Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

450 - Verblijd u in de Heer te allen tijd


Een eerste kennismaking

De derde zondag van de advent draagt de naam ‘Gaudete’: ‘Verblijd u’! De Latijnse namen van de zondagen zijn ontleend aan de eerste woorden van de antifoon, waarmee de liturgie begint. Op die zondag is dat Filippenzen 4,4-5. Deze woorden keren terug als kern van de epistellezing in de klassieke (lutherse) jaarorde op de vierde adventszondag (4,4-7). Ook in de nieuwe driejarige leesordening heeft deze perikoop zijn plaats behouden op de derde adventszondag in het C-jaar.
Willem Barnard volgt in de drie strofen de perikoop nagenoeg op de voet: Filippenzen 4,4-5 in de eerste strofe; 4,6 in strofe 2 en de woorden van 4,7 komen in de slotstrofe aan de orde.
De dichter noemde dit lied oorspronkelijk een ‘introïtuslied’, want in regel 3 van de tweede strofe verbindt hij de Filippenzentekst (‘Wees niet bezorgd...’) aan de woorden van de introïtuspsalm van die derde adventszondag: ‘want Hij brengt in uw ballingschap een keer’ (vergelijk Psalm 85,2).
De componist Frits Mehrtens construeerde een melodie, zó dat in de tweede regel van strofe 1 het woordje ‘dat’ tweemaal een accent kon krijgen en dat de woordherhalingen waarmee de slotregels in de tweede en derde strofe beginnen (‘zijn land, zijn erf, zijn stad’ en ‘is goed, is God’) hoorbaar werden.

Auteur: Pieter Endedijk


Gaudete

Willem Barnard
Frits Mehrtens

Tekst

Deze toelichting bij de liedtekst is overgenomen uit ‘Een Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken’ (Amsterdam 1977) en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is. De toelichting bij de melodie is nieuw geschreven voor deze website.

In de weken van Advent heet de derde zondag Gaudete, dat wil zeggen ‘Verblijd u’. Het is een dergelijke naam als die de zondag drie weken voor Pasen draagt: Laetare. Waar men de kerkelijke kleurtraditie volhoudt kentekent men die zondagen met rozerood, in onderscheid van de omringende weken die met paars worden aangegeven. De oproep tot blijdschap beheerst in de klassieke liturgie geheel deze zondag. Introïtus én epistel zijn die paar verzen uit Filippenzen 4,4-6, waar de tekst van dit lied aan ontleend is. De derde regel van de tweede strofe bevat een verwijzing naar Psalm 85,2 (deze psalm is er bij uitstek één voor de adventsliturgie!), waarmee Paulus’ woorden in de introitus worden gecombineerd.
Zowel in De Tale Kanaäns (1963, blz. 132) als in De adem van het jaar-Kerstkring (1962, blz. 67) staat het lied dan ook bij deze zondag Gaudete aangegeven.
In de proefbundel 102 gezangen (1964) was het nr. 14.

Auteur: Willem Barnard


Melodie

Deze melodie van Frits Mehrtens is ontstaan in de tijd van de Amsterdamse Nocturnen en werd al genoteerd in de eerste uitgave met liederen uit deze liturgische broedplaats: De adem van het jaar uit 1958, aflevering XII van de Prof. dr. G. van der Leeuwstichting. Ook stond het in Wij moeten Gode zingen (1960, nr. 14), een verzameling liederen uit de Nocturnen. Daarna heeft het lied in latere uitgaven van de Hervormde en Gereformeerde kerken, zowel in officieuze als officiële, een plaats gekregen: De adem van het jaar – kerstkring (1962, blz. 67); 102 gezangen (1964, nr. 14); Filippus Liederenboek (±1965, nr. 88); Liedboek voor de kerken (1973, gezang 98) en het Liedboek (2013). Ook in diverse rooms-katholieke bundels werd het opgenomen: Zingt Jubilate (1978, nr. 119); Gezangen voor Liturgie (1984, nr. 534) en Laus Deo (2000, blz. 1181).

Zoals veel van zijn melodieën schreef Mehrtens ook deze wijs op de huid van de tekst. Zorgvuldige lezing van de woorden en afweging welke woorden of lettergrepen benadrukt moesten worden, brachten hem tot de uiteindelijke gestalte daarvan. Ook bij deze melodie heeft hij van zijn overwegingen daaromtrent verantwoording afgelegd in Een Compendium… (k. 305-306).
De in een jambische versvoet geschreven tekst heeft een melodie gekregen met afwisselend twee- en driedelige eenheden. Mehrtens heeft naar eigen zeggen deze melodie in een ‘horizontale tactus’ opgezet. Accenten zijn dan geen zwaarteaccenten, maar breedteaccenten. Zo kan elke belangrijke lettergreep op een natuurlijke wijze worden benadrukt.
Merhtens las in Barnards woorden een emotioneel geladen tekst (driemaal ‘Verblijd u!’ in de eerste strofe) waarbij de dichter over zijn woorden struikelt. In de laatste regels van de tweede en derde strofe is dat goed te lezen: ‘zijn land, zijn erf …’ en ‘is goed, is God…’ Al deze kenmerken wilde de componist in zijn melodie laten horen.
Mehrtens koos voor een melodie in de hypo-dorische modus, waarbij naast de tonica (g’) de dominant (bes’) een centrale rol vervult: zie het openingsmotief op het woordje ‘Verblijdt’. De eerste regel begint en eindigt op de tonica en klinkt als een afgerond geheel. Maar met de twee halve noten geeft de componist aan waar volgens hem de accenten moeten liggen. Tegen de jambische versvoet in wilde hij in de tweede regel het melodische accent juist tweemaal op het woordje ‘dat’ leggen en niet op ‘zeg’. Door de halve noot op het woordje ‘u’ ontstaan niet alleen aparte motieven, maar klinkt het ‘Verblijd u!’ aan het einde van die regel als een sterke uitroep. De al genoemde opsomming in de laatste regel van de strofen 2 en 3 komt in de melodie door een motiefherhaling tot klinken: d’-g’ en f’-bes’. In deze twee regels hoort de componist een ‘binnenrijmende terugbuiging’: ‘zijn land – zijn stad’ (strofe 2) en ‘is goed – Gij moet’. De accentwoorden hiervan hebben dezelfde noot: g’.
De zang mag energiek zijn, waarbij erop gelet moet worden dat de halve noten niet verlengd worden tot een gepunteerde halve.

Auteur: Pieter Endedijk


Media

Uitvoerenden: Magister Cantat o.l.v. Arie Eikelboom; Ben Feij, orgel (bron: KRO-NCRV)