Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

488 - In den beginne was het woord


Tom Naastepad
Genève 1551
Psalm 134

Tekst

Deze toelichting bij de tekst is overgenomen uit ‘Een Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken’ (Amsterdam 1977) en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is.

In de Advent van 1965 las ik van een bevriende dichter een kerstlied dat zo begon: ‘In den beginne was het Woord’; en dat was geschreven op de wijs van Psalm 134.
Toen bleek mij dat in dat lied een rijmschema werd toegepast dat niet zo geschikt was voor de melodie van Psalm 134. Ware ik een musicus geweest, ik had een nieuwe melodie gemaakt, want het was een góed kerstlied!
Toen besloot ik in arren moede een geheel nieuwe tekst te schrijven, met dezelfde beginregel en eveneens op de wijs van Psalm 134, – maar op het vereiste rijmschema: A-A-B-B. Dat rijmschema oefende zo’n dwang uit op mijn klankwereld dat het een lied werd van vijf strofen, waarbij de laatste regel van elke strofe tevens de beginregel werd van de volgende strofe, met een kleine, doch belangrijke variant in de overgang van de vierde naar de vijfde strofe. Om de laatste regel van de laatste strofe niet in de lucht te laten hangen maakte ik die weer identiek aan de beginregel van de eerste strofe: ‘in den beginne was het woord’, zodat een gesloten kring ontstond als van kinderen die elkaar bij de hand houden.
Bij zulk een streng gesloten vorm kon een tekst ontstaan die het tegendeel van een kringloop laat horen. Het gaat met Kerstmis immers juist niet over het zelfgesprek van de algeest, als van een slang die in zijn eigen staart bijt. Het gaat over de zelfopenbaring naar buiten van het woord, dat niet rust voordat het wordt gehoord. Het gaat over een echte geschiedenis, een gebeurtenis, een geboorte, een lijn die voortgaat, en daarom staat er in de eerste strofe: ‘die spreken wil tot elk geslacht’, en in de laatste: ‘hij roept totdat hij wordt gehoord’. Dat is een hele geschiedenis: van ‘spreken’ tot ‘gehoord worden’. Het is precies de geschiedenis van Golgotha en opstanding; en daarin is vervat anti-geschiedenis van niet-willen-horen.
Vandaar dat in de strofen 2, 3 en 4 gesproken wordt over een Heer die knecht geworden is en over die bittere vergeefsheid van zijn komst toen niemand naar hem riep. Wij roepen Hém niet, maar hij roept ‘Ik ben gevonden door hen die mij niet zochten’ (Romeinen 10,20). ‘In den beginne was het Woord’: zijn woord en niet het onze. Hij heeft het eerste en het laatste woord!

Auteur: Tom Naastepad


Melodie

Voor een toelichting bij de melodie: zie Liedboek 363.