licht, de zon, de lucht, het water, heel de aarde. We horen in deze ‘prefatie’ het scheppingsverhaal uit Genesis 1 doorklinken. Het eerste wat God schiep was het licht, het licht dat elke morgen het duister verdrijft en dat altijd weer vol geheim is. Van de hemellichamen wordt de zon genoemd en van de schepselen op aarde de vogels in de lucht en de vissen in het water. Psalm 8,8-9 resoneert hier: ‘de vogels aan de hemel, de vissen in de zee en alles wat trekt over de wegen der zeeën’ – dat alles getuigt van Gods machtige naam en luister. De vogels worden getekend als ‘vrije zielen’. Ze zijn immers beweeglijk, licht en lijken nauwelijks gebonden aan de wetten van de zwaartekracht. Jezus wijst in de Bergrede op deze schepselen als Hij zijn hoorders oproept om zich niet zulke grote zorgen te maken: ‘Het is jullie hemelse Vader die ze voedt. Zijn jullie niet meer waard dan zij?’ (Matteüs 6,26). Van het water wordt gezegd dat het helder is – zo is het inderdaad geschapen, maar impliciet wordt hiermee ook uitgedrukt dat dat tegenwoordig niet meer vanzelfsprekend is.

Regel 12: Alles wordt dan samengevat in de regel: ‘heel de aarde een mensentuin’. In de eerste versie (januari 1995) stond hier: ‘en een tuin voor jou en mij’, maar dat was te eng, te zeer op de eigen kring gericht. De hele aarde is door God bedoeld als een tuin voor mensen (zie het tweede scheppingsverhaal, Genesis 2,8-17).

Regel 13-14: Deze mensen hebben van God het vermogen gekregen van de taal (‘stem en woorden’), taal om te spreken, om met elkaar te communiceren en alles wat in de schepping gebeurt te duiden, maar eerst en bovenal om God te loven, om te zingen: ‘God is goed!’ De mens is bedoeld om God de eer te geven die Hem toekomt. En daarmee is de inclusie gemaakt met het begin van dit tafelgebed (regel 1-2), waar juist tot de dankzegging en lofprijzing opgeroepen werd.

Regel 15-18: refrein

     15    Van alle dagen deze mogen,
     16    van heel de wereld, deze plaats,
     17    alle gaven brood en beker,
     18    van alle mensen jij naast mij.

Regel 19-26: Heilig

     19    Zoals overal ter wereld,
     20    zoals overal de mensen
     21    met verbazing en ontzag
     22    zeggen wij hier: ‘Heilig, heilig,
     23    heilig is de Heer van allen,
     24    en gezegend Hij die komt.
     25    Heilig is de Heer van allen,
     26    en gezegend Hij die komt.’

Regel 19-22: Net als in andere anaphora-gebeden loopt ook hier de dankzegging uit in de lofzang van het ‘Heilig’ (Sanctus). Het zingen gebeurt in verbondenheid met de kerk van alle plaatsen: ‘zoals overal ter wereld, zoals overal de mensen…’. Het is opvallend dat er geen verbinding wordt gemaakt met de kerk van alle tijden, en er wordt ook niet verwezen naar de hemelse liturgie waar de engelen en machten en krachten voor Gods troon de lofzang gaande houden. Verder valt op dat er gesproken wordt over ‘zeggen’, maar misschien mogen we het verstaan zoals het Latijnse dicere, dat ook (be)zingen kan betekenen. Wel worden de emoties uitgedrukt van waaruit de lofzang opkomt: ‘verbazing en ontzag’.

Regel 22-23: ‘Heilig, heilig, heilig is de Heer van allen’. Met ‘de Heer’ wordt ‘de goede God’ (regel 1) bedoeld, ‘die alles heeft geschapen’ (regel 7-12), en in ‘allen’ zijn de mensen ‘overal ter wereld’ besloten. Tweemaal ‘overal’ (regel 19, 20) en tweemaal ‘de Heer van allen’ (regel 23, 25) – daarmee is de universele reikwijdte van de lofzang aangegeven.

Regel 24: Met ‘… en gezegend Hij die komt’ komt Jezus in beeld.

