Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

483 - Stille nacht, heilige nacht


Joseph Mohr
Johannes Yserinkhuysen
Franz Gruber

Tekst

Deze toelichting is overgenomen uit ‘Een Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken’ (Amsterdam 1977) en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is.

NB.: In onderstaande tekst maakt Ad den Besten van zijn hart geen moordkuil en doet ook een boekje open over de kerken die in het Liedboek voor de kerken samenwerkten. Maar zijn tekst is ook weer gedateerd: de redactie van het Liedboek nam een heel ander standpunt in. Ook de opmerking van Den Besten dat het lied ‘in geen enkel kerkelijk gezangboek dat zichzelf respecteert – in de Duitse, noch in de Scandinavische of Engelse’ voorkomt is inmiddels achterhaald! Maar zijn tekst geeft wel een duidelijk beeld hoe over bepaalde kerkliederen werd gedacht in de tijd van de samenstelling van het Liedboek voor de kerken (red.).

Over zijn lied moet mij het volgende van het hart: dat het Liedboek voor de kerken een oecumenisch liedboek is geworden, vind ik een groot wonder. Zéker wanneer ik mij realiseer, dat het aantal compromissen dat daarvoor noodzakelijk was, zeer beperkt is gebleven. Eén van die compromissen, – maar dan ook een ernstig! – is de opneming van ‘Stille nacht’. Sinds het vanaf 1962 via de bundel Honderdnegentien Gezangen in gebruik bij de Gereformeerde Kerken in Nederland werd ingevoerd, is het daar blijkbaar tot de meest gezongen kerstliederen gaan behoren. En dat woog zwaar, – zwaarder dan het argument dat het ‘Stille nacht’ immers zo ‘klassiek’ is, dat het in geen enkele bundel hoeft te staan, om toch overal in kerk en kluis te kunnen worden gezongen....

Een afschuwelijk versje! Ik geef toe, dat zit het allermeest in de melodie, die karakterloos en larmoyant is. Maar nauwelijks minder karakterloos is de tekst. Ik bedoel dan álle mij bekende teksten, die op Franz Grubers melodie worden gezongen: de oorspronkelijke Duitse tekst van de Oostenrijkse kapelaan Joseph Mohr, zowel als de drie Nederlandse vertalingen of bewerkingen die ik ken, de katholieke, de vrijzinnig-protestantse maar ook de orthodox-protestantse versie van Johannes Yserinkhuysen (van hem kreeg ook nog een ander kerstlied enige bekendheid, ‘’t Was nacht in Bethlems dreven’). Laat ik mij hier tot zijn versie, die immers in het Liedboek voor de kerken is opgenomen, beperken. De hoogste lof die men eraan zou kunnen toekennen is deze, dat er geen onvertogen woord in staat. Het is allemaal heel waar, of voor mijn part onwaar. maar geen gedachte die niet elders kernachtiger, geen gevoel dat niet elders inniger is uitgedrukt. En bij regels als: ‘die miljoenen eens zaligen zal’ of ‘hulpeloos kind, heilig kind, / dat zo trouw zondaars mint’ draait het hart mij in het lijf om.

Eén van de doorslaggevende argumenten voor opname was een oecumenisch. Met ‘Stille nacht’ in ons gezangboek zou er een soort oecumenische daad zijn gesteld. Want wordt het niet overal ter wereld gezongen? Zoveel te erger, zou ik zeggen. De overweging dat dat maar in schijn zo is, omdat ‘Stille nacht’ met het oorspronkelijke vrijwel niets te maken heeft, kwam al evenmin aan als dat andere argument tégen opname. Ik vind in elk geval dat, áls we er dan niet buiten kunnen, om wille van bedoelde oecumeniciteit alléén de rooms-katholieke versie in het Liedboek voor de kerken had mogen worden opgenomen. Die vormt namelijk een getrouwe weergave van de Duitse tekst. Er staat in het Duits wel: holder Knabe im lockigen Haar, wat iets anders is dan: ‘lieflijk kindje met goud in het haar(!)’, maar een kniesoor die daarop ziet. Het is natuurlijk grotendeels rimram, maar bij déze tekst zie ik tenminste iets, al is het dan eerder een bolwangige Oostenrijkse barokengel dan wat ik zou móeten zien: een jodenjochie...

