Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

403d - Gij louter licht


Tafelgebed ‘Gij, louter licht’

Tafelgebed
Sytze de Vries
Willem Vogel

Tekst

Ontstaan en verspreiding

Dit tafelgebed is ontstaan in de liturgische praktijk van de Oude Kerk in Amsterdam. In de periode van Kerstmis 1991 tot en met Pinksteren 1992 stond wekelijks het Johannesevangelie centraal. In dat kader ontstonden allerlei nieuwe teksten, gedichten, gebeden, liederen, cantica en evangeliemotetten. Een van de vruchten uit die periode is dit tafelgebed. Het is, samen met al het andere materiaal, gepubliceerd in deel 10 van de Amsterdamse Katernen, getiteld ‘Door het licht ben ik beoogd’, Liederen, motetten en cantica bij het Johannes-Evangelie, Amsterdam 1992, blz. 17-18 (tekst), 19-21 (toonzetting).
Het werd opgenomen in de selectie tafelgebeden in Dienstboek – een proeve, deel I, Zoetermeer 1998, blz. 304-306 (tafelgebed 28); Liturgische Gezangen 89, blz. 659-663.
De redactie van het Liedboek nam het om verschillende redenen op. Het is een toegankelijk gebed en gemakkelijk zingbaar, ook de voorzangersgedeelten. Bovendien is het breed toepasbaar en had het al zijn weg gevonden in de gemeenten in het land.

Opbouw

Het tafelgebed bestaat uit zeven strofen, gezongen door de voorganger. De strofen worden afgewisseld met acclamaties waarvan de tekst een paar keer wisselt. Het hele gebed citeert voortdurend verzen uit het Johannesevangelie of refereert daar minstens aan.
Ofschoon het woord ‘zegenen’ een kernwoord is in dit tafelgebed, is het toch eerder een anaphora-gebed dan een beracha-gebed (zie de uitleg in het overzichtsartikel over het tafelgebed). In de tekst zijn de elementen van dankzegging (strofe 1-4), anamnese (strofe 4-5) en, zij het sterk geparafraseerd, instellingsverhaal herkenbaar (strofe 6). Een expliciete epiclese lijkt te ontbreken; er wordt althans niet expliciet om de heilige Geest gebeden, wel voor de kerk (strofe 7).

Toelichting bij onderdelen van de tekst

Strofe 1 (regel 1-3)

     1     Die wij kennen als een Vader,
     2     die zichzelf ter sprake bracht
     3     in een mensenkind, een broeder –

Regel 1: In de eerste strofe wordt degene die in dit gebed wordt aangesproken geschetst: God. Wij kennen Hem ‘als een Vader’. Dit kennen is ons mogelijk gemaakt door Jezus, al wordt dit hier nog niet expliciet gezegd (vergelijk Johannes 1,18; 8,18; 14,7v).

Regel 2-3: Deze Vader ‘bracht zichzelf ter sprake in een mensenkind, een broeder’. Jezelf ter sprake brengen is jezelf openbaren, aan het licht brengen. Ter sprake brengen gebeurt sprekend, in taal, in woorden. Zo wordt iets of iemand present gesteld.
God brengt zichzelf ter sprake, laat zichzelf zien ‘in een mensenkind, een broeder’. God wordt mens. Hij wordt een van ons, en dat mensenkind is onze broeder. Met deze laatste aanduiding wordt dus een relatie aangegeven, een familierelatie, nauwe verwantschap!

Acclamatie 1 (regel 4-5)

     4     Gij, louter licht, en bron van eeuwig leven,
     5     wij zegenen U.

Degene die door de voorganger ter sprake is gebracht, God, wordt nu door allen aangesproken: ‘Gij, louter licht en bron van eeuwig leven, wij zegenen U!’ God is licht en bron van leven. De aanduidingen refereren aan Psalm 36,9: ‘Bij U is de bron van het leven, door úw licht zien wij licht’. En ook andere teksten resoneren, zoals die welke spreken over ‘het licht van Gods gelaat’ (onder andere Numeri 6,25; Psalm 4,7; 31,17; 67,2; 119,135). Eens, in het nieuwe Jeruzalem, zullen we geen licht meer nodig hebben, want dan is God zelf ons licht (Openbaring 21,23; 22,5).

