Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

449 - In de duisternis verwachten wij het licht


Jan Willem Schulte Nordholt
Wim Ruessink

Tekst

Inleiding

Dit adventslied put zijn belangrijkste inspiratie uit Jesaja 9, een lezing die in de kerstnacht klinkt. Jesaja 9 is voor Jan Willem Schulte Nordholt een belangrijke Bijbeltekst geweest. Dit lied is in de jaren ‘90 opgenomen in Zingend Geloven deel 5 (1994, nr. 34) en in Tussentijds (2005, nr. 136). Tientallen jaren daarvoor schreef Schulte Nordholt zijn bekende boek Het volk dat in duisternis wandelt – de geschiedenis van de negers in Amerika (1956). Zie hiervoor verder de inleiding bij de toelichting op Liedboek 448.

Het lied is méér dan een berijming of parafrase van Jesaja 9,1-5, die eigenlijk pas in strofe 5 tot en met 7 expliciet aan de orde komt. De strofen ervoor vormen een poëtische theologie van de komst van Christus. Deze is niet alleen een historisch feit in een stal. De komst van Christus voltrekt zich op allerlei manieren in verleden, heden en toekomst.

Het lied wordt gezongen op twee melodieën, die in het vierde en zevende couplet bij elkaar komen. Dat heeft iets symbolisch. Dit lied verklankt verwachting en blijdschap over Christus’ komst. Deze twee thema’s sluiten elkaar niet uit maar in, ze klinken samen.

Opvallend in dit lied zijn de identieke aanheffen van een aantal regels. Drie opeenvolgende regels beginnen met ‘in’ (strofe 3). Twee beginnen met ‘te beginnen’ (strofe 4). Twee met ‘want’ en ‘op zijn’ (strofe 5); twee met ‘als’ (strofe 7). Ook keert de aanhef ‘op’ terug in strofe 2,3, 4 en 6. Dat geeft een versterkend effect. De ene regel herneemt de vorige en voegt er iets aan toe.

Inhoud 

Strofe 1

De dichter valt met de deur in huis: we verwachten Hem die ‘wordt geboren in een stal’. Op de thematiek van Jesaja 9 zinspelen de eerste regels met hun tegenstelling van duisternis en licht. Maar ze krijgen van meet af aan een toespitsing in de persoon van Hem die het licht is: Jezus Christus.

Strofe 2

‘Onze hunkerende ogen / blijven blijven op één doel gericht.’ Deze zin leidt de strofen 2,3 en 4 in. Laatstgenoemde strofen hernemen beide het woordje ‘op’. Het ene doel waarop we ons richten is allereerst: de opgang uit den hoge. Dat is een verwijzing naar het Benedictus, de lofzang van Zacharias (Lucas 1,78). Dit licht schijnt en verschijnt. Het Benedictus klinkt dan ook vanouds in het morgengebed, wanneer de zon opgaat. Maar ook elders in de Schrift is de ‘opgang’ een beeld voor de komst van Gods heil, zoals Numeri 24,17 (de ster die opgaat uit Jakob), Jesaja 60,1 (de heerlijkheid van de Heer) en Maleachi 3,20 (de zon die stralend opgaat en gerechtigheid brengt – het zijn steeds messiaanse beelden.

Strofe 3

Onze ogen blijven gericht op... Jezus’ verschijning. Het woord ‘verschijnen’ opent een perspectief, niet alleen op Kerst, maar ook op de Epifanie (‘verschijning’) die erop volgt. Jezus is geboren ‘toen de volheid des tijds gekomen was’ (Galaten 4,4 SV). Hebreëen 1 spreekt over ‘nu, aan het einde van de tijd’ (1,2). Schulte Nordholt heeft het over ‘het midden van de tijd’, zoals ook in Liedboek 473:2 gebeurt. Hij lijkt dit lied van Jan Wit te citeren. Het midden van de tijd geeft het centrum en het hart aan. Hier draait de geschiedenis om. Drie regels beginnen met het voorzetsel ‘in’. Dat creëert iets van een climax. De komst van Christus vindt plaats met Kerst, maar ook in het heden, terwijl uiteindelijk de ‘wereld wijd en zijd’ beoogd is.

