Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

445 - De nacht is haast ten einde


Een eerste kennismaking

De Duitse dichter Jochen Klepper (1903-1942) ging in zijn leven gebukt onder de terreur van het naziregime. Hij trouwde een Joodse vrouw en toen deportatie dreigde, koos hij met zijn vrouw en dochter op 11 december 1942 vrijwillig voor de dood.
Boven de tekst van het lied ‘De nacht is haast ten einde’ schreef hij de woorden van Romeinen 13,11-14a. Vooral het twaalfde vers is voor hem uitgangspunt: ‘De nacht loopt ten einde, de dag nadert al’. Het gehele lied is een uitwerking van het contrast tussen de dreigende duisternis en het licht dat zal overwinnen.
Klepper schreef het lied als een kerstlied. Maar vanwege het hierboven geciteerde bijbelvers wordt het vooral als adventslied verstaan, want de woorden uit de Romeinenbrief zijn in de klassieke liturgie de epistellezing van de eerste adventszondag.
Het contrast licht - donker speelt in het gehele lied een belangrijke rol, maar wordt wel het scherpst getekend in strofe 3.
Jochen Klepper heeft geworsteld met het raadsel van Gods verborgenheid. De eerste regel van de laatste strofe is geen letterlijke vertaling. De Duitse tekst zegt: Gott will im Dunkel wohnen... Uiteindelijk wordt in de vertaling van de laatste strofe de kern zeer poëtisch vertolkt: ‘… zijn duisternis is licht.’
In de eerste drukken van het Liedboek staat in de eerste regel van strofe 3 een drukfout. Deze regel moet luiden: ‘Hoevele zwarte nachten…’.

Auteur: Pieter Endedijk


Die Nacht ist vorgedrungen

Jochen Klepper
Jan Willem Schulte Nordholt
Johannes Petzold

Tekst

Herkomst en verspreiding

Het gebeurt niet vaak dat exact bekend is wanneer een lied geschreven is. De geboortedag van het lied ‘Die Nacht is vorgedrungen’ is wel bekend: 18 december 1937. Jochen Klepper nam het een jaar later op in zijn bundel Kyrie. Deze bundel, die in een oplage van maar liefst vijfduizend exemplaren verscheen, bevatte aanvankelijk zestien liederen, maar in latere uitgaven groeide dat aantal uit tot negenentwintig. De populariteit van de bundel blijkt uit het feit dat er zo’n twintig herdrukken verschenen, de laatste in 2016.
In het Evangelisches Kirchengesangbuch uit 1950 werden acht liederen van Klepper opgenomen, waaronder ‘Die Nacht is vorgedrungen’ (nr. 14). In het Duitse taalgebied verscheen het daarna onder meer ook in de rooms-katholieke bundel Gotteslob (editie 1975, nr. 111; editie 2013, nr. 220), het Zwitserse Katholisches Gesangbuch (1998, nr. 310), het Gesangbuch der Evangelisch-reformierten Kirchen der deutschsprachigen Schweiz (1998, nr. 372) en het Mennonitisches Gesangbuch (2004, nr. 249).
Voor het Gezangboek der Evangelisch-Lutherse Kerk uit 1955 werd een vertaling van het lied gemaakt, mogelijk door Pieter Boendermaker. Van de oorspronkelijke vijf strofen, die het lied telde, was de derde niet vertaald. Deze vertaling is ook opgenomen in het Gezangboek van de Evangelische Broedergemeente in Nederland (1968, nr. 83).
Ook de vertaling die Jan Willem Schulte Nordholt maakte ten behoeve van het Liedboek voor de kerken (1973, gezang 130), telt vier coupletten, maar hier zijn de oorspronkelijke tweede en derde samengevoegd (zie hieronder). De vertaling van Schulte Nordholt werd ongewijzigd opgenomen in het Liedboek – Zingen en bidden in huis en kerk.
In het Nederlandse taalgebied is het lied niet in andere officiële kerkliedbundels opgenomen. Wel verscheen het in Weerklank (2016, nr. 104). Titia Lindeboom schreef een nieuwe vertaling en publiceerde deze in Het licht breekt door de wolken – Jochen Klepper – Liederen (Heerenveen 2016, blz. 27-28).
Internationale verspreiding kreeg het lied ook door opname in Colours of Grace, Gesangbuch der Gemeinschaft Evangelischer Kirchen in Europa (2006, nr. 86) waarin naast de Duitse en Nederlandse versie, ook een Franse, Noorse en Tsjechische vertaling is opgenomen.