Strofe 2 (regel 6-9)

In deze strofe worden de redenen gegeven waarom wij God zegenen.

     6     Want Gij hebt ons beschaamd met uw goedheid,
     7     uw liefde.
     8     Gij vult onze leegte met overvloed.
     9     Gij roept ons tot leven met nieuwe namen.

Regel 6-8: Allereerst heeft Hij ons beschaamd met zijn goedheid, zijn liefde. In de psalmen wordt vaak gebeden dat wij níet beschaamd voor God zullen staan, en dat is het geval als wij op Hem vertrouwen en op Hem onze hoop stellen (bijvoorbeeld Psalm 25,3; 119,6.31.80). Impliciet wordt hier dus gezegd dat wij juist wel tekortgeschoten zijn in geloof en vertrouwen. En toch komt God op ons toe met zijn goedheid en liefde. Daarmee heft Hij ons tekort op, meer nog: onze (existentiële) leegte vervult Hij met overvloed. Zo is God indertijd het aan Hem zo vaak ontrouwe volk Israël tegemoetgekomen, Hij heeft het geleid naar een land dat overvloeit van melk en honing (onder andere Deuteronomium 6,3; 11,9; 26,9). En zo gaat Jezus ook om met de mensen: waar tekort is, brengt Hij overvloed, bijvoorbeeld bij het wijnwonder van Kana (Johannes 2,1-11) en de wonderbare broodvermenigvuldiging (6,1-15). Van Hem getuigt Johannes de Doper: ‘Uit zijn overvloed zijn wij allen met goedheid overstelpt’ (1,16).

Regel 9: ‘Gij roept ons tot leven met nieuwe namen’. God roept ons weg uit het bestaan van tekort en dood en wil ons bestemmen tot een ander, een nieuw bestaan. Dit wordt gemarkeerd, gekenmerkt door ‘nieuwe namen’. Aartsvader Jakob kreeg een nieuwe naam toen God hem opnieuw in Betel verscheen. Voortaan zou hij Israël heten (Genesis 35,10). Van de verwoeste stad Sion profeteert Jesaja dat men haar zal noemen met een nieuwe naam die de Heer zelf heeft bepaald: ‘Men noemt je niet langer Verlatene en je land niet langer Troosteloos oord, maar je zult heten Mijn verlangen en je land Mijn bruid’ (62,2.4). En als Andreas zijn broer Simon Petrus naar Jezus brengt, kijkt deze hem aan en geeft hem een nieuwe naam: ‘Jij bent Simon, de zoon van Johannes, maar voortaan zul je Kefas heten (dat is Petrus, ‘rots’)’ (Johannes 1,42). Het opgeroepen worden tot een leven met nieuwe namen is ten slotte een verwijzing naar ons aller doopbestaan, het nieuwe leven dat begint als wij gedoopt worden in de drie-ene Naam van God.

In deze strofe wordt met weinig woorden heel Gods heilsgeschiedenis opgeroepen, waarvoor de gemeente Hem dankt en zegent.

Acclamatie 1 (herhaling; regel 10-11)

     10     Gij, louter licht, en bron van eeuwig leven,
     11     wij zegenen U.

Strofe 3 (regel 12-14)

Deze strofe bereidt de volgende acclamatie voor, die hier als het ‘Heilig’ (Sanctus) zou kunnen gelden.

     12     Zo vaak heeft uw liefde al vrucht gezet in mensen;
     13     met hen en met alles wat ademt van genade
     14     zingen wij hier:

Regel 12: Eerst wordt nog eens samengevat wat Gods liefde tot op heden heeft uitgewerkt: ze heeft al zo vaak vrucht gezet in mensen. Het beeld van ‘vrucht zetten’ roept het zaaien van het zaad op in de desbetreffende gelijkenissen van Jezus bij de synoptici. Het zaad (Gods Woord) valt in goede aarde, schiet op en geeft menigvoud vrucht (Matteüs 13,23; Marcus 4,8; Lucas 8,8). Maar nog meer refereert dit ‘vrucht zetten’ aan Johannes 15,1-8, waar Jezus spreekt over de wijnstok en de ranken. Hij is de ware wijnstok, zijn leerlingen zijn de met Hem verbonden ranken. Zonder Hem kunnen zij niets, maar als zij in Hem blijven en Hij in hen, zullen ze veel vrucht dragen. ‘De grootheid van mijn Vader zal zichtbaar worden wanneer jullie veel vrucht dragen en mijn leerlingen zijn’ (15,8).

