Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

434 - Daar komt een schip, geladen


Es kommt ein Schiff geladen

Daniel Sudermann Johannes Tauler
Bernardus Johannes Aris
Catholische Geistliche Gesänge, Keulen 1608

Tekst

Deze toelichting is overgenomen uit ‘Een Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken’ (Amsterdam 1977) en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is.

Hoe het precies zit met het auteurschap van dit lied is niet duidelijk. Als eerste kan de naam van de bekende middeleeuwse mysticus Johannes Tauler genoemd worden: niet omdat het lied van hem afkomstig is – dat is allerminst zeker; het oudste handschrift van het lied stamt uit ongeveer het midden van de vijftiende eeuw en wordt bewaard in een nonnenklooster te Inzigkofen; er bestaat ook een Nederlandse versie uit eind vijftiende eeuw – maar omdat het geheel in zijn geest geschreven is. En verder dient de naam van Daniel Sudermann genoemd te worden. Sudermann, bekend als volgeling van Caspar Schwenckfeld (1489/90-1561) en als dichter van geestelijke liederen, was sterk geïnteresseerd in het werk van mystici als Tauler en Eckehart (±1260-1328). Beide namen, Tauler en Sudermann, voeren ons naar Straatsburg. Tauler leefde er en ook Sudermann was er werkzaam. Straatsburg is niet alleen de plaats van Bucer en Calvijn.

In ieder geval is het oorspronkelijke lied een Marialied, dat Sudermann zegt te hebben aangetroffen onder de geschriften van Tauler. De eerste strofe liet hij vrijwel intact, maar de tweede daarop volgende schrapte hij: 

Uff einem stillen wage (Woge)
kummt uns das schiffelin.
Es bringt uns riche gabe,
die heren künigin.

Maria, du edler rose,
aller saelden ein zwi
du schöner zitenlose,
mach uns von sünden fri.

(aller saelden ein zwi wil zeggen: Zweig aller Glückseligkeiten)

De bij Sudermann als tweede voorkomende strofe moet van het orgineel het slot geweest zijn; daar krijgt de merkwaardige allegorie een trinitarische toespitsing, als er staat, dat het zeil van het beschreven schip de liefde is en de heilige Geest de mast. Maar Sudermann gaat verder, met geen andere bedoeling (zo zegt hij) dan ons de beeldspraak verständlicher zu machen; daardoor wordt de allegorie eerst met een ontraadseling afgesloten, en vervolgens komt er een duidelijk min of meer zelfstandig tweede gedeelte (de strofen 4 t/m 6), dat over het kind in de kribbe handelt en uiteenzet, wat het voor ons betekent en wat het van ons vraagt. Het Marialied gaat in een kerstlied over, waardoor ook een ‘indeling’ in drieën mogelijk wordt: strofe 1-2 spreken over de Advent , 3-4 geven Kerstmis weer, 5-6 handelen over Goede Vrijdag en Pasen.

Er is wel vermoed, dat het beeld van de op een schip naar de aarde toevarende Zoon Gods in wezen van Egyptische oorsprong zou zijn en het Avondland langs nog niet opgehelderde wegen zou hebben bereikt: de Egyptische zonnegod Re of Ra werd staande in een bark voorgesteld en in die gedaante onder andere in Heliopolis vereerd. Hier echter zal met het ‘schip geladen tot aan de hoogste boord’ Maria bedoeld zijn, die ‘Gods Zoon vol genade’, ‘des Vaders eeuwige woord’ negen maanden lang ‘gedragen’ heeft. Nu wordt Maria in de middeleeuwse emblematiek vaker met de zee, de wateren in relatie gebracht, heet zij niet ook ‘Sterre der Zee’? Het hangt ongetwijfeld samen met de oeroude voorstelling, dat de aarde niet alleen ‘horizontaal’ omgeven was door de oceaan, maar ook ‘verticaal’ door de ‘hemeloceaan’. Om ons te bereiken diende God deze hemeloceaan over te steken. Ook is er wel verondersteld, dat het zo merkwaardige beeld van strofe 1-3 te maken zou hebben met het in de middeleeuwen op Christus toegepaste woord uit het apocriefe boek Wijsheid van Salomo 18,14-15: ‘Toen de nacht de helft van zijn weg had afgelegd en alles in diepe rust verzonken was, sprong uw almachtige woord vanaf de troon in de hemel midden in het vervloekte land, als een meedogenloze krijgsheld…’ Ook in dat verband gaat het overigens over Egypte, namelijk over de redding van het volk Israël uit de hand der Egyptenaren. Dit woord van Salomo was al lang vóór de Reformatie aanleiding om de ‘kerstmis’ te verplaatsen naar het middernachtelijk uur: men wilde de geboortedag van Jezus vieren precies op het uur van zijn geboorte!

