Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

494 - Vanwaar zijt Gij gekomen


Een eerste kennismaking

De melodie van Es ist ein Ros entsprungen van Michael Praetorius behoort tot de meest klassieke kerstmelodieën. Wie de structuur bestudeert (a-b-a-b-c-a-b), kan zich telkens verwonderen hoe door eenvoud toch zo’n sterke melodie is ontstaan. En de koorzetting van de componist is even klassiek geworden. In de basisuitgave van het Duitse Evangelisches Gesangbuch is die zetting opgenomen, dus voor alle gemeenteleden!
In het Liedboek treffen we een vrije bewerking aan van de oorspronkelijke Duitse tekst aan (nr. 473). Huub Oosterhuis heeft zijn tekst ‘Vanwaar zijt Gij gekomen’ aan deze melodie verbonden, en daarmee wordt het meteen als kerstlied geduid.
In de tekst wordt het gegeven dat God onder ons wil wonen als onverwacht omschreven: De eerste strofe zegt: ‘... wij wisten niets van U. / In onze stoutste dromen / was God nooit hier en nu’. Het geheim van de geboorte van de Messias is dat God zo ver weg én zo dichtbij is. De tweede strofe benadrukt dat deze God ons in ‘een oud verhaal’ is doorgegeven, woorden in ‘mensentaal’. Deze God is ‘een woord van vlees en bloed, / een kind voor ons geboren, / een mens die sterven moet.’ Het slot van de derde strofe maakt zo een verbinding met Johannes 1,1-14, het evangelie van de kerstmorgen.

Auteur: Pieter Endedijk


Huub Oosterhuis
Michael Praetorius
Es ist ein Ros entsprungen

Tekst

Algemeen

Het lied Vanwaar zijt Gij gekomen behoort tot de oudere liederen van Huub Oosterhuis. Het maakte deel uit van een volledig uitgeschreven draaiboek van de viering van de kerstnacht in 1967 onder de titel ‘Heden en hier en in die dagen’. Deze volledige liturgieviering is later gepubliceerd in Huub Oosterhuis: In het voorbijgaan (Utrecht 1968) blz. 63-84. Het lied heeft weldra een brede verspreiding gekregen, getuige de vele bundels waar het in is opgenomen: Liturgische gezangen I (1967) nr. 116, Randstadbundel (1970) nr. 155, Breken en delen (1980) nr. 51, Zingt Jubilate (1979/ 2006) nr. 214, Petrus en Paulus bundel (1987) nr. 327, Oud-Katholiek Gezangboek (1990) nr. 592, Gezangen voor liturgie (1984/1996) nr. 533, Zolang er mensen zijn (1993) nr. 29, Verzameld liedboek (2004) blz. 168, Tussentijds (2005) nr. 140 en Zangen van zoeken en zien (2015) nr. 691.

Vorm en structuur

Het lied bestaat uit drie gelijke strofen die, met betrekking tot de vertrouwde liederenschat zoals in het Liedboek verzameld is, een ongebruikelijke omvang hebben van zeven regels. In alle strofen kan een lichte cesuur of overgang gesignaleerd worden tussen de vierde en de vijfde regel. Verschillende elementen wijzen daarop. Zo vormen de laatste drie regels in elke strofe een geheel; ze vormen samen één zin. Dit geldt ook voor de laatste strofe waarvan de voorlaatste regel in de versie in het Liedboek (tot en met de 4e druk) weliswaar een punt gekregen heeft, in plaats van een komma zoals in de originele versie, zodat de zin doorloopt. Daarnaast hebben de regels een gelijke lengte van afwisselend zeven en zes lettergrepen. Deze afwisseling wordt echter doorbroken bij de overgang van de vierde naar de vijfde regel: daar hebben beide regels zes lettergrepen. En ook het rijm dat in elke strofe is opgebouwd volgens het schema a-B-a-B-C-a(’)-C laat zien dat er in de laatste drie regels een lichte afwijking is ten opzichte van de voorgaande vier regels. Wat de cadans en het ritme betreft, kent het lied een vaste regelmaat van opeenvolgend een onbeklemtoonde en een beklemtoonde lettergreep. Het ritme van de melodie zal deze cadans van de tekst echter doorbreken.

Inhoud

Strofe 1

De zingende gemeente is het subject van het lied (‘wij’, ‘ons’) en God (‘Gij’) is degene die aangesproken of toegezongen wordt. Het lied begint met een uitroep van verbazing, of beter: van verwondering. De gemeente stelt zich de vraag waar God ineens vandaan gekomen is terwijl ze er niets vanaf wist. Deze vraag eindigt echter niet met een vraagteken. Er wordt dan ook niet direct een antwoord verwacht; er is eerder sprake van een retorische vraag. Het gaat in het lied niet zozeer om de vraag waar God vandaan komt, maar om het feit dát God gekomen is. De centrale thematiek is de menswording. Het lied is dan ook geschreven voor de liturgie van Kerstmis, zoals hierboven is aangegeven, en met Kerstmis vieren we de komst van God in deze wereld. De verwondering over zijn komst wordt in de eerste vier regels volgehouden. Want hoe zouden we van zijn bestaan weten? Hij was immers de grote onbekende en afwezige – zelfs in onze stoutste dromen. Dat wil zeggen dat zelfs in de meest ondenkbare situaties God niet in beeld kwam. In de tweede helft van de eerste strofe verspringt het perspectief en wordt de retorische vraag toch enigszins beantwoord. Het is God zelf die te midden van ons verblijf wil houden. En daarin blijkt hij anders, nieuw te zijn. Zo’n God kenden wij niet. En zo’n God heeft zowel een grote afstand tot ons, maar is ons ook heel nabij.

Strofe 2

De tweede strofe zet in met een verwijzing naar de traditie. Het verhaal van God met de mensen is opgeschreven en aan ons overgeleverd zodat wij er kennis van kunnen nemen. God heeft in Jezus een naam gekregen en de Bijbel maakt de verhalen over Jezus en over de geschiedenis van God en mens voor iedereen toegankelijk. De tweede helft van de strofe presenteert God als een God van mensen: hij verbindt zich met ons leven. Of dat altijd als een geluk ervaren wordt, zoals het lied suggereert, kan betwijfeld worden. Dat lijkt een iets te optimistische voorstelling van zaken. Maar al te vaak wordt ziekte, dood of een andere ingrijpende vorm van tegenslag als onrechtvaardig of oneerlijk ervaren. Dan is ons lot niet met geluk verbonden en ervaren velen eerder de afwezigheid van God. Toch kan deze laatste zin ook als een bemoediging gelezen worden. Ons levenslot – met zijn hoogte- en dieptepunten – is onlosmakelijk verbonden met God, met diens geluk. Het geluk van God bestaat in het leven van de mens.

Strofe 3

In de derde strofe neemt de intensiteit tussen God en mens toe en blijkt het contrast tussen beiden groot te zijn. God gaat weliswaar helemaal in ons op, maar wij kunnen niet tegen Hem op. Hij verliest zich in ons, spreekt in ons en wordt mens met ons. In deze strofe wordt de menswording die met Kerstmis wordt gevierd in de geboorte van Jezus, het meest nadrukkelijk gethematiseerd. Op het eind beschrijft het lied dat de identificatie met de mens zover gaat dat God niet alleen als mens geboren wordt, maar ook de menselijke dood moet ondergaan.

Auteur: Louis van Tongeren


Melodie

Voor een toelichting bij de melodie, zie Liedboek 473.


Media

Uitvoerenden: Collegium Vocale Zaandam o.l.v. Cor Brandenburg; Jan Hage, orgel (bron: KRO-NCRV)