Regel 13-14: Onder de mensen in wie Gods liefde vruchtbaar is geweest, mogen we de gemeenschap der heiligen verstaan. ‘Met hen en met alles wat ademt van genade’, kortom met alle levende ziel, met heel Gods schepping, wordt God vervolgens de lof toegezongen in de acclamatie ‘Gij, louter licht…’, die dan voor de derde maal klinkt.

Acclamatie 1 (herhaling; regel 15-16)

     15    Gij, louter licht, en bron van eeuwig leven,
     16    wij zegenen U.

Strofe 4 (regel 17-22)

Zoals gebruikelijk in de meeste anaphora-gebeden spitst de dankzegging zich in het gedeelte na het Sanctus toe op de persoon van Jezus Christus. Deze wordt met allerlei beelden uit de evangeliën aangeduid.

     17    Wij zegenen U om het hoge woord van den beginne,
     18    dit licht in ons duister,
     19    dit brood uit de hemel,
     20    de Zoon naar uw hart,
     21    gezonden opdat wij allen U kennen,
     22    voorgoed zullen leven, gekozen tot vrienden.

Regel 17: Hij is ‘het hoge woord van den beginne’ (vergelijk Johannes 1,1-18). ‘Het hoge woord’ kennen we in het Nederlands van de uitdrukking ‘het hoge woord is eruit’. Dat wordt gezegd als iemand iets belangrijks vertelt, dat eerst nog geheim, nog verborgen was. Christus is het hoge Woord van God. In Hem wordt alles geopenbaard wat God ons te zeggen heeft.

Regel 18: Hij is verder ‘dit licht in ons duister’, Hij die van zichzelf gezegd heeft: ‘Ik ben het licht voor de wereld. Wie Mij volgt loopt nooit meer in de duisternis, maar heeft licht dat leven geeft’ (Johannes 8,12; vergelijk 1,4-5; 9,5 en 12,46).

Regel 19: Hij is ook ‘dit brood uit de hemel’. Dit refereert aan de broodrede in het Johannesevangelie, waar Jezus zichzelf diverse keren aanduidt als ‘het brood dat uit de hemel is neergedaald en dat leven geeft aan deze wereld’ (Johannes 6,31-33.35.48-51.58).

Regel 20: En God wordt gezegend om ‘de Zoon naar uw hart’. Deze titel verwijst indirect naar de verhalen over de doop en de verheerlijking van Christus in de synoptische evangeliën, waar een stem uit de hemel Hem bevestigt als Gods geliefde Zoon in wie God vreugde vindt (Matteüs 3,17; 17,5; Marcus 1,11; 9,7; Lucas 3,22; 9,35).

Regel 21-22: Christus getuigt er in het Johannesevangelie dikwijls van dat God Hem heeft gezonden, opdat wij zijn Vader leren kennen en eeuwig zullen leven. In de afscheidsrede zegt Hij tegen zijn leerlingen: ‘Als jullie Mij kennen zullen jullie ook mijn Vader kennen, en vanaf nu kennen jullie Hem, want jullie hebben Hem zelf gezien’ (Johannes 14,7). In het hogepriesterlijk gebed bidt Hij tot zijn Vader: ‘Het eeuwige leven, dat is dat zij U kennen, de enige ware God, en Hem die U gezonden hebt, Jezus Christus´ (17,3; vergelijk onder andere 5,24; 6,57; 8,19; 12,44-45).

Zo bidt de gemeente die zich vol vertrouwen mag weten als door Jezus ‘gekozen tot vrienden’. In zijn afscheidsrede noemt Hij immers zijn leerlingen geen slaven meer, maar vrienden, ‘omdat Ik alles wat Ik van de Vader heb gehoord, aan jullie bekendgemaakt heb’ (15,14-15).

Acclamatie 2 (regel 23-24)

De acclamatie verandert nu van tekst. Op de voorgaande dankzegging reageert de gemeente met een belijdenis.