Het tweede gedeelte van het lied, dat dus voluit van de zestiende eeuwer Sudermann is, heeft nog iets opmerkelijks. Vele kerstliederen gaan zich min of meer te buiten aan het wiegen, kussen en aan het hart drukken van het kind van Bethlehem. Niet alzo bij Sudermann:

En wie in groot verblijden
dit kindje kussen wil,
moet vooraf met Hem lijden
zijn kruis, om zijnentwil,

en daarna met Hem sterven...

Pas in de opstanding kan de ‘omhelzing’ van het kind plaatsvinden. Daarmee is de mysticus Sudermann ‘realistischer’ dan al die anderen, die zich wel eens te weinig realiseren, dat wij Jezus alleen nabij kunnen komen door het lijden en door de dood heen.
Het lied is dus brokkelig en tegelijk wonderschoon. Ook van het slot is (onder andere door Paul Alpers) opgemerkt, dat het zeer wel op Tauler terug zou kunnen gaan; opmerkelijk is, dat de zesde strofe:

danach mit ihm auch sterben
und geistlich auferstehn,
ewigs Leben zu erben,
wie an ihm ist geschehn

tot vertaalconflicten aanleiding heeft gegeven. De Liedboek-versie wijkt in deze strofe af van de vertaling die ds. B.J. Aris maakte voor de ‘Hervormde Bundel van 1938’; daar is de tweede regel weergegeven als ‘om geest’lijk op te staan’. In het Liedboek staat nu ‘om met Hem op te staan’, deze wijziging is zeker niet van Aris. De bundel uit 1938 was inderdaad het eerste Nederlandse gezangboek, waarin Es kommt ein Schiff geladen voorkwam; in het Duitse (protestantse) taalgebied is het bekend geworden sedert het in 1899 in het Evangelisches Gesangbuch für Elsasz-Lothringen opdook; het staat als nr. 8 in het Evangelisches Gesangbuch.

Auteurs: Ad en Besten / A.C. Honders


Melodie

Deze melodie is in Nederland bekend geworden door middel van de ‘Hervormde Bundel van 1938’ en de bundel Neerlands Volkslied van Pollmann & Tiggers (1956). De bundel uit 1938 (Gezang 2) noteerde het lied geheel in ternaire ritmiek, terwijl het Liedboek nu de juiste notatie weergeeft.
De melodie verscheen voor het eerst in het Andernacher Gesangbuch van 1608; voorlopers van dit lied, dat oorspronkelijk een Marialied was en waarvan ook een 15e-eeuwse Nederlandse versie bewaard is, werden op een andere wijs gezongen, namelijk op die van Es wollt ein Jäger jagen wohl in des Himmels Thron; en dit lied was weer een geestelijke variant van een wereldlijk lied uit de vijftiende eeuw!
Men zinge het lied niet te snel; de halve noot van de tweede melodiehelft is gelijk aan de gepuncteerde halve van de eerste helft (de ‘maten’ blijven even lang); de achtste noten in de derde regel worden vaak te vlug gezongen. Bij het instuderen late men de tactus (de gepuncteerde halve in de eerste twee regels, de halve in de laattse twee) maar eens overduidelijk horen door het aangeven van een accent.

Auteur: Willem Vogel


Media

Uitvoerenden: St. Joriskamerkoor Amersfoort o.l.v. Bas Ramselaar; Harry van Wijk, orgel (bron: KRO-NCRV)