Tekstinhoud

De titel boven het lied luidde in de bundel Kyrie oorspronkelijk ‘Weihnachtslied’. Daaronder stonden – met als bronvermelding ‘Die Bibel’ – de woorden uit Romeinen 13,11-12 in de vertaling van Luther:

Und weil wir solches wissen, nämlich die Zeit, daß die Stunde da ist, aufzustehen vom Schlaf (sintemal unser Heil jetzt näher ist, denn da wir gläubig wurden; die Nacht ist vorgerückt, der Tag aber nahe herbeigekommen): so lasset uns ablegen die Werke der Finsternis und anlegen die Waffen des Lichtes.

Klepper heeft zijn lied vooral geschreven bij de zinsnede ‘die Nacht ist vorgerückt, der Tag aber nahe herbeigekommen’. Hij sluit aan bij de epistellezing van de eerste zondag van Advent (Luthers leesrooster), en bij een lange traditie van advents- en kerstliederen waarin het draait om de tegenstelling licht-donker. De ‘nacht’ waarover Klepper zingt, duidt niet alleen op de kerstnacht, maar moet eschatologisch geïnterpreteerd moet worden. De ‘duisternis’ wordt namelijk gebruikt als metafoor voor de ellende, nood en gebrokenheid waarin de mens leeft. De geboorte van Christus in de kerstnacht betekent dat God in de duisternis is komen wonen (vergelijk de slotstrofe), waar Hij als het licht van de wereld het donker zal verlichten.
Behalve de verwijzing naar de Romeinenbrief onder de liedtitel, komen we in het lied veel verwijzingen tegen naar bijbelplaatsen en bijbelse metaforen, die we hier niet allemaal kunnen opsommen. Deze bijbelgerichtheid is kenmerkend voor de liederen van Klepper. Het houdt nauw verband met zijn opvatting over taak en functie van het kerklied. Uit Psalm 81,11 (‘Open wijd je mond, ik zal hem vullen’) leidde Klepper af, zo schreef hij in een artikel uit 1939, dat kerklieddichters de opdracht hebben om te werken vanuit de Schrift, omdat daarin Gods spreken te horen is.

Strofe 1

In het eerste couplet wordt naast een verwijzing naar Romeinen 13 gerefereerd aan het bijbelse beeld van de morgenster. Over deze ster die de morgen aankondigt, lezen we in Openbaring 22,16, waar Jezus zich de ‘stralende morgenster’ noemt, en in 2 Petrus 1,19 waar de apostel schrijft: ‘U doet er goed aan uw aandacht altijd daarop gericht te houden, als op een lamp die in een donkere ruimte schijnt, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw hart.’
De morgenster-metafoor wordt in de lutherse traditie vaker gebruikt in kerstliederen en in het bijzonder in epifanieliederen. Een bekend voorbeeld is ‘Christus, uit God geboren’ (Liedboek 517) van Elisabeth Kreuziger en Philipp Nicolai’s ‘Hoe helder staat de morgenster’ (Liedboek 518).
De regels 5 en 6 herinneren aan Psalm 30,6: ‘met tranen slapen we ’s avonds in, ’s morgens staan we juichend op.’

Strofe 2

Zoals vermeld heeft Schulte Nordholt in het tweede couplet elementen uit de oorspronkelijke tweede en derde strofen samengevoegd. De strofen luiden bij Klepper:

Dem alle Engel dienen,
wird nun ein Kind und Knecht.
Gott selber is erschienen
zur Sühne für sein Recht.
Wer schuldig ist auf Erden,
verhüll nicht mehr sein Haupt.
Er soll errettet werden,
wenn er dem Kinde glaubt.

