Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

495 - Toen midden in de wintertijd


Een eerste kennismaking

De oorsprong van dit lied gaat terug op het oudste Canadese kerstlied, geschreven door de Franse missionaris Jean de Brébeuf (1593-1648) in de taal van de Huron-indianen. Het lied werd vooral bekend door de Engelse versie van Jesse Edgar Middleton (1872-1960): T was in the moon of wintertime. Joke Ribbers heeft een poging gedaan dit kerstlied te vertalen, maar die vertaling was niet geslaagd en de oorspronkelijke tekst wijkt nogal af van het bijbelverhaal. De dichteres heeft daarna een nieuwe tekst geschreven, waarbij toch enkele elementen uit het oorspronkelijke lied zijn gehandhaafd. Tegelijkertijd bleef zij dichter bij de bijbelse gegevens over de geboorte van Jezus. De inhoud van het lied is vergelijkbaar met andere klassieke kerstliederen, met aandacht voor de engelen (strofe 1), de herders (strofe 2) en de wijzen uit het oosten (strofe 3). Zij roepen ons op om in ‘een nieuwe tijd het oude feest te vieren’ (strofe 4).
De melodie is van het Franse volkslied Une jeune pucelle en gaat terug op een eerdere melodieversie waaruit in de zestiende eeuw ook weer andere melodieën zijn ontstaan, waaronder de melodie die nu bij Liedboek 439 is te vinden.

Auteur: Pieter Endedijk


Joke Ribbers
Frans volkslied
Une jeune pucelle

Tekst

Ontstaan en verspreiding

Aanvankelijk was het de bedoeling dat dit lied een vertaling was van de zogenaamde ‘Huron Carol’, een Engelstalig kerstlied uit Canada. Dit lied begint met ‘’t Was in the moon of wintertime, / when all the birds had fled, / that God the Lord of all the earth / sent angelchoirs instead…’
Dit lied is waarschijnlijk in 1642 geschreven door Jean de Brébeuf (1593-1649). De oorspronkelijke tekst was in de oorspronkelijke taal van de Huron/Wendat bevolking. De titel luidde Jesous Ahatonhia wat ‘Jezus is geboren’ betekend. Het eerste couplet luidde als volgt:

Estenniayon de tsonwe Iesous ahatonnia
onn' awatewa nd' oki n' onyouandaskwaentak
ennonchien eskwatrihotat n'onyouandiyonrachatha
Iesous ahatonnia, ahatonnia. Iesous ahatonnia.

In 1926 schreef Jesse Edgar Middleton (1872-1960) een Engelse vertaling. Deze vertaling was afgeleid van het origineel van Brébeuf en met name de religie van het Huron-volk. Zo vindt Jezus’ geboorte plaats in huisje van bast en gewikkeld in de vacht van een konijn. Ook zijn er geen wijzen, maar ‘chiefs’ die van verre komen en Jezus pels van vossen en bevers brengen. Zelfs de godsnaam is ontleend uit de religie van de Huron, namelijk Gitchi Manitou. Dat stond trouwens niet in de originele versie.
In de Nederlandse bewerking van Joke Ribbers, is waar mogelijk de Engelse tekst gevolgd. Toch zijn er veel typisch Canadese elementen niet overgenomen. Zo wordt in de oorspronkelijke tekst gesproken over jagers en ‘the mighty Goitchi Manitou’, een uitdrukking van de Huron voor de hoogste Godheid. Deze elementen heeft de auteur niet overgenomen, omdat er anders een kloof zou komen tussen de Nederlandse zangers en het Canadese origineel. Het lied werd eerder opgenomen in Zingen van het licht (deel 1 van de serie Bij hoog en bij laag, 1990, nr. 29), Zingend geloven 4 (1991, nr. 8) en Zingend Geloven 7 (2000, nr. 4).

Inhoud

Het lied doet in stijl en sfeer erg denken aan een traditioneel kerstlied. We ontmoeten engelen, die neerdalen vanuit de hemel om ons het grote nieuws te vertellen over Gods liefde voor de mensen. In het tweede couplet zien we de scène van de herders rond het vuur aan wie de engelen verschenen om de vrede aan te kondigen. In couplet 3 zien we de wijzen uit het Oosten (‘drie oude koningen’) die met eigen ogen aanschouwen wie Jezus is: ‘Heer over leven en dood’. In het laatste couplet worden wij, mensen uit deze tijd, uitgenodigd om ons aan te sluiten bij het engelenkoor en in te stemmen met hun lofzang: ‘Ere zij God, in excelsis gloria’.
Het lied bevat eenvoudige, begrijpelijke taal. Op het eerste gezicht lijkt het alsof alleen het kerstverhaal wordt verteld. De taal is echter wel poëtisch, en roept juist in die eenvoud een verstilde, bijna magische sfeer op, zoals de langs de sterren neerdalende engelen, de herders rond het vuur gezeten en de weer en wind trotserende koningen. Daarnaast bevat het veel toespelingen op de lezingen die tijdens de kersttijd klinken, bijvoorbeeld Lucas 2, Johannes 1 (in regel 2 van strofe 4 vinden we een toespeling op vers 15) en Matteüs 2.
Het rijmschema is A-A-B-B-C, gevolgd door een laatste zin die min of meer als een refrein fungeert: ‘in excelsis gloria’.

Liturgische bruikbaarheid

Uiteraard kan dit lied goed gezongen worden tijdens een kinderkerstfeest, de kerstnachtdienst of een dienst op kerstmorgen. Vanwege het noemen van de drie koningen en de verwijzing naar het licht (couplet 4) zou het ook een plek kunnen krijgen met Epifanie. Door de rijke taal kan het zowel in een kinderviering als een viering voor volwassenen ingezet worden. Omdat het lied het karakter heeft van een Christmas Carol zou het ook een plek kunnen krijgen in een (Nederlandstalige) Festival of Lessons and Carols.

Auteur: Irma Pijpers-Hoogendoorn


Melodie

Deze toelichting bij de melodie is overgenomen uit ‘Commentaar bij Zingend Geloven 7’ en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is. De toelichting bij de tekst is nieuw geschreven voor deze website

Op het Franse volksliedje Une jeune pucelle zijn in de loop der tijden zoveel varianten ontstaan, dat het vermoeden bestaat, dat dit lied destijds toch een heel eigen melodie heeft gekregen onder de naam Jesus Anatolia. Immers, de melodie van Une jeune pucelle wijkt in de hele structuur af van de tekstopzet van dit lied.
Deze melodie in g – dorisch/kleine terts verloopt vooral in secundeschreden, waardoor de enkele sprongen duidelijk opvallen. Het hoogtepunt klinkt in regel 3 en 6 (d”), terwijl de laagste toon d’ veelvuldiger voorkomt. In het ritme vallen de onderbreking van de (tweedelige) kwartenstroom door gepuncteerde figuren (regel 3 en 4) en het melisme in regel 4 op. De ambitus is een octaaf.
Aanbevolen is een rustig, vloeiend tempo; MM = 64 voor de halve noot.


Media

Uitvoerenden: The Young Voices Putten o.l.v. Gerrie de Glint; Eric-Jan van der Hel, orgel