Regel 23-24 geven zo op een uiterst bondige manier de klassieke tekst van het ‘Heilig’ weer. En zoals het ‘Hosanna in den hoge’ in de klassieke tekst een keer herhaald wordt, zo gebeurt dat hier ook met deze twee regels (r. 25-26).

Regel 27-30: refrein

     27    Van alle dagen deze mogen,
    
28    van heel de wereld, deze plaats,
     29    alle gaven brood en beker,
     30    van alle mensen jij naast mij.

Regel 31-38: anamnese

     31    Zo gezegend als die ene
     32    is er nooit in heel de wereld,
     33    is er nooit van alle dagen
     34    is er nooit een mens geweest,
     35    nooit een mens geweest als deze:
     36    Jezus Christus, Hij, uw Zoon.
     37    Nooit een mens geweest als deze:
     38    Jezus Christus, Hij, uw Zoon.

Met de woorden ‘Zo gezegend als die ene’ wordt aangehaakt bij het gedeelte dat zojuist bij het ‘Heilig’ gezongen is (regel 24). In de regels die hierna volgen, wordt de volstrekte uniciteit van ‘die ene’ benadrukt. Viermaal wordt het ontkennende ‘nooit’ gebruikt: ‘nooit in heel de wereld’ (ruimte), ‘nooit van alle dagen’ (tijd), ‘nooit een mens (…), nooit een mens als deze’ (persoon). Met andere woorden: er is geen mens op de hele wereld en in heel de geschiedenis zo gezegend geweest als deze mens: ‘Jezus, Christus, Hij, uw Zoon.’ Met grote nadruk wordt deze mens Jezus beleden als de Christus, als de Zoon van God. Alle aandacht wordt op Hem geconcentreerd.
Deze (geloofs)belijdenis krijgt nog eens extra accent door de herhaling ervan in regel 37-38.

Regel 39-42: refrein

     39    Van alle dagen deze mogen,
     40    van heel de wereld, deze plaats,
     41    alle gaven brood en beker,
     42    van alle mensen jij naast mij.

Voor de derde keer wordt nu het refrein herhaald en door de voorgaande passage over die ene unieke mens Jezus begint dit iets anders te klinken, krijgt het als het ware een andere kleur, in ieder geval de laatste regel: ‘van alle mensen jij naast mij’. Die ‘jij’ zou zomaar ook Jezus kunnen zijn.

Regel 43-50: vervolg van de anamnese

     43    Altijd wist Hij waar verdriet was,
     44    wie alleen was, kende Hij.
     45    Feesten heeft Hij opgevrolijkt,
     46    in zijn hand werd water wijn.
     47    Met twee vissen en vijf broden
     48    leerde Hij de mensen leven
     49    voor elkaar zo goed als God.
     50    Voor elkaar zo goed als God.

Alle aandacht is nu gevestigd op die ene mens Jezus Christus. Over Hem worden in de volgende regels enkele gebeurtenissen verteld, heilsgebeurtenissen.

Regel 43: ‘Altijd wist Hij waar verdriet was’. In de evangeliën en in heel het Nieuwe Testament wordt Jezus getekend als de brenger van Gods blijde boodschap. Hij ging naar mensen die pijn en verdriet hadden en door zijn helende aanwezigheid verkeerde pijn in genezing en verdriet in vreugde. Om maar een enkel voorbeeld van het laatste te noemen: de opwekking van de jongeman van Naïn (Lucas 7,11-17) en het dochtertje van Jaïrus (8,40-56).

Regel 44: ‘wie alleen was, kende Hij’. Hier komen mensen in beeld als de door onreine geesten bezeten man in het gebied van de Gerasenen (Marcus 5,1-20), de man die al achtendertig jaar ziek was en in Betzata (ook wel Betesda, Betsaïda) eenzaam wachtte op genezing (Johannes 5,1-18), de vrouw die op overspel betrapt werd (8,1-11) en de blindgeborene die na zijn genezing uit de gemeenschap werd gestoten (9,1-41).