Die Nacht is schon in Schwinden,
macht euch zum Stalle auf!
Ihr sollt das Heil dort finden,
das aller Zeiten Lauf
von Anfang an verkündet,
seit eure Schuld geschah.
Nun hat sich euch verbündet.
den Gott selbst ausersah.

De centrale gedachte in de tweede strofe (van zowel de Duitse als Nederlandse tekst) is dat de Heer als kind is geboren om als knecht de schuld van de wereld op zich te nemen. Het knechtschap van de Heer – zie bijvoorbeeld Jesaja 42,1; 52,13; 53,11; Matteüs 12,18; Filippenzen 2,7 – is een centraal thema in de theologie van Luther. Luthers ‘fröhlicher Wechsel’ dat de Heer een knecht werd, wordt in lutherse liederen op diverse manieren benoemd. Een voorbeeld is het bekende ‘Loof God, gij christenen, maak hem groot’ (Liedboek 474, in het bijzonder vers 3 en 5).
De notie dat engelen de Heer dienen, verwijst naar Johannes 1,51 (‘En jullie zullen Gods engelen omhoog en omlaag zien gaan, om de Mensenzoon te dienen’), Hebreeën 1,6. Ook is er een referentie naar Psalm 91, die psalm die ter sprake komt in Matteüs 4:5-6. Daar verleidt de duivel Jezus om van het tempeldak te springen omdat in Psalm 91 staat dat Gods engelen de gelovigen toch wel zullen bewaren.
De bewoordingen van het slot van couplet 2 in de Nederlandse versie doen denken aan het Agnus Dei, de woorden uit Johannes 1,29.
Sterker dan in de Nederlandse vertaling bevat het oorspronkelijke lied meer expliciete verwijzingen naar het kerstverhaal uit Lucas 2. Zo refereert het oorspronkelijke derde couplet aan Lucas 2,12 waar de engel de herders opdraagt naar een stal te gaan (‘macht euch zum Stalle auf’) waar ze een pasgeboren kind (‘das Heil’), gewikkeld in een doek, in een voederbak zullen vinden.

Strofe 3 en 4

Hierboven noemde ik al dat ‘nacht’ in het lied eschatologisch geduid moet worden. Dat komt sterk naar voren in de strofen 3 en 4 van de Nederlandse tekst (= strofe 4 en 5 van de Duitse versie). In couplet 3 wordt opnieuw de morgenster genoemd, die hier als ‘de ster van Gods genade’ getypeerd wordt. In de oorspronkelijke tekst wordt benadrukt dat de duisternis geen macht meer heeft omdat ‘von Gottes Angesichte kam euch die Rettung her’. Het couplet herinnert aan Jesaja 60,2: duisternis mag de aarde bedekken, maar over Jeruzalem schijnt de luister van de Heer: ‘Beglänzt von seinem Lichte, hält euch kein Dunkel mehr’.
Dat het licht van Gods genade in de kerstnacht is opgegaan, en dat desondanks ‘zwarte nachten’ nog realiteit zijn, wordt in de slotstrofe nog nadrukkelijker verwoord: ‘Gott will im Dunkel wohnen / und hat es doch erhellt’. Dat is een veelzeggend ander accent dan de wat meer vanuit menselijke ervaring gedachte versregel: ‘God lijkt wel diep verborgen in onze duisternis / maar schenkt ons toch een morgen die vol van luister is’.
Voor de woorden ‘Gott will im Dunkel wohnen’ wordt wel verwezen naar 1 Koningen 8,12, waar Salomo bij de inwijding van de tempel zegt: ‘Heer, u hebt gezegd dat u in een donkere wolk wilde wonen.’ Friedrich Schultz (Liederkunde zum Evangelischen Gesangbuch Heft 2, blz. 13) meldt bij deze versregel het volgende. Twee weken voordat Klepper het lied schreef, vertelt hij in zijn dagboek over het feit dat de nazi’s hem vanwege zijn joodse vrouw geen toestemming geven tot publicatie van zijn werk. Hij merkt dan op dat hij niet in acties gelooft, want ‘Gott will im Dunkel wohnen, und das Dunkel kan nur durchstoßen werden durchs Gebet.’ Behalve naar 1 Koningen 8,12 lijkt een referentie aan Jesaja 45,15 relevant: ‘Voorwaar, u bent een God die zich verborgen houdt, de God van Israël die redding brengt’. Onder meer deze tekst vormt de basis voor de theologie van Gods verborgenheid, de gedachte dat God zich wel geopenbaard heeft, maar dat Hij zich ook verborgen houdt. Deze theologie werd met name in de vijftiende eeuw door Nicolaus Cusanus (1401-1464) ontwikkeld, en vond aanhangers onder mystici en zestiende eeuwse reformatoren, onder wie Martin Luther.

Dat het raadsel van Gods verborgenheid zich met kracht opdrong aan Klepper, stond uiteraard niet los van Kleppers leven in nationaalsocialistische Duitsland. Zo werd hij in 1933 ontslagen omdat hij met Johanna Stein-Gerstel getrouwd was, een weduwe van joodse herkomst. Deze vrouw, die Klepper ‘Hanni’ noemde, had uit haar eerste huwelijk twee dochters: Brigitte en Renate. Vanwege het jood-zijn van vrouw en dochters kreeg Klepper in 1937 een publicatie verbod. In zijn dagboek schreef hij kort daarna en vlak voordat hij ‘De Nacht is vorgedrungen’ hierover: ‘Es geschieht Hannis wegen. Ich glaube nicht an Aktionen. Gott will im Dunkel wohnen, und das Dunkel kann nur durchstoßen werden durchs Gebet.’
Dat we het beeld van Gods wonen in de duisternis terugvinden in strofe 4 van zijn lied, karakteriseert de nauwe relatie tussen enerzijds Kleppers geloof en levensgeschiedenis en anderzijds zijn liederen. Even typerend is dat Klepper nadrukkelijk bezingt dat God én in de duisternis wil wonen én haar toch verlicht. In de woorden van de slotregel: ‘Zijn duisternis is licht’. De morgenster (‘ster van Gods genade’ – strofe 3) is daarbij het beeld van hoop: het is immers de ster die de morgen aankondigt.

Strofevorm

Klepper gebruikte een strofevorm die in het zeventiende-eeuwse Duitse kerkliedrepertoire al vaak is gebruikt: acht regels met afwisselend zeven en zes lettergrepen, waarbij elke regel drie jamben telt. Het rijmschema is a-B-a-B-c-D-c-D. Voorbeelden van liederen met deze vorm zijn: ‘Wie soll ich dich empfangen’ (‘Hoe zal ik U ontvangen’ – Liedboek 441) en ‘Valet will ich dir geben’ (vergelijk Liedboek 803)


Melodie

Johannes Petzold componeerde bij vijftien liederen van Klepper een melodie. De melodie die hij schreef bij ‘Die Nacht ist vorgedrungen’ werd de meest bekende. Zij werd gepubliceerd in Petzolds bundel Neue Weihnachtslieder uit 1939. Al spoedig werd zij met de tekst van Kleppers ‘Die Nacht ist vorgedrungen’ geliefd. Dat blijkt ook wel uit het gegeven dat de melodie een van de weinige twintigste-eeuwse melodieën uit het Evangelisches Kirchengesangbuch (1955) is die populair is gebleven.