Strofe 4

Onze ogen blijven gericht op… ‘de wereldwijde vrede, / als Hij werkelijk komen zal’. Voordat je vraagt of zijn komst tot op heden niet ‘werkelijk’ was: zing verder. Want zijn komst is er één ‘te beginnen in het heden, / te beginnen in de stal’. Jezus is onze tijdgenoot geworden, is ons gelijktijdig geworden. Jezus’ komst is dus niet een incident van vroeger of een toekomstig incident. Het is een gebeuren dat zich uitstrekt over de eeuwen, en waarin ook ons heden kan worden opgenomen. Het wordt daarmee een ‘heden der genade’.

Strofe 5

Nu komt, als een antwoord op de hunkerende strofen 1 tot en met 4, de profetie van Jesaja 9,5-6. ‘Want een kind is ons gegeven…’ Hij heeft ‘op zijn lippen eeuwig leven’. Dit is niet in Jesaja 9 terug te lezen. Het lijkt een verwijzing te zijn naar Johannes 6,68. ‘Naar wie zouden we moeten gaan, Heer? U spreekt woorden die eeuwig leven geven’. Ook valt te denken aan Psalm 45,3. ‘Lieflijkheid vloeit van uw lippen’.

Strofe 6

Wij zeggen ‘ja en amen’ op Jezus’ wonderlijke namen. De uitdrukking ‘ja en amen’ komt uit 2 Korintiërs 1,20 (SV). Alle beloften van God zijn in Christus ja en amen. ‘Hij belichaamt het ja’, vertaalt de Nieuwe Bijbelvertaling. Tegelijk blijft onze dorst. ‘Daar ons hart naar vrede dorst’. De uitdrukking doet denken aan de Zaligsprekingen. Daarin worden zij die hongeren en dorsten naar gerechtigheid zalig gesproken (Matteüs 5,6), evenals de vredestichters (5,9).

Strofe 7

Kerstfeest is een feest midden in de winter, waarop we de verschijning van het licht vieren. De zonnewende vindt plaats, het kan in principe weer lente worden. Deze strofe preludeert daarop. Jezus’ namen stralen ‘als een tuin vol voorjaarsbloemen’. Volgens een ander lied ‘bloeien alle bomen, / want het aardse paradijs / is vannacht gekomen’ (Liedboek 486:3). Maar voordat het lied ontspoort in voorbarigheid, zet de dichter een ander beeld tegenover. Jezus’ namen zijn ‘als sterren in de nacht’. Want het is ondertussen wel nacht. Habet mundus iste noctes suas et non paucas – deze wereld heeft zijn nachten, en het zijn er niet weinig (St. Bernard van Clairvaux).

Auteur: Wouter van Voorst


Melodie

Deze toelichting bij de melodie is overgenomen uit ‘Commentaar bij Zingend Geloven 5’ en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is. De toelichting bij de tekst is nieuw geschreven voor deze website.

Wim Ruessink schreef bij deze tekst twee melodieën. Beide staan genoteerd in d mineur en kunnen afzonderlijk én tezamen worden gezongen. Melodie A is duidelijk ingetogener dan melodie B; zij beweegt zich slechts tussen de d’ en de a’, met een uitstapje naar de bes' (mi-fa-re). Deze bes' krijgt een bijzondere lading door de syncopische ritmiek, het woord ‘Hem’ wordt daardoor uitgelicht.
Melodie B opent met een krachtige octaafsprong, waardoor de ‘hunkerende ogen’ adequaat verklankt wordt. Deze melodie klinkt voor het grootste gedeelte in een hoger register en onderscheidt zich daarin van melodie A.
In het Liedboek staat een voorstel voor de verdeling van de twee melodieën over de zeven coupletten.

NB.: In de begeleidingsuitgave bij het Liedboek zijn drie zettingen opgenomen: één voor melodie A, één voor melodie B en één voor de gecombineerde melodieën. Bij die laatste zetting vindt men ook de melodieën en de teksten van de strofen 4 en 7 geplaatst. Dat kan enige verwarring geven: het is wel de bedoeling dat beide stemmen dezelfde tekst zingen. Het ritme van beide melodieën is niet gelijk! (red.)