     23    Hij, licht uit licht, woord van den beginne,
     24    Jezus Messias!

‘Licht uit licht’ is een zinsnede uit het Credo, de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel (384). De Zoon hoort bij de Vader zoals licht voortkomt uit de lichtbron. Het is van dezelfde aard als de bron ervan. Zo heeft de Zoon dezelfde natuur als de Vader: ‘God uit God, licht uit licht, ware God uit de ware God’.
‘Woord van den beginne’ is een herneming van de eerste zin van strofe 4 en het roept heel de proloog van het Johannesevangelie op. Jezus Messias is het Woord dat in het begin was, dat bij God was, dat God zelf was (Johannes 1,1).

Strofe 5 (regel 25-29)

     25    Hij, vrucht uit de schoot van uw volk Israël,
    
26    wijnstok op wie wij allen zijn geënt.
    
27    Uw liefde voor Hem is de bron waaruit wij drinken.
    
28    Hij opent ons de ogen,
    
29    is het licht dat ons vooruit gaat.

Regel 25-26: Deze belijdenis wordt verder uitgewerkt. In strofe 4 werd de hemelse afkomst van Jezus onder woorden gebracht, nu zijn aardse: Hij behoort tot het volk Israël, Hij is daaruit voortgekomen. En wij, christenen, zijn op Hem geënt, zoals ranken op de wijnstok.

Regel 27: Gods liefde, die in dit mensenkind, deze zoon van Israël, zichtbaar is geworden, is ‘de bron waaruit wij drinken’. Tot de Samaritaanse vrouw had Jezus immers gezegd: ‘Het water dat Ik geef, zal in hem een bron worden waaruit water opwelt dat eeuwig leven geeft’ (Johannes 4,14). En op de laatste dag van het Loofhuttenfeest in Jeruzalem verklaarde Hij van zichzelf: ‘Laat wie dorst heeft bij Mij komen en drinken! ‘Rivieren van levend water zullen stromen uit het hart van wie in Mij gelooft’’ (7,37-38).

Regel 28-29: De laatste zin van deze strofe roept het verhaal van de genezing van de blindgeborene in herinnering: ‘Hij opent ons de ogen, is het licht dat ons vooruit gaat’ (9,1-41; vergelijk 8,12).

Acclamatie 3 (regel 30-31)

     30    Hij, ware herder,
     31    woord van den beginne, Jezus Messias!

Weer varieert de acclamatie van tekst, zij het maar met twee woorden. Jezus wordt nu de ‘ware herder’ genoemd – een verwijzing naar Johannes 10,11.14.

Strofe 6 (regel 32-42)

Met al deze aanduidingen, onder meer ontleend aan de ‘Ik ben’-woorden (licht, brood, wijnstok, herder), wordt Jezus tegenwoordig gesteld. De dankzegging om Hem is tegelijk gedachtenis van Hem. Deze gedachtenis loopt nu uit in een vrije parafrase van het instellingsverhaal. Daarbij worden allerlei beelden en zinsneden uit het Johannesevangelie en andere teksten uit de Bijbel gebruikt.

     32    Hij heeft zich gegeven, verloren als graan
     33    gezaaid in de aarde, belofte van toekomst,
     34    Hij was in de wereld, Hij stierf aan de nacht.
     35    Geen grotere liefde:
     36    zijn laatste adem gaf ons het leven.
     37    Hij was als brood, gebroken, gedeeld, levend brood:
     38    zijn lichaam voor ons.
     39    Hij werd onze beker, een overvloed van bruiloftswijn:
     40    zijn bloed voor ons.
     41    Wij gedenken zijn dood, wij vieren het leven:
     42    hier reiken wij elkaar wat Hij ons gaf.

Regel 32-33: Het eerste beeld is dat van de graankorrel die in de aarde gezaaid wordt en sterft om veel vrucht te dragen (Johannes 12,24). ’Hij heeft zich gegeven’ zijn woorden waar Marcus 10,45 in doorklinkt: ‘De Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen’ (vergelijk ook Titus 2,14 en eveneens 1 Johannes 3,16). Zijn zelfgave tot in de dood toe is geen einde, maar juist begin van leven, ‘belofte van toekomst’.