Over oecumenisch gesproken – natuurlijk is ‘Stille nacht’ in onmogelijk veel talen over de hele wereld verbreid. Maar in geen enkel kerkelijk gezangboek dat zichzelf respecteert – in de Duitse, noch in de Scandinavische of Engelse komt het voor. Dat het wél staat in het enige werkelijk nieuwe kerkelijke gezangboek dat over heel Europa zelfs maar in het verschiet is, stemt wel bitter.

Maar dat is het ergste niet. Nee, waarom ik persoonlijk zo verdrietig ben, is toch eigenlijk iets anders. Een lied als ‘Stille nacht’, zelfs in de bewerking-Yserinkhuysen, kán en mág toch welbeschouwd met Kerstmis niet meer worden gezongen, althans niet in de kerk. Niet vanwege zijn esthetische defecten, al zijn die op zichzelf al erg genoeg, maar eenvoudig vanuit het hart van de zaak. Wanneer zal Kerstmis toch eindelijk eens ophouden te zijn dat vertederende feest van het kindje wiegen, zoals ons door zovele geliefde kerstliederen – waaronder betere dan dit – wordt gesuggereerd? Laten we niet te gauw zeggen dat het dat voor óns niet is. Want misschien meer dan we weten wiegen we het kerstkindje in onze gevoelens – ook zonder ‘Stille nacht’.

Ik weet wel: alles schijnt daartoe samen te spannen in die donkerste tijd van het jaar. ‘In de donkere dagen van kersttijd is een kind van licht gekomen’, dichtte Leopold. Dat drukt voor mijn besef nog altijd onnavolgbaar uit wat voor gevoelens ons in de kersttijd bezielen. Onbewust meestal, maar daarom niet minder krachtig. Heimelijk is het kind van Bethlehem ons tot een symbool geworden van het nieuwe licht, het jonge jaar, van nieuwe levenskansen. En daarom hebben we er belang bij dat het kind een kind blijft, dat het alle Jahre wieder kommt en ieder jaar opnieuw voor ons, of liever nog in ons, geboren wordt. Gaat u zelf maar eens na hoeveel van onze kerstliederen gehoorzamen aan die wet van ons in mythische vanzelfsprekendheden verstrikte innerlijk.

Auteur: Ad den Besten


Melodie

Of het een ‘gelegenheids-’ dan wel een ‘verlegenheidslied’ is, om met dr. Willem Mudde te spreken in zijn radiolezing voor de NCRV op 26 december 1968, toen dit lied 150 jaar bestond, ‘Stille nacht, heilige nacht’ is een over de gehele wereld gezongen kerstlied geworden. De term ‘verlegenheidslied’ zou dan slaan op het ontstaan-uit-nood omdat het orgel(tje) in de kapel van het ingesneeuwde bergdorp Oberndorf (Oostenrijk) uitgerekend op 24 december (1818) de geest gaf, op zo’n korte termijn niet meer te repareren bleek en Joseph Mohr in der haast een ‘passend’ kerstlied dichtte voor de nachtmis, waarbij dan Franz Xaver Gruber (1787-1863), de plaatselijke onderwijzer-cantor, de ons zo bekende melodie componeerde. Overigens met uitzondering van de vóórlaatste regel, die, destijds foutief gekopieerd uit de sopraansleutel, een terts lager behoort te klinken en dan direct veel zingbaarder wordt. Uiteraard is dit lied van huis uit niet bestemd voor volkszang, de oorspronkelijke zetting is gedacht voor 2 solostemmen (2-stemmig), gitaar en gerepeteerd koorrefrein. Ook het siciliano-achtige ritme in rustige achtsten draagt veel bij tot de romantische sfeer, die het lied oproept.
Overigens: volgens sommigen zou deze wijs al lang vergeten zijn, als niet 36 jaar later de dirigent van de koninklijke hofkapel te Berlijn in de mening verkeerd had, dat zij door Michael Haydn gecomponeerd was...

Auteur: Bernhard Steinvoort