De melodie heeft de Bar-vorm: de eerste twee regels worden herhaald in regel 3 en 4 (‘Aufgesang’), waarna vier regels volgen als ‘Abgesang’.
Het ritme van de melodie vertoont een sterke gelijkenis met de Geneefse psalmmelodieën en met melodieën van Johann Crüger. Dit betreft vooral het gebruik van twee notenwaarden: halve en kwartnoten.
De melodie past ook om een andere reden in de reformatorische traditie. De componist heeft namelijk gebruik gemaakt van een modus (‘kerktoonsoort’), te weten de hypo-phrygische toonsoort. Deze toonsoort werd in het verleden vaak gebruikt bij teksten waarin sprake was van droefheid én van vertrouwen op God.

Analyse

De eerste regel kenmerkt zich door de kwartsprong van de finalis g’ naar dominant c”, waarna de melodie onder andere via een dalende kleine tertssprong terugvoert naar de g’. In regel 2 beweegt de melodie zich via twee dalende tertssprongen naar de dominant c’ om op f’ te eindigen. Opvallend in deze regel is ook het tweetonig, stijgend melisme.
De eerste twee regels van het ‘Abgesang’ contrasteren met het ‘Aufgesang’ doordat zij zich in secundeschreden bewegen en doordat ze van elkaar worden gescheiden door een opwaartse kwintsprong, het grootste interval dat in de melodie gebruikt wordt. Bij de overgang van regel 5 naar 6 wordt bovendien het ternair metrum even onderbroken door een binair metrum, waardoor de melodie een extra (ritmisch) impuls krijgt. De metrumwisseling vormt eveneens de opmaat naar het hoogtepunt van de melodie in regel 6. Deze melodieregel begint en eindigt op de dominant c”.
De een na laatste regel is verwant aan regel 1 (3):
Dit komt vooral door de kwartsprong g’-c” aan het begin van de regel. Maar door de ritmische spanning en hoge ligging van regel 6 klinkt de kwartsprong in regel 7 meer bevestigend en oplossend dan in regel 1/3. In het ‘Aufgesang’ heeft de kwartsprong namelijk een meer roepend karakter, mede omdat de dominanttoon c” herhaald wordt.
In de regels 6 en 7 klinken ook tweetonige melismen, maar nu dalend en voorafgaand aan de slotnoten van de regels.
Bij de overgang naar de laatste regel ontmoeten we weer de wisseling van een ternair naar binair metrum. Melodisch is er een relatie met de even regels uit het ‘Aufgesang’:
De tweede tertssprong in de slotregel klinkt in halve noten in plaats van kwartnoten, waardoor ritmisch toegewerkt wordt naar de slotformule. Dat slot valt op doordat – evenals in regel 1 en 3 – een kwartsprong klinkt, die nu echter via de f’ de slotnoot g’ voorbereidt.


Liturgische bruikbaarheid

De Bijbeltekst waarop Klepper zijn lied baseerde, is het begin van de epistellezing die volgens het klassiek-lutherse leesrooster op de eerste adventszondag gelezen wordt (vgl ook het Gemeenschappelijk Leesrooster, advent I in het A-jaar). Gezien de relatie met deze schriftlezing is het lied in Duitse gezangboeken onder de adventsliederen geschaard. In Nederland heeft men dit overgenomen. In het Gezangboek der Evangelisch-Lutherse Kerk uit 1955 werd een vertaling opgenomen in de rubriek Advent. En ook in het Liedboek staat het in deze rubriek.
Behalve op de eerste adventszondag kan het lied de gehele adventsperiode gezongen worden. Conform Kleppers oorspronkelijke bedoeling kan het eveneens met kerst, bijvoorbeeld in de kerstnachtdienst, fungeren. In de Nederlandse vertaling zijn – afgezien van de tweede strofe, waar over het ‘kind’ gezongen wordt – geen nadrukkelijke elementen uit het kerstverhaal opgenomen. Daardoor is het misschien zelfs denkbaar dat het lied in de veertigdagentijd of op Stille Zaterdag gezongen worden.

Auteur: Jan Smelik


Media

Uitvoerenden: Cantorij Emmeloord o.l.v. Co Jongsma-Hoekstra; Dirk Donker, orgel (bron: KRO-NCRV)