Regel 34: ‘Hij was in de wereld’. Als het woord ‘wereld’ in het Johannesevangelie voorkomt, wordt steeds het Griekse woord kosmos gebruikt: het Woord was in de wereld (1,10), het kwam onder de mensen. God heeft Hem in de wereld gezonden, opdat we door Hem zouden leven (1 Johannes 4,9). En zolang Jezus in de wereld is, is Hij het licht voor die wereld (9,5). Maar in de afscheidsrede en in het hogepriesterlijk gebed maakt Jezus zijn leerlingen duidelijk dat Hij ‘al niet meer in de wereld’ is, maar zijn leerlingen blijven wel in de wereld. De wereld heeft in het Johannesevangelie soms ook een negatieve betekenis: de wereld buiten God, vijandig, vervreemd, bedreigend.
Deze donkere betekenis geldt ook voor het woord ‘de nacht’. Als Judas zijn Heer verraadt, vermeldt Johannes het tijdstip: ‘Het was nacht’ (13,30). Dat Jezus ‘stierf aan de nacht’ wil zeggen dat Hij ten prooi viel aan de duistere machten van verraad en leugen, van onrecht en geweld.

Regel 35-36: ‘Geen grotere liefde’ zijn woorden die verwijzen naar het liefdegebod dat Jezus in zijn afscheidsrede aan zijn leerlingen meegeeft: ‘Er is geen grotere liefde dan je leven te geven voor je vrienden’ (15,13). De maaltijd – bij Johannes een paasmaaltijd! – die Jezus met zijn leerlingen viert op de laatste avond van zijn leven is hét teken van die onvergelijkbare liefde. Daar heeft Hij zichzelf gegeven ‘tot het uiterste’ (13,1). Hij wist dat zijn uur gekomen was: zijn ‘verheerlijking’ op het kruis. Daar volbrengt Hij het werk waartoe Hij door zijn Vader was uitgezonden en geeft Hij de geest: ‘zijn laatste adem gaf ons het leven’ (vergelijk 19,30; 20,22).

Regel 37-38: ‘Hij was als brood, gebroken, gedeeld, levend brood: zijn lichaam voor ons’. Zo had Jezus het gezegd: ‘Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald; wanneer iemand dit brood eet zal hij eeuwig leven. En het brood dat Ik zal geven voor het leven van de wereld, is mijn lichaam’ (6,51).

Regel 39-40: ‘Hij werd onze beker, een overvloed van bruiloftswijn: zijn bloed voor ons’. In het woord ‘beker’ klinken veel Bijbelse teksten mee. Psalm 23 spreekt bijvoorbeeld over een overvloeiende beker voor de mens die voor het oog van zijn vijanden mag aanzitten aan de tafel van de Heer, zijn herder (vers 5). De beker verwijst ook naar de bevrijding van de mens wiens leven ontrukt is aan de dood, maar die nu mag wandelen in het land van de levenden (de Hallel-psalm 116,13). Het is eveneens de beker van de beproeving, die Jezus moet drinken in de hof van Getsemane (Matteüs 26,39.42; Marcus 14,36; Lucas 22,42), en die de leerlingen Jakobus en Johannes zullen drinken als zij Hem werkelijk volgen (Matteüs 20,22-23; Marcus 10,38-39). En het is natuurlijk de beker die Jezus na de maaltijd neemt en hem rond laat gaan met de woorden: ‘Deze beker, die voor jullie wordt uitgegoten, is het nieuwe verbond dat door mijn bloed gesloten wordt’ (Lucas 22,20; vergelijk Matteüs 26,27-28; Marcus 14,23-24; 1 Korintiërs 11,25). Het is de beker met de bruiloftswijn die verwijst naar de maaltijd in het koninkrijk van God (Johannes 2,9-10; Lucas 13,29), het bruiloftsmaal van het Lam (Openbaring 19,7.9).

Regel 41-42: De gehele anamnese van Jezus Messias wordt samengevat in de zin: ‘Wij gedenken zijn dood, wij vieren het leven: hier reiken wij elkaar wat Hij ons gaf’. Wat Hij ons gaf, zijn leven dat Hij mogelijk maakte door zijn dood, mogen wij aan elkaar doorgeven. En dit doorgeven is niet beperkt tot de kring van de gemeente die hier en nu de Maaltijd van haar Heer viert, maar reikt uiteraard verder: tot in de wijde wereld waarin wij ons geroepen mogen weten om elkaars naasten te zijn.