Met de feesten die Jezus opvrolijkte (regel 45) worden de maaltijden bedoeld, waar Hij ofwel zelf gastheer was (bijvoorbeeld Matteüs 9,10-13) of waarvoor Hij als gast werd uitgenodigd, bij Farizeeërs (Lucas 7,36-50; 14,1-14) of bij tollenaars zoals Levi (Marcus 2,15-17) of Zacheüs (Lucas 19,1-10).

Regel 46 (‘in zijn hand werd water wijn’) duidt op het wijnwonder tijdens de bruiloft in Kana (Johannes 2,1-11), en met regel 47-49 (‘Met twee vissen en vijf broden…’) wordt het verhaal van de wonderbare broodvermenigvuldiging voor de vijfduizend man opgeroepen (Matteüs 14,13-21; Lucas 9,10-17; Johannes 6,1-13). Door de mensen het weinige dat ze hebben te laten delen, leerde Hij hun ‘voor elkaar zo goed als God’ te zijn (vergelijk weer de aanhef van regel 1 en ook regel 14).
Door deze regel te herhalen als een acclamatie van de gemeente (regel 50) stemt de gemeente met deze opdracht in. Zij engageert zich ermee om inderdaad ‘voor elkaar zo goed als God’ te zijn.

Regel 51-54: refrein

     51    Van alle dagen deze mogen,
     52    van heel de wereld, deze plaats,
     53    alle gaven brood en beker,
     54    van alle mensen jij naast mij.

In de gemeentebundel van het Liedboek is dit niet zichtbaar, omdat de tekst niet is afgedrukt, maar wel in de uitgave die als bron voor het Liedboek heeft gediend, Dienstboek – een proeve (blz. 305; 673): het ‘jij’ in de laatste regel staat nu met een hoofdletter. Ons vermoeden was dus juist. Jezus is inderdaad onze naaste!

Regel 55-58: samenvatting en slot van de anamnese

     55    Hij naast ons. Zijn hele leven
     56    gaf Hij weg als een geschenk
    
57    tot de dood toe voor zijn vrienden
     58    licht en leven, wijn en brood.

Dat met de laatste regel van het refrein, ‘van alle mensen jij naast mij’ Jezus bedoeld is, wordt in regel 55 bevestigd: inderdaad, ‘Hij naast ons’. Niet ‘Hij tegenover ons’, maar ‘Hij naast ons’. Jezus is een van alle mensen, Hij is een van ons, een mens zoals jij of zoals ik.
Maar toch ook, zoals aan het begin van de anamnese (regel 31-38) al gezegd: ‘nooit een mens als deze’, want Hij is het die zijn leven opofferde voor de ander, Hij gaf zichzelf, zijn hele leven, weg als een geschenk, tot in de dood. Hier wordt het leven en de dood van Jezus in één zin samengevat: zelfgave, zelfopoffering om ‘voor zijn vrienden licht en leven, wijn en brood’ te zijn.
Deze regels – door allen gezongen! – bekrachtigen nog eens de instemming. Ze zijn opnieuw een belijdenis, omdat degenen die dit zingen, aangeven wat Jezus voor hen betekent. Dat Hij zijn hele leven weggeeft, totterdood, maakt dat zij mogen delen in zijn licht, in zijn leven, in de tekenen van brood en wijn.

Regel 59-68: instellingswoorden

     59    Zo heeft Hij de laatste avond
     60    dat Hij met hen samen was,
     61    zelf het brood voor hen gebroken
     62    en gezegd: ‘Dit is mijn lichaam.
     63    Neem het, eet en denk aan Mij.’
     64    Vol met wijn schonk Hij de beker,
    
65    loofde U en gaf hem rond.
     66    ‘Als je deze beker rondgeeft,
     67    deel je in mijn dood en leven,
     68    deel je in mijn nieuw verbond.’

Nu volgt het instellingsverhaal, sober en in eenvoudige bewoordingen verteld. Regel 64-65 luidden in de eerste tekstversie aldus: ‘Fonkelend schonk hij de beker, vol met wijn, rood als zijn bloed’. Wat er nu staat, is taalkundig beduidend beter.

Regel 69-72: eucharistische acclamatie

     69    Als wij brood en wijn rondgeven,
     70    delen wij zijn dood en leven,
     71    Delen wij zijn nieuw verbond.
     72    Maranatha! Tot Hij komt.

