Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

500 - Uit uw verborgenheid


Sytze de Vries
Willem Vogel

Tekst

Ontstaan en verspreiding

De Vries werkte vanaf 1985 bij het NCRV-programma Lied van de week en volgde daarin het rooster van de Raad van Kerken in Nederland (‘De Eerste Dag’). Wanneer er geen passende liederen waren te vinden schreef hij ze zelf. Zo ontstond bij de lezing uit de Efeze-brief een schriftgezang bij hoofdstuk 1,3-14 (uitzending 11 juli 1985). Dit lied met oorspronkelijk drie coupletten werd opgenomen in Zingend Geloven 3 (1988, nr. 77); Amsterdamse Katernen 3 (1990) en het Oud-Katholieke Gezangboek (1990, nr. 547).

In Zingend Geloven 4 (1991, nr. 2) is de verwijzing naar Efeziërs 1,3-14 verdwenen en zijn er naast het oorspronkelijk eerste couplet (dat daar het tweede is) vier nieuwe coupletten gekomen die verbonden zijn met Kerstmis.

Later draait Syzte de Vries de eerste twee strofen om. Zo staat het voor het eerst in zijn eigen bundel Tegen het donker (2002, nr. 39) en zo ook in het Liedboek. In de verzamelde liederen van De Vries, Jij, mijn adem (2009) zijn beide tekstversies opgenomen: het 'Efeze-lied' als nr. 89, het kerstlied als nr. 116. 

Inhoud

Een tekst van vijf coupletten, afgedrukt in acht korte regels. Wanneer je naar rijm en ritme kijkt, zou de tekst ook afgedrukt kunnen worden in vier langere regels met als rijmschema a-a-b-b.

Ieder couplet begint met de woorden ‘Uit uw verborgenheid’. ‘Geheim of mysterie’ meldt Van Dale (13e uitgave, 1999) als betekenis en verwijst onder andere naar het boek Daniël (2,30). Gods verborgenheid kun je verstaan als de woonplaats van God, die ons gezichtsvermogen te boven gaat. Soms wordt ook gesproken over het ‘ondoorgrondelijke licht’ en ook deze term duidt aan dat die ruimte onze waarneming overstijgt. Het mooie van het woord ‘verborgenheid’ is dat het suggereert dat wij God niet (kunnen) zien, maar God vanuit die plaats ons wel.

In de tekst lichten woorden op die verwijzen naar lezingen en liederen rond de geboorte van de Heer, Kerstmis: ‘onze dagen’, ‘welbehagen’, ‘straalt’, ‘hier en heden’, ‘vrede’. De proloog van het Johannesevangelie klinkt mee in de woorden ‘nacht’, ‘donker’, ‘woord’, ‘licht’, et cetera.

Couplet 1

Wanneer we de tekst couplet voor couplet bekijken, zien we hoe het eerste couplet het onmogelijke doet: het kijkt in de verborgenheid. Uit die verborgenheid stamt ons licht en de hemel vormt een behoedende overhuiving. In een paar woorden wordt hier het scheppingsverhaal present gesteld, maar sterker nog: de lichte eeuwigheid wordt daglicht voor mensen. Eeuwigheid en een mensentijd zijn geen tegenstelling meer, maar worden verbonden. Zo ook is de hemel van God een beschermende koepel voor onze aarde. ‘Gij zult op vaste grond ons voor het donker sparen’. Deze woorden zijn meerduidig. Is die vaste grond onze aarde, de wereld waarin ‘Gij’ mens wordt, waarin het woord vlees wordt en onder ons woont en zo het licht in de duisternis brengt? Of is die vaste grond ‘gegronde reden’?

Couplet 2

In het tweede couplet horen we elementen uit het verhaal van de engel uit de hemel en de herders in de nacht, Lucas 2: ‘de weerstand van de nacht met heilig vuur gebroken’. ‘De weerstand van de nacht’ verwijst ook naar de proloog van Johannes (1,5). De activiteiten van de ‘Gij’ worden frequenter: ‘Gij’ spreekt ons aan, doorbreekt de weerstand van de nacht, brandt zijn naam en schrijft zijn woord. Vanuit de verborgenheid komt ‘Gij’ ons steeds dichter op de huid. Let op de woordspelingen! ‘Met heilig vuur’ – is dat het stralend licht van de Heer of met grote ijver? ‘Eigen naam’ – staat dat tegenover soortnaam? ‘Voorgoed’ – is dat altijd of om goed te doen? Wanneer je ergens je naam in brandt, dan eigen je het je toe, en laat je zien dat het jouw eigendom is; zo ook wanneer je ergens je naam in schrijft. In die laatste zin mag je ook horen dat de ‘Gij’ zijn handtekening onder ons bestaan zet en zo zijn instemming geeft.

