Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

448 - Het volk dat wandelt in het duister


Een eerste kennismaking

Dit is een lied naar Jesaja 9,1-6, de profetenlezing van de kerstnacht. In dit schriftgezang werkt de dichter Jan Willem Schulte Nordholt het contrast tussen licht en duister uit. Zo staat in strofe 1 het ‘duister’ tegenover ‘een groot licht’, in strofe 2 ‘de schaduwen des doods’ tegenover ‘de witte weg’.
De belofte van vrede wordt heel fraai verwoord in de strofen 3 en 4. De andere namen voor het ‘Kind ons geboren’ bezingen we in de strofen 5 tot en met 7. De Zoon is ‘het licht in de duisternis’, met als toevoeging: ‘de weg, de waarheid en het leven’, een verwijzing naar het Johannesevangelie (1,5 en 14,6). In de laatste strofe klinken gedachten uit het laatste bijbelboek. De profetentekst is zo met andere bijbelse noties verbreed.
De melodie werd door Frits Mehrtens vooral bij strofe 9 gehoord: de motiefherhaling bij de woorden ‘en alle, alle mensen samen’ en het melodisch hoogtepunt bij het woord ‘zingen’. Voor de even coupletten schreef hij andere muziek in de reciteerstijl van Joseph Gelineau, om zo door afwisseling te voorkomen dat al te snel de schaar in dit lied wordt gezet. Deze muziek is nu ook in het Liedboek opgenomen en in het bijzonder geschikt voor koor, cantorij of solostem.

Auteur: Pieter Endedijk


Jan Willem Schulte Nordholt
Frits Mehrtens

Tekst

Herkomst

Het lied bevat diverse elementen uit Jesaja 9, het bekende bijbelgedeelte over het volk dat een groot licht zal zien en over een kind met indrukwekkende namen dat geboren is. Het ontstaan van het lied staat niet los van de betekenis die het profetische visioen uit Jesaja had voor de dichter Jan Willem Schulte Nordholt.
De liedtekst is nauw verweven met zijn biografie. In 1954 kreeg hij een beurs om aan de Vanderbilt University in Nashville (Tennessee) de historische achtergronden van het Amerikaanse rassenvraagstuk te bestuderen. Twee jaar later publiceerde hij een boek over dit onderwerp, waarvan de titel nagenoeg gelijk is aan de eerste regel van het lied: Het volk dat in duisternis wandelt (Arnhem 1956). Dit boek over de geschiedenis van de zwarte bevolking in Amerika, een onderwerp waarover in het Nederlandse taalgebied tot dan toe weinig gepubliceerd was, werd enthousiast ontvangen, drie keer herdrukt en in het Duits en Engels vertaald. Als vervolg erop publiceerde Schulte Nordholt vijftien jaar later een boek over ‘de negerrevolutie’ in Amerika uit de periode 1954-1966 en weer was er een relatie tussen de boektitel en het lied: In de schaduw van een groot licht (Deventer 1971). Schulte Nordholt werd in 1962 aan de Rijksuniversiteit van Leiden benoemd tot lector voor de geschiedenis en cultuur van Noord-Amerika, vier jaar later zou dat lectoraat omgezet worden in een professoraat.
Schulte Nordholt had zijn interesse en sympathie voor Amerika ontwikkeld tijdens de Tweede Wereldoorlog. In 1942 werd hij samen met zijn tweelingbroer Johan door de bezetter gevangengenomen wegens Duitsvijandige activiteiten, dat wil zeggen: wegens het verspreiden van de verzetskrant Vrij Nederland, die in zijn ouderlijk huis te Zwolle gemaakt werd. Jan Willem Schulte Nordholt kreeg een jaar gevangenisstraf die hij in Scheveningen, Bochum en Kleef uitzat. Tijdens zijn gevangenschap schreef hij onder het pseudoniem W.S. Noordhout zijn eerste gedichtenbundel: Het bloeiende steen ([Utrecht] [1943]). Na zijn gevangenschap dook hij onder in de omgeving van Heerde, waar hij zijn toekomstige vrouw Dieuwertje leerde kennen. De oorlogsjaren hebben Schulte Nordholt getekend; tijdens een radio-interview in 1993 noemde hij de oorlog een van de meest ingrijpende perioden uit zijn leven, waarin hij de betrekkelijkheid van de dingen heeft geleerd. Gevangenschap, onderdrukking en (hoop op) bevrijding bepaalden in de jaren veertig het dagelijkse leven van Schulte Nordholt, en hij herkende dit in de geschiedenis en vrijheidsstrijd van de ‘negers’, die hij tijdens zijn werkzame leven als historicus bestudeerde.
Schulte Nordholt was gefascineerd door het liedrepertoire van de slaven, de negrospirituals. Hij waardeerde deze liederen omdat slaven daarin op authentieke wijze Bijbelse verhalen en profetieën zich toe-eigenden; ze gaven daarmee klank aan hun verlangen naar en hoop op bevrijding. In de woorden van Schulte Nordholt: ‘Typisch voor hun [= slaven – JS] geloof was hun herkenning van de bijbelse verhalen van het lijden, hun verwantschap met de god die leed en triomfeerde.’ En: ‘De slaven deden wat de oudste christenen ook al deden, zij zongen dezelfde verhalen die in de catacomben staan afgebeeld over mensen die in nood worden gered en ze bedoelden ongetwijfeld dezelfde individuele troost voor hun ziel: Israël in Egypte, Daniël in de leeuwenkuil, Jona in de walvis’ (Het woord brengt de waarheid teweeg, Kampen 1992, 176, 179-180): In de negrospirituals werd het lijden van de slaven ‘geconcentreerd en daarmee dan ook getranscendeerd en dat nota bene met de verhalen van een ander lijdend volk: de joden.’
Vanuit deze optiek kan het lied ‘Het volk dat wandelt in het duister’ geplaatst worden in de traditie van de negrospirituals, want zoals de zwarte Amerikanen verhalen en profetieën uit de Bijbel bezongen met oog op hun eigen benarde situatie zonder dat te expliciteren, zo was voor Schulte Nordholt de profetie uit Jesaja verbonden aan de geschiedenis van de slaven én aan zijn eigen levensgeschiedenis tijdens de oorlog.

Verspreiding

Het lied werd voor het eerst gepubliceerd in Bijbel voor de kinderen. Met zingen en spelen. Deel 1: Het Oude Testament (Baarn 1959, blz. 286) van de remonstrantse predikante J.L. Klink (1918-2008). De muziek bij de liedtekst, bestaande uit een melodie voor de oneven verzen en een reciterende melodie voor de even verzen was van de hand van Frits Mehrtens.
Het lied verscheen daarna in het Liedboek voor de kerken (1973, gezang 25), zij het met een paar kleine tekstuele wijzigingen in couplet 1 (regel 1), 3 (regel 4), 5 (regel 2) en 6 (regel 2). De verhalende melodie voor de even verzen was geschrapt.
Het lied werd ook opgenomen in Zingt jubilate (1976, 219), Gezangen voor liturgie (1983, nr. 459), de NCRV-serie Lied van de week, jaargang 2 (1986), Oud-Katholiek Gezangboek (1990, nr. 518), Laus Deo (2000, blz. 728) en Weerklank (2016, gezang 107). Jürgen Henkys maakte in 1980 een Duitse vertaling van acht strofen (‘Das volk, das noch im Finstern wandelt’), die een plaats kreeg in het Evangelisches Gesangbuch (1994, nr. 20).
In het Liedboek is het lied opgenomen met een paar wijzigingen ten aanzien van het hoofdlettergebruik en met de muzikale vormgeving die Mehrtens oorspronkelijk bedoeld had.

Inhoud

In het Liedboek voor de kerken stond het lied in de rubriek ‘Bijbelliederen’ en luidde het opschrift ‘naar Jesaja 9:1-6’, maar in het huidige Liedboek is ervoor gekozen het lied onder te brengen in de rubriek ‘Getijden van het jaar – adventstijd’. Gezien de inhoud van het lied is dat een betere keuze, want in het lied treft men niet alleen elementen uit Jesaja 9 aan, maar ook referenties aan nieuwtestamentische passages. Bovendien sluit het lied aan bij de profetenlezing in de kerstnachtdienst.

De eerste twee regels van couplet 1 zijn een bewerking van Jesaja 9,1: ‘Het volk dat in duisternis ronddoolt ziet een schitterend licht. Zij die in het donker wonen worden door een helder licht beschenen’. In de regels 3-4 gaat de strofe over in een oproep om met opgeheven hoofden naar de hemel te kijken en te luisteren. De reden daarvoor wordt in de tweede strofe (strofe 1 eindigt met een komma!) gegeven: ‘gij die hier woont in ’t dal der tranen / en van de schaduwen des doods’ ziet reeds ‘hoe groots Hij zich zijn witte weg zal banen’. Natuurlijk is van betekenis dat het persoonlijk voornaamwoord ‘hij’ hier met een hoofdletter geschreven staat.

