Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

448 - Het volk dat wandelt in het duister


Een eerste kennismaking

Dit is een lied naar Jesaja 9,1-6, de profetenlezing van de kerstnacht. In dit schriftgezang werkt de dichter Jan Willem Schulte Nordholt het contrast tussen licht en duister uit. Zo staat in strofe 1 het ‘duister’ tegenover ‘een groot licht’, in strofe 2 ‘de schaduwen des doods’ tegenover ‘de witte weg’.
De belofte van vrede wordt heel fraai verwoord in de strofen 3 en 4. De andere namen voor het ‘Kind ons geboren’ bezingen we in de strofen 5 tot en met 7. De Zoon is ‘het licht in de duisternis’, met als toevoeging: ‘de weg, de waarheid en het leven’, een verwijzing naar het Johannesevangelie (1,5 en 14,6). In de laatste strofe klinken gedachten uit het laatste bijbelboek. De profetentekst is zo met andere bijbelse noties verbreed.
De melodie werd door Frits Mehrtens vooral bij strofe 9 gehoord: de motiefherhaling bij de woorden ‘en alle, alle mensen samen’ en het melodisch hoogtepunt bij het woord ‘zingen’. Voor de even coupletten schreef hij andere muziek in de reciteerstijl van Joseph Gelineau, om zo door afwisseling te voorkomen dat al te snel de schaar in dit lied wordt gezet. Deze muziek is nu ook in het Liedboek opgenomen en in het bijzonder geschikt voor koor, cantorij of solostem.

Auteur: Pieter Endedijk


Jan Willem Schulte Nordholt
Frits Mehrtens

Tekst

Deze toelichting is overgenomen uit ‘Een Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken’ (Amsterdam 1977) en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is.

Sinds ik in 1956 aan mijn boek over de geschiedenis van de negers in de Verenigde Staten de titel had gegeven Het volk dat in duisternis wandelt (Arnhem 1956), was ook voor het gezangboek mijn bijzondere aandacht bepaald bij de profetische passage uit het negende hoofdstuk van Jesaja. Daarom heb ik er een schriftgezang over gemaakt, dat overigens nogal vrij in benadering is, of liever los van opzet, hoewel er geen beelden in gebruikt zijn, die niet in dit schriftgedeelte voorkomen of tenminste in verwante bijbelse passages. Ook de stampende laarzen uit strofe 3, die ik uiteraard niet opgeschreven heb zonder daarbij aan de oorlog te denken die wij beleefden, zijn toch te vinden in vers 4 van het negende hoofdstuk. In strofe 5 zijn de titels, aan het goddelijke kind gegeven, opzettelijk uitgebreid met de namen die Jezus zichzelf geeft in het Nieuwe Testament. De naamgeving uit vers 5 van de bijbeltekst is in het bijzonder uitvoerig gevolgd als kern van de hele profetie. De slotstrofe is een vrije uitwerking van het eschatologische motief.

Auteur: Jan Willem Schulte Nordholt


Melodie

NB.: Deze toelichtende tekst van Frits Mehrtens bij de melodie van dit lied gaat uit van zoals dit lied in het Liedboek voor de kerken (1973) is opgenomen. In het Liedboek (2013) is wel recht gedaan aan de oorspronkelijke muzikale opzet, dus met een aparte toonzetting van de even strofen (red.). 

De wijze waarop dit lied als gezang 25 in het Liedboek voor de kerken is verschenen, is een voorbeeld van het feit dat de conceptie van een lied wordt geïgnoreerd wanneer men ‘dogmatisch’ denkt over het hoe van de kerkzang.
Gegeven was de tekst van Jan Willem Schulte Nordholt. Negen strofen, zo overwoog ik, is veel, en brengt predikheren in de verzoeking om de schaar te hanteren, gelijk dat met de psalmen ook immers zo vlijtig geschiedt (en dan nog zeggen dat men geen gezangen zingen wil, terwijl men de psalmen zondag aan zondag tot gezangen ver-fröbelt!).
Bovendien ervoer ik een verschil in spreekrichting tussen de oneven en even strofen, bijvoorbeeld strofe 1: ‘Het volk dat in het duister wandelt’, strofe 2: ‘Gij die hier woont in ’t dal der tranen’. En tenslotte leverde het feit van negen strofen een derde coördinaat, namelijk een vormelijke: tussen de strofen 1-3-5-7-9 ‘passen’ 2-4-6-8.
Zo kwam ik tot een vormgeving, waarbij de oneven strofen een melodie kregen, bedoeld voor allen (ik heb daarin geprobeerd hoever ik met gestapelde kwarten kon komen, daartoe geïnspireerd door de laatste strofe: ‘En alle, alle mensen samen’, mij daarbij houdend aan Jesaja, die spreekt van het afwissen der tranen van aller ogen, een zaak die mij door de prediking van dr. J.J. Buskes aan het hart is gelegd). Voor de even strofen kwam ik tot een psalmodische oplossing op de manier van Joseph Gelineau (1920-2008). U vindt deze, bedoelde, vorm in de Bijbel voor de kinderen (die wél!) van dr. J. Klink (Baarn 1959, deel I, Het Oude Testament, blz. 286).
Slechts op die wijze zijn negen strofen niet te veel. Kunt u deze oorspronkelijke vorm uit het boek van dr. Klink niet aan, pas dan een wisselzang toe: de oneven strofen voor allen, de even strofen voor de vrouwen, de kinderen of één kind.
Koningin Juliana wenste zich deze vorm bij één harer kersttoespraken in een uitvoering door het NCRV-kinderkoor onder leiding van Marius Borstlap.

Auteur: Frits Mehrtens


Media

Uitvoerenden: Kathedraalkoor Brugge o.l.v. Ignace Thevelein; Jos Bielen, orgel (in deze opname wordt uitsluitend de melodie voor de oneven strofen gebruikt)