Couplet 3

Eigen aan liturgie is gedenken, dat wil zeggen het verleden zo tegenwoordig stellen dat het toekomst opent. In het derde couplet treedt de ‘Gij’ ook nu, hier en heden aan de dag. De ‘Gij’ zoekt zijn heil bij mensen. Blijkbaar is het heil niet in de hemel te vinden, niet in de verborgenheid, maar bij mensen. De ‘Gij’ wordt hier verrassenderwijs eerder een gelukzoeker dan een gelukbrenger. De ‘Gij’ die wij in het lied aanspreken kwam (verleden tijd) om ons met vrede – dus niet met een oordeel of anderszins – te ontmoeten. Onze reactie daarop is de vredegroet: met vrede te begroeten (tegenwoordige tijd). Gij en wij stemmen ons in het woord ‘vrede’ op elkaar af. De sfeer van de tekst verandert. In het eerste en tweede couplet klinken woorden die heerlijkheid en afstand oproepen: ‘eeuwigheid’, ‘hemel’, ‘welft zich’, ‘rond over de aarde’, ‘weerstand gebroken’. In dit en volgende coupletten duiden de woorden op een grotere nabijheid, intimiteit zelfs, God incarneert in onze schepping.

Couplet 4

Het vierde couplet schetst een ‘Gij’ die ons mensen zo nabij is dat hij onze duisternis deelt, maar er niet in opgaat. De uitdrukking ‘iemand te na komen’ betekent onder andere te zeer nabij komen. Blijkbaar is er een risico verbonden aan die nabijheid, het is gevaarlijk. De schrijver lijkt te suggereren dat de ‘Gij’ die onze nacht deelt iets verbodens doet. Het thema incarnatie (‘aan de dag getreden’) uit het derde couplet wordt hier uitgewerkt in het riskante delen van ons bestaan in de nacht. Wordt hier al verwezen naar lijden en kruisdood? In ieder geval blijkt dat de ‘Gij’ uit de tekst én God én Jezus is. Door dromen (visioenen) in onze nacht te zaaien geeft de ‘Gij’ ons hoop op een nieuwe toekomst. Zo kunnen wij het donker uithouden.
In het laatste zinnetje staat opnieuw het woord ‘voorgoed’. Opnieuw kun je de vraag stellen of dat betekent: om goed te doen of altijd, definitief. In het laatste geval kun je denken de wederkomst van Christus. Hij was bij de Vader, hij kwam op aarde, keerde terug naar zijn Vader en zal voorgoed wederkomen op het einde der tijden.

Couplet 5

Het laatste couplet grijpt terug op het eerste couplet: de stralende lichte eeuwigheid wordt hier als licht op aarde ontstoken. We mogen ons warmen aan de gloed van de genade en karakteristiek aan genade is dat het onverdiend is, zomaar gegeven. De laatste regels vormen onze reactie op die genade: we delen met elkaar het licht dat we ontvangen, het (lof)lied uit onze mond en de zegen. Ook de zegen is iets dat wij ontvangen en mag hier verstaan worden als het heil en de voorspoed die ons geschonken worden. Ten slotte zingen wij uit, dat wij dragers van het licht zijn, het licht dat aan de dag is getreden en dat wij met dat licht het duister verdrijven.

Auteur: Andries Govaart


Melodie

De melodie van Willem Vogel is exact te dateren, namelijk woensdag 24 april 1985. Vogel schreef de melodie ten behoeve van het ‘Lied van de week’ van 11 juli van datzelfde jaar. Dat lied, met dezelfde titel als Lied 500, verscheen vervolgens in diverse uitgaven (Zingend Geloven III (1987), Amsterdamse Katern 3 (1990), Oud-Katholiek Gezangboek (1990), Tussentijds (2005) en Jij, mijn adem (2009)). Ondertussen diende het lied als uitgangspunt voor de tekst die nu in het Liedboek is opgenomen, Lied 500. Ook dát lied is terug te vinden in diverse bronnen (Amