Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

455 - Het zal geschieden in de laatste dagen


Wim Pendrecht
Wim Ruessink

Tekst

Ontstaan en verspreiding

Een lied van zes coupletten, waarvan de eerste vier in Zingend Geloven 5 (1995, nr. 36) zijn verschenen. De coupletten 5 en 6 verschenen voor het eerst in het tijdschrift Continuo (september 1998, blz. 340-341). Ook in Tussentijds (2005, nr. 128) is de versie met zes strofen opgenomen.

De rijmvorm is A-B-C-C-B-A. Opmerkelijk is dat vijf van de zes coupletten uit één zin bestaan. Door alliteratie en heldere klinkers (aa, oo, ee), binnenrijm (strofe 1: stromen en onderkomen) ontstaat er een krachtige tekst die klinkt als een klok.

Inhoud

Uit de toelichting in Zingend Geloven blijkt dat de dichter het rooms-katholieke lezingenrooster van het jaar A in de advent volgt. Dit rooster komt nagenoeg overeen met het Gemeenschappelijk Leesrooster voor deze periode. In de eerste vier coupletten, geschreven voor de vier zondagen van de advent, klinken vooral de Jesajaperikopen mee. Vanaf couplet 4 horen we ook duidelijk de evangelielezingen. Couplet 5 en 6 zijn voor de kerstnacht en de kerstmorgen.

De inzet van de eerste vier coupletten is plechtig, een proclamatie van de gebeurtenissen die ons te wachten staan als de tijd vervuld is: ‘Het zal geschieden in de laatste dagen’. Deze uitdrukking verwijst in het Oude Testament naar de Dag des Heren, de oordeelsdag waarop God gericht houdt over de vijanden van Israël. Dat zijn op de eerste plaats de vijandige volken, maar volgens de profeten – de critici van het volk Israël zelf – ook de afvalligen en zondaars binnen het volk. ‘De laatste dag’ is ook de dag van de wederkomst van Christus, die het oordeel zal uitspreken over goeden en slechten. ‘De laatste dagen’ ten slotte zijn ook de dagen net voor de geboorte, voor de verlossing, voor de vervulling.

Couplet 1

In deze volheid van de tijd vindt een zogenaamde epifanie plaats, een godsverschijning, met alle elementen die daarbij horen: macht en majesteit en vooral licht. Licht dat steeds opnieuw met God wordt geassocieerd, vanaf het eerste hoofdstuk (‘er zij licht’; Genesis 1,3) tot in het laatste hoofdstuk van de Bijbel (‘en God zelf zal het licht zijn’; Openbaring 22,5). In zíjn licht breekt de dag aan dat alle duisternissen weg doet stromen. Onze braspartijen en losbandigheid (Romeinen 13,13) lopen leeg als ballonnen waaruit de lucht ontsnapt. De tempel van Jeruzalem blijkt Gods welbehagen te herbergen, een duidelijk oriëntatiepunt voor alle volkeren (Jesaja 2,1-5). Door over ónze duisternissen te zingen voegen wij ons onder de volkeren die optrekken naar de berg van de Heer.

Couplet 2

In het tweede couplet wordt verhaald over de Gezalfde die vrede zal stichten, nee, er staat ‘de vrede sticht’. Het is niet de vrede als afwezigheid van oorlog, maar de vrede als voltooiing van hemel en aarde. ‘Gezalfde’ is in het Grieks Christos (chrisma = olie)’, in het Hebreeuws ‘Messias’. Het is de titel van de koning die door de Joden wordt verwacht om Gods heerschappij van vrede en gerechtigheid te vestigen. Hij breekt alle boosheid; het woord ‘breken’ roept ‘de stok van de drijver’ (Jesaja 9,3) op. In Jesaja 11 wordt die droom prachtig geschilderd: wolf en lam, panter en geitje leven in vrede samen. Ook de uitdrukking ‘de Geest des Heren’ wordt daar uiteengelegd met woorden die later in de traditie ‘de zeven gaven van de Geest’ zijn gaan heten. Het leed dat deze Gezalfde zal dragen, staat niet in dit fragment uit Jesaja, maar wordt uitgewerkt in de vier liederen van de dienaar van de Heer (42,1-7; 49,1-7; 50,4-11; 52,13-53,12).

Couplet 3

In het derde couplet opnieuw een verwijzing naar Jesaja (hoofdstuk 35). De woestijn zal bloeien en zich verheugen, want ze is geen ondoordringbaar oord van de dood, maar een vruchtbare plaats; er is een gebaande (heilige) weg. De woestijn blijkt zelfs te verkondigen. Misschien kunnen we hier de woestijn opvatten als een mens die met de woestijn wordt geassocieerd, Johannes, grensganger aan de rand van de bewoonbare wereld. De mens die met zijn boodschap de weg baant voor Jezus en mensen oproept vruchten van bekering te dragen (Matteüs 3,8).