Het derde couplet is geschreven bij Jesaja 9,4: ‘Iedere laars die dreunend stampte en elke mantel die doordrenkt is van bloed, ze worden verbrand, ze vallen ten prooi aan vuur’. Met name in de laatste regel van vers 3 (‘geen laarzen die in ’t duister stampen’) gebruikt Schulte Nordholt naar eigen zeggen een realiteit die hij persoonlijk kende uit de oorlogsjaren 1940-1945, toen hij gevangen en ondergedoken zat. Datzelfde geldt voor de tweede regel van couplet 4 (‘de onderdrukking is voorbij’). In dit couplet wordt de bevrijding, ook die van de dood, gekoppeld aan de geboorte van het kind (vergelijk Jesaja 9: 5). [Dat in het lied ‘kind’ niet met hoofdletter geschreven wordt zoals in de Nieuwe Bijbelvertaling, heeft te maken met de spellingsregels die de redactie van het Liedboek volgde.]

Drie van de negen strofen zijn geschreven bij Jesaja 9,5, wat betekent dat de dichter op dit Bijbelvers het volle accent gelegd heeft. Strofe 5 is een uitwerking van de woorden ‘een zoon is ons gegeven’ uit Jesaja, dat Schulte Nordholt onmiskenbaar christologisch duidt: ‘de Zoon van God die koning is’.
In de volgende versregels van couplet 5 wordt Hij aangeduid met de johanneïsche bewoordingen: het licht in de wereld (Johannes 1,4; 8,12), de weg, de waarheid en het leven (Johannes 14,6).

De coupletten 6 en 7 verwoorden het vervolg van Jesaja 9,5: ‘Deze namen zal hij dragen: Wonderbare raadsman, Sterke God, Eeuwige vader, Vredevorst’, waarbij alleen de eerste twee namen uitgewerkt worden.
De namen (titels) die in Jesaja 9,5 – en daarmee in de strofen 6 en 7 – aan de zoon gegeven worden, duiden op de komst van een rijk van vrede, recht en rechtvaardigheid (Jesaja 9,6). Deze toekomst(verwachting) wordt in de laatste twee coupletten getekend. Het land waar het kind van God koning zal zijn, wordt aangeduid met de oudtestamentische benaming ‘land van melk en honing’ (Exodus 3,8.17; Leviticus 20,24 et cetera). De koning zal eeuwig op de ‘troon van David’ zitten, waarmee niet alleen naar Jesaja 9,6 verwezen is, maar ook naar Lucas 1,32 waar Maria wordt aangezegd dat haar zoon Jezus ‘de troon van zijn vader David’ gegeven zal worden.
Het laatste couplet refereert aan het Bijbelboek Openbaring (7,9) waarin visionair gesproken wordt over de onafzienbare menigte die Gods lof zingt voor de troon van het lam. Het zingen ‘in het grote licht’ grijpt terug op Jesaja 9,1 (vergelijk couplet 1), maar ook op Openbaring 21,24 (’De volken zullen in haar [= stad van God – JS] licht leven en de koningen op aarde brengen daar hun eerbewijzen’) en 22,5 (’want God de Heer, zal hun licht zijn’).

Vorm

Het lied kent een vierregelige strofevorm bestaande uit regels met vier jamben met in de regels 1 en 4 een toegevoegde onbeaccentueerde lettergreep. Het rijmschema is aBBa.


Melodie

Bij de negenstrofige liedtekst maakte Frits Mehrtens een melodie voor de oneven strofen en een volgens de methode van Joseph Gelineau (1920-2008) voor de even coupletten. Hiervoor had hij – zo meldde hij in het Compendium (k. 194) – verschillende redenen: 1. bij negen strofen gaan ‘predikheren’ al snel coupletten selecteren, iets dat bij de gekozen muzikale vormgeving minder snel zal gebeuren; 2. Mehrtens ervoer een verschil in spreekrichting tussen de oneven en even strofen, bijvoorbeeld strofe 1: ‘Het volk dat wandelt in het duister’, strofe 2: ‘Gij die hier woont in ’t dal der tranen’. En in de derde plaats ‘leverde het feit van negen strofen een derde coördinaat, namelijk een vormelijke: tussen de strofen 1-3-5-7-9 ‘passen’ 2-4-6-8.’
Tot zijn spijt was in het Liedboek voor de kerken alleen de melodie van de oneven strofen opgenomen, wat overigens daarna in alle andere liedbundels gebeurde. Voor het eerst sinds 1959 is in het Liedboek (2013) de oorspronkelijke muzikale vormgeving van Mehrtens aangehouden.