De reactie op de instellingswoorden wordt ingezet door het koor: ‘Als wij brood en wijn rondgeven’ en aangevuld door allen: ‘delen wij zijn dood en leven’. Daarmee wordt beaamd wat Jezus zelf bij het rondgeven van de beker heeft gezegd. Het koor neemt dat op zijn beurt weer over: ‘delen wij zijn nieuw verbond’. Daarop volgt dan de door allen gezongen acclamatie ‘Maranatha! Tot Hij komt’.
‘Maranatha’ is het Aramese woord dat zowel een belijdenis kan zijn: ‘Onze Heer is gekomen’, als een bede: ‘Kom, onze Heer!’ In de Schrift treffen we deze uitroep aan bij Paulus aan het eind van zijn eerste brief aan de Korintiërs (16,22) en in het voorlaatste vers van het boek Openbaring (22,20). We komen het ook tegen in het tafelgebed van de Didachè (X, 6). Het is een verzuchting, er spreekt een verlangen uit naar de spoedige komst van Gods koninkrijk. En ‘tot Hij komt’ moeten we het doen met zijn maaltijd waarin Hij ons doet delen in ‘licht en leven, wijn en brood’.

Regel 73-75: epiclese

     73    Geest van God, help ons te leven
     74    door dit brood en deze wijn
     75    als die mens van alle mensen:

Het gebed was tot nu toe steeds tot God de Vader gericht, maar nu wendt de gemeente zich tot de Geest van God. Brood en wijn, voedsel en drank houden ons op de been als wij proberen te leven zoals Jezus het ons geleerd heeft: door net als Hij voor elkaar zo goed als God te zijn. Aan de heilige Geest wordt gevraagd ons daarbij te helpen. Brood en wijn zijn de middelen die ons, steeds als wij ze ontvangen, aan de levenswijze van ‘die mens van alle mensen’ doen herinneren.

Regel 76-79: afsluiting

     76    Na deze morgen alle dagen
     77    op deze plaats en waar ter wereld
     78    van nu af gevend vele gaven
     79    van alle mensen wij naast Hem.

Nog één keer klinkt de acclamatie, maar nu in andere bewoordingen. Er is iets gebeurd, er is iets veranderd. Na deze morgen, waarop wij zijn maaltijd gevierd hebben, zullen alle dagen anders zijn. Voortaan zullen wij hier en overal de naaste van Jezus proberen te zijn. En dat zijn wij door ‘vele gaven’ te geven, door dus met elkaar te delen. Dan staan ‘wij naast Hem’.

In een rubriek wordt nog aangegeven om, als dit tafelgebed op Witte Donderdag gebruikt wordt, de tijdsaanduiding ‘Van alle dagen deze morgen’ in de acclamatie te vervangen door ‘Van alle dagen deze avond’, en aan het slot in plaats van ‘Na deze morgen’ te zingen: ‘Na deze avond’. Het tafelgebed krijgt daarmee juist aan het begin van de Drie dagen van Pasen een extra lading.

Samenvattend: we hebben hier te doen met een tafelgebed, gesteld in een eenvoudige, herkenbare taal en daardoor zeker ook toegankelijk voor kinderen, maar ondertussen bepaald niet kinderlijk! Het lijkt aanvankelijk enigszins aan de oppervlakte te blijven. Met name door de herhaling van de acclamatie krijgt het echter – al zingend, al biddend – een diepere betekenis. Er wordt, bijna ongemerkt, toegewerkt naar een climax. Onder de mensen die wij als naasten ontmoeten, bevindt zich die ene mens Jezus, die de Christus genoemd wordt, de Zoon van God. Hij is onze naaste bij uitstek. Hij leert ons te leven door voor elkaar zo goed als God te zijn. De maaltijd waarbij dit tafelgebed gebeden wordt, herinnert ons door de tekenen van brood en wijn er iedere keer weer aan dat de Heer ons hier en nu zijn hele leven schenkt.

Liturgisch gebruik

Dit is voluit een zelfstandig tafelgebed. Het heeft zijn plaats na de dienst van de gebeden en de inzameling van de gaven. Direct erop volgt het Onze Vader, de vredegroet en de communie.

Auteur: Ko Joosse