Couplet 4

Het vierde couplet verwijst naar het ongevraagde teken voor Achaz (Jesaja 7,10-14). In de traditie van de kerk hebben we het teken dat de jonge vrouw ontvangen zal en een zoon zal baren, vaak betrokken op Maria en haar kind Jezus. We kunnen het ook anders verstaan: met iedere geboorte van een kind is God opnieuw met ons. In iedere situatie, zo lijkt het vierde couplet te belijden, of je nu diep in de put zit of hoogverheven bent, kun je in het leven van een nieuwe mens een teken van Gods nabijheid zien, Immanuël (Matteüs 1,18-24). Dat verborgen teken wordt in deze laatste dagen voldragen.

Couplet 5

Het vijfde couplet klinkt in de kerstnacht. Het begint opnieuw met een plechtige tijdsaanduiding: ‘de nacht der nachten’ (nb de duisternis klinkt door in de korte ‘a’). Twee betekenissen: de meest bijzondere nacht, de meest feestelijke nacht, of de donkerste nacht, de meest vreselijke nacht. Het kind dat in deze nacht geboren werd, is Gods antwoord op onze lijdenskreet. Opvallend is dat hier voor het eerst de verleden tijd wordt gebruikt (‘het geschiedde’, ‘ ter wereld werd gebracht’): de heilshistorie als drager van ‘Gods antwoord uit den hoge’. Een licht (zie ook couplet 2) dat alle volkeren verlicht en het duister verjaagt. ‘De nacht’ verwijst hier zowel naar de lezing uit Jesaja 9, 1-3. 5-6 als naar Lucas 2, 1-14

Couplet 6

Het zesde couplet verwijst naar de proloog van Johannes (1,1-18), gelezen op kerstmorgen. Opvallend is dat ‘het woord’ mensen zicht geeft op het ‘koninkrijk’, een begrip dat in de proloog van Johannes geen rol speelt, maar in het leven van Jezus des te meer. In Jezus, Gods woord voor ons, horen wij, proeven we, zien we het komende rijk. Dit woord, zo besluit het lied op een haast liturgische wijze, is bij ons als we samenkomen, de Schrift openen en de maaltijd van de Heer vieren, ‘onafgebroken’. Dit laatste woord heeft twee betekenissen: permanent, maar ook: het woord heeft zijn tent onder ons opgeslagen en is niet afgebroken, niet gesloopt.

Liturgisch gebruik

Duidelijk is dat dit lied geschreven is voor de liturgie van de advent en de kerst van het jaar A. Het is aan te bevelen het lied te zingen bij de lezingen. Zonder de schriftteksten verliest het lied zijn veelzeggendheid. Opvallend is dat de naam van Jezus niet valt en dat de jonge vrouw, de maagd, Maria als beeld van Israël, van de kerk of van ontvankelijkheid, ook niet in de tekst voorkomt, maar voor geregelde kerkgangers zeker meeklinkt.

Auteur: Andries Govaart


Melodie

Deze toelichting bij de melodie is overgenomen uit ‘Commentaar bij Zingend Geloven 5’ en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is.

Vier strofen heeft dit lied, dat is bedoeld voor de vier zondagen van Advent. In de inmiddels verschenen bundel Tussentijds (zo ook in het Liedboek [red.]) zijn er twee strofen aan toegevoegd, een vijfde voor de kerstnacht en een zesde voor kerstmorgen.
Het lied opent in d mineur. De tweede regel is identiek aan de eerste en de derde, met dien verstande dat deze met een grote secunde naar boven is getransponeerd. De vierde regel is sterk afgeleid van de tweede, maar mondt nu uit in een G groot akkoord (zie de zetting in de begeleidingsuitgave bij het Liedboek). In de vijfde regel bereikt de melodie haar hoogtepunt op de es”, wat prachtig samenvalt met de tekst uit de eerste strofe ‘zijn huis hoog op de berg staat vast in wijs beleid’. In de zesde regel, die opnieuw gebaseerd is op melodisch materiaal uit de eerste regel klinkt de laagste noot c’ van het lied, bij ‘als onderkomen van zijn welbehagen’. Een toespeling op het woord ‘onder’?
De beweging van de melodie gaat hoofdzakelijk in achtsten; opvallend zijn de vele gealtereerde noten en akkoorden die het lied kruiden, maar het ook niet snel toegankelijk maken. Een vooroefening is hier wel op zijn plaats!


Media

Uitvoerenden: Capella Augustini o.l.v. Rutger Mauritz; Geerten Liefting, orgel (strofen 1, 2, 3, 4) (bron: KRO-NCRV)