Wat de melodie voor de oneven strofen betreft, heeft Mehrtens zich laten inspireren door de woorden ‘alle, alle mensen’ uit de beginregel van de slotstrofe. De intensiverende opeenstapeling ‘alle, alle’ bracht hem ertoe te zien ‘hoever hij met gestapelde kwarten kon komen’. De kwartsprongen, die de eerste en vierde regel structureren, verhogen de spanning. De sterk opwaartse beweging verklankt als het ware het verwachtingsvol opheffen van het hoofd (vgl couplet 1, regel 3-4), het uitzien naar het licht.
De regels 2 en 3 bewegen zich hoofdzakelijk in secunden en tertsen:
De tweede regel intensiveert in secundegang en met een tertssprong de stijgende beweging uit de eerste regel. Zoals gezegd liet Mehrtens zich bij de ‘inventio’ van de melodie leiden door regel 1 uit het slotcouplet. Daarom is het goed mogelijk dat de derde regel van dat couplet hem ertoe bracht daar het hoogtepunt te leggen, omdat deze versregel de climax verwoordt waar het bevrijdingsvisioen op uitloopt: alle mensen zullen
In tegenstelling tot de overige drie regels heeft de derde regel na het bereiken van het hoogtepunt een sterk dalende beweging, om te eindigen op de tonica g’. Maar tot een duidelijke afsluiting komt het pas in de vierde regel waarin de kwartsprongen uit regel 1 terugkeren.

In de jaren vijftig, toen Mehrtens de muziek componeerde bij het lied van Schulte Nordholt, had de Franse, jezuïtische priester en componist Joseph Gelineau een methode ontwikkeld om psalmen onberijmd te zingen. Het betrof een responsoriale vorm waarbij het volk/de gemeente een refrein/antifoon zingt, terwijl de cantor(ij) de verzen reciterend ten gehore brengt. In Nederland werd zijn methode gepromoot door Kees Middelhoff, Jop Pollmann en J.A.M. Wetermann. Zij verzorgden in 1957 Psalmen in Nederlands proza, volgens de methode van J. Gelineau.
Mehrtens was blijkbaar geïntrigeerd door deze, destijds nieuwe methode om onberijmde psalmen in de landstaal uit te voeren, en gebruikte die voor de verklanking van de even strofen van ‘Het volk dat wandelt in het duister’.
Hoewel Mehrtens de even coupletten van een andere muzikale vorm voorzag, heeft hij uiteraard wel gezorgd voor eenheid met de melodie van de oneven strofen. Dat geldt de overeenkomstige toonsoort (g-klein), maar ook de kwartsprongen die in alle regels van de Gelineau-melodie een belangrijke rol spelen. Evenals in de melodie van de oneven strofen klinkt het hoogtepunt (es”) in de psalmodie in de derde regel. De melodische formule c”-a’-g’ vormt de afsluiting in beide melodieën.

De zangmethode van Gelineau (en dus ook van Mehrtens’ zetting van de even strofen) kent een regelmatige, gelijkblijvende puls, waarbinnen een variabel aantal lettergrepen gezongen moet worden. Elke regel heeft een voorgeschreven aantal beaccentueerde lettergrepen met een varierend aantal onbeklemtoonde. Het is belangrijk om daarbij recht te doen aan het natuurlijke spreekritme van de tekst. Voor een uitleg over de uitvoeringspraktijk: klik hier.
De melodie en de ‘Gelineau-melodie’ bij ‘Het volk dat wandelt in het duister’ werden gecomponeerd voor de Bijbel voor de kinderen, en het ligt daarom voor de hand dat Mehrtens aan een uitvoering door een of meer kinderen gedacht heeft. Dat staat daar ook boven het lied: ‘men kan hier voor een ‘solistje’ nemen’. Maar het is uiteraard ook mogelijk dat een koor de verzen eenstemmig of vierstemmig zingt. En natuurlijk kan men in plaats van een ‘solistje’ ook een solist (cantor) nemen.

Mocht de melodie bij de even coupletten op onoverkomelijke (uitvoerings)bezwaren stuiten, dan geeft Mehrtens de suggestie om de even coupletten te laten zingen door ‘de vrouwen, de kinderen of één kind’.

Auteur: Jan Smelik


Media

Uitvoerenden: Kathedraalkoor Brugge o.l.v. Ignace Thevelein; Jos Bielen, orgel (in deze opname wordt uitsluitend de melodie voor de oneven strofen gebruikt)