Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

411 - U, God, loven wij


Klein Te Deum

Ignace de Sutter
Ignace de Sutter

Melodie

Ontstaan en verspreiding

Enkele maanden voor zijn overlijden in maart 1988 schreef Ignace de Sutter deze melodie voor de zusters van het H.Graf van Turnhout in de (toenmalige) Abdij van Male (in de omgeving van Brugge), waarvan hij jarenlang rector was. De zusters zongen al sinds 1970 hun getijdengebed in het Nederlands. Liedboek 411 kreeg de ondertitel ‘Klein Te Deum’ mee, omdat zowel de tekst als de gregorianiserende melodie sterke inspiratie vonden in het klassieke en aloude ‘grote’ Te Deum laudamus, Te Deum confitemur, waarmee lange tijd in de benedictijnse traditie dagelijks na de completen de dag werd afgesloten. Een oude traditie wijst als auteurs van tekst en melodie daarvan de heilige bisschoppen Ambrosius van Milaan (339-397) en Augustinus van Hippo (354-430) aan, met een duidelijke voorkeur voor Ambrosius: het Te Deum wordt ook wel de ‘Ambrosiaanse Lofzang’ genoemd. Volgens een legende hebben beiden het Te Deum oorspronkelijk aangeheven nadat Augustinus door Ambrosius was gedoopt. De bekende musicoloog Eliseus Bruning (Cantuale Romano-Serephicum Editio Terza, Doornik 1951, blz. 397) meent dat de tekst gedicht is door bisschop Nicetas Remasianus (Hongarije). Anderen noemen zowel de tekst als de melodie in meer algemene zin ‘zeer oud’. De Nederlandse tekst van het Te Deum is samengesteld door de Nederlandstalige Commissie van de R.K. Kerk in Vlaanderen, het ICLZ. Van deze allesomvattende tekst werd voor Liedboek 411 een kernachtige samenvatting gemaakt, onzeker is door wie. Dit ‘Klein Te Deum’ werd voor het eerst gepubliceerd in het NCRV-project Lied van de week (11 oktober 1988), daarna ook in Zingend Geloven 6 (1998, nr. 82).

Analyse

Zie hieronder het begin van het gregoriaanse Te Deum ‘iuxta morem Romanum’ (Graduale Romanum, Solesmes 1974, blz. 844), waaruit duidelijk de sterke overeenkomsten van Liedboek 411 met de gregoriaanse tekst en melodie blijken:


Letterlijke vertaling van dit tekstgedeelte: (AV):
U, God, loven wij,
U, Heer prijzen wij.
U, eeuwige Vader, prijst de ganse aarde,
U alle engelen, de hemelen en de universele krachten,
U (loven) de cherubijnen….

Zie bijvoorbeeld de inzet van beide gezangen, waarvan de kern (mi-sol-la, in Liedboek 411: e’-[f’]-g’-a’) als ‘Te Deum-motief’ bekend staat. Dit motief wordt door musicologen beschouwd als belangrijk compositorisch element in de westerse muziekcultuur.

De tweede regel van De Sutter (‘U, Heer, prijzen wij’) is melodisch een voortzetting van het gregoriaanse ‘laudamus’. En ook bij De Sutter is de hoge noot c” de gregorianiserende reciteertoon (zie de vijfde regel), waaraan de melodie als het ware opgehangen is. Merk op dat De Sutter in overeenstemming met het gregoriaanse origineel zijn melodie, zoals blijkt uit de notatie, volledig op een niet-metrische, vrije voordracht van de tekst heeft geconcipieerd.

Vorm

De Sutter heeft duidelijk door middel van een dubbele deelstreep aan het einde van de vierde en achtste regel een strofische indeling voor ogen gehad. Dit komt overeen met het karakter van de melodie, die na regel 4 afsluit en in de vijfde regel opnieuw inzet. We zien hetzelfde gebeuren bij de afsluiting van regel 8 en de inzet van regel 9. Een en ander komt bovendien overeen met de tekst: de eerste vier regels algemeen laudatief (God lovend), vervolgens worden in de regels 5 tot en met 8, de Vader, Zoon en Geest apart lof gezongen zoals ook in het klassieke Te Deum en ten slotte zijn de regels 9 tot en met 12 een afsluitende doxologie waarin wij de drie-ene God ‘prijzen, iedere dag’.    

Liedboek 411 is in feite een driestrofig lied met de regels 5-8 als centrum, het hart van zowel de tekst als de melodie. De regels 1-4 zijn de inleiding en de regels 9-12 de uitgebreide doxologische afsluiting. Deze hoekdelen zijn melodisch tegelijkertijd een vorm van antifoon rond het centrale middendeel. Zie de sterke melodische overeenkomst tussen de twee. Ze zijn met de nodige variatie ten gevolge van de vrije declamatie van de tekst vrijwel identiek aan elkaar. In regel 9 worden de regels 1 en 2 gevarieerd. De tiende regel is nagenoeg identiek aan regel 3. Hetzelfde kan worden gezegd van de overeenkomst tussen de regels 4 en 11. Regel 12 ten slotte varieert sterk regel 8.

De driedeligheid is conform het gregoriaanse Te Deum:

gregoriaans Liedboek 411
1 Te Deum laudamus... U, God, loven wij...
2 Te aeternum Patrem... U, Vader, onmetelijk in majesteit...
3 Per singulos dies benedicumus Te... U willen wij prijzen, iedere dag...


Melodisch en tekstueel is de middenstrofe inderdaad de belangrijkste van de drie: Vader, Zoon en Geest worden afzonderlijk geprezen. De kern van de melodie is een hoge reciteertoon op c”. Zie voor dit laatste vooral de vijfde en negende regel. Zie ook de overeenkomst met de tweede en derde regel van bovenstaand muziekvoorbeeld. De melodie van de ‘antifoon’ is anders dan die van de middelste strofe: minder een vrij recitatief en meer liedmatig van opzet.

Uitvoering

De Sutter voorzag in een uitvoering in twee groepen, zonder herhalingen. Wilde hij daarmee aansluiten bij de dubbelkorigheid van het gregoriaanse origineel? Of wilde hij zo de genoemde strofes extra accentueren? Het gevaar bestaat overigens dat de melodie door de afwisseling in twee groepen het karakter van voor- en nazang krijgt, waaraan de uitvoering gaat beantwoorden. In werkelijkheid is er sprake van één doorlopende melodie en zal er bijvoorbeeld aan het einde van een regel geen pauze mogen worden gemaakt. Dit alles nodigt uit tot een bewust declamerend zingen, als het ware vertellend, met alle voorrang aan de tekstexpressie.

Auteur: Anton Vernooij