Acclamatie 4 (regel 43-44)

     43    Hij, Lam van God, brood uit de hemel,
     44    Jezus Messias!

Weer klinkt de acclamatie, opnieuw met iets andere woorden. ‘Lam van God’ is de aanduiding die Johannes de Doper gebruikt als Hij Jezus naar zich toe ziet komen, terwijl hij aan het dopen is in de Jordaan: ‘Daar is het lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt’ (Johannes 1,29.36). En met dit beeld resoneren diverse oudtestamentische betekenissen van ‘lam’ mee. Zo moet Isaak het lam voor het offer zijn, dat zijn vader Abraham gaat brengen op de berg Moria, maar waarin God zal voorzien (Genesis 22,1-19). In de christelijke traditie is dit lam altijd gezien als een voorafbeelding van het Lam dat Christus is als Hij geofferd wordt op het kruis van Golgota. Het Johannesevangelie lijkt zo gecomponeerd dat het sterven van Jezus samenvalt met het moment van slachten van het paaslam (vergelijk de verwijzing naar Exodus 12,46 in Johannes 19,36). Het lam verwijst ook naar het ritueel van Grote Verzoendag als de hogepriester alle zonden en wandaden van het volk op de kop van een bokje legt, dat vervolgens naar de woestijn gezonden wordt (Leviticus 16,1-34) en dat zo verzoening tussen God en het volk bewerkt. Verder wordt hier het lied van de lijdende dienstknecht van de Heer opgeroepen uit Jesaja 53, waar gesproken wordt over een onschuldig lam dat naar de slachtbank wordt geleid (vers 7; vergelijk Handelingen 8,32). De apostel Paulus spreekt in een van zijn brieven over het paaslam Christus dat is geslacht (1 Korintiërs 5,7). En ten slotte komt het Lam van God vele malen voor in het boek Openbaring. Het staat midden voor de troon van God, omgeven door vier dieren en de vierentwintig oudsten en het wordt ‘alle macht, rijkdom en wijsheid, en alle kracht, eer, lof en dank’ toegebracht (Openbaring 5,1-14). Het leidt degenen die uit de grote verschrikking zijn gekomen, naar de waterbronnen van het leven (7,1-17). Het komt uit de strijd met het Beest als overwinnaar tevoorschijn (passim in de hoofdstukken 12-19) en het vormt het stralende middelpunt in het nieuwe Jeruzalem (hoofstukken 21-22).
‘Brood uit de hemel’ is een herneming van het beeld uit Johannes 6,31-33.35.50-51, dat we ook al aantroffen in regel 19 (strofe 4).

Strofe 7 (regel 45-49)

In deze laatste strofe omschrijft de biddende gemeente zichzelf en bidt zij dat zij waarachtig het lichaam van Christus mag zijn.

     45    Erfgenamen van zijn vrede,
     46    wij voorgoed genoemd zijn lichaam,
     47    dat wij woning zijn voor U.
     48    Dat wij ranken van zijn hart zijn,
     49    vruchten dragen, die hemel en aarde verheugen.

Regel 45-46: Als Jezus op de eerste dag van de week aan de elf leerlingen verschijnt, groet Hij hen met vrede (Johannes 20,19.21). Drie dagen eerder, tijdens de gesprekken aan tafel, had Hij hun deze vrede ook al beloofd: ‘Ik laat jullie vrede na; mijn vrede geef Ik jullie, zoals de wereld die niet geven kan’ (14,27). Vrede mogen ze bij Jezus vinden (16,33). Daarin bestaat zijn nalatenschap en die erfenis mag de gemeente voortaan beheren, verbonden als zij met Hem is als zijn lichaam met het hoofd.

Regel 47: ‘dat wij woning zijn voor U’. Deze zin verwijst naar het woord van Jezus tijdens zijn afscheidsrede, waar Hij zegt: ‘Wanneer iemand Mij liefheeft zal hij zich houden aan wat Ik zeg, mijn Vader zal hem liefhebben en mijn Vader en Ik zullen bij hem komen en bij hem wonen’ (14,23). Maar misschien mogen we deze bede ook verstaan als een impliciete epiclese. Paulus spreekt over de gemeente als een tempel van de heilige Geest: ‘Weet u niet dat u een tempel van God bent en dat de Geest van God in uw midden woont?’ (1 Korintiërs 3,16). En ook het lichaam is een woonplaats voor God: ‘Wijzelf zijn de tempel van de levende God, zoals God heeft gezegd: ‘Ik zal bij hen wonen en in hun midden verkeren, Ik zal hun God zijn en zij mijn volk’ (6,16).

Regel 48-49: nog één keer wordt teruggegrepen op de beeldspraak van de wijnstok met zijn vruchtdragende ranken uit Johannes 15,1-8. ‘Ranken van zijn hart’, het hart van Jezus, zijn diepste innerlijk, de zetel van de liefde.
De gemeente bidt ten slotte dat zij vruchten mag dragen, ‘die hemel en aarde verheugen’. Kortom: heel de schepping mag delen in de vreugde die ontstaat als wij in de wereld werkelijk het lichaam van Christus vormen. Het beeld van de ‘vruchten’ die wij mogen dragen, doet ook denken aan de vruchten van de heilige Geest, waar Paulus over schrijft: ‘liefde, vreugde en vrede, geduld, vriendelijkheid en goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing’ (Galaten 5,22-23). Dat zijn immers allemaal kenmerken of eigenschappen die de volgelingen van Christus in hun leven kunnen laten zien, en waartoe zij in de viering van de Maaltijd van de Heer kracht ontvangen.

Acclamatie 1 (regel 50-51)

     50    Gij, louter licht, en bron van eeuwig leven,
     51    wij zegenen U.

Nog één keer volgt de acclamatie, nu weer in de eerste versie van het begin. Zo is een inclusie gemaakt, maar wellicht is de betekenis ervan nu verder verdiept door wat zich in de gemeente tijdens het zingen van dit gebed voltrokken heeft rond de tafel van haar Heer.

Al met al mogen we spreken van een tafelgebed dat zeer rijk aan Bijbelse betekenissen is en dat op een subtiele en diepzinnige wijze vorm geeft aan de dankzegging vanwege en gedachtenis van Jezus Messias. Heel herkenbaar is hoe het Johannesevangelie de grootste inspiratiebron voor dit gebed is geweest.

Liturgisch gebruik

Het gebed kan als een volwaardig tafelgebed dienen. Hierna volgen dan het Onze Vader, de vredeswens en de communie. Het is bij uitstek geschikt tijdens avondmaalsvieringen op zondagen waarop uit het evangelie van Johannes gelezen wordt, zoals op kerstdag, op de derde, vierde en vijfde zondag in de veertigdagentijd van het A- en B-jaar, met Witte Donderdag en Pasen en op de meeste zondagen van de paastijd.

Auteur: Ko Joosse


Melodie

Het tafelgebed ‘Gij louter licht’ werd geschreven in – waarschijnlijk de eerste helft van – 1992. De datering in de eerste uitgave (Amsterdamse Katernen 10, augustus 1992) is 21 juli 1992, maar het kan zijn dat dit slechts de koorzetting betreft. Het tafelgebed zelf werd immers geschreven voor een serie diensten met een doorgaande lezing (lectio continua) uit het Johannesevangelie tussen Kerst 1991 en Pinksteren 1992. In 1998 werd dit tafelgebed opgenomen in het Dienstboek – een proeve.

De melodie van deze compositie bestaat uit slechts vier noten. De door de voorganger te reciteren tekst van het tafelgebed heeft een uiterst overzichtelijk melodieformule meegekregen. De reciteertoon a’ kent melodiebuigingen g’-a’ en g’-f’ (de afsluiting voorafgaande aan het eerste refrein a’-f’ is de uitzondering die de regel bevestigt).

In het keervers wordt één enkele c” toegevoegd. Daarnaast vormt dit refrein de hymnische antipode van het recitatief; ritmisch genoteerd en – in alle eenvoud – melodisch vormgegeven.

Het korte openingszinnetje verwijst naar de slotwending van de reciteertoon, het is de opwaartse variant. De tweede regel eindigt met de andere buiging uit het recitatief, maar dan een toon lager. Diezelfde buiging speelt in de slotregel – maar nu op de originele hoogte – ook een belangrijke rol. De slotnoten van de drie regels van het keervers laten wederom de afdaling a’-g’-f’ zien en horen.

De meerstemmigheid heeft eenzelfde minimalistisch karakter als Liedboek 296 van dezelfde componist: beginnend op een orgelpunt en verder zonder enige dissonanten of voorhoudingen; als de sonore en basale kerkmuziek uit de oosterse orthodoxie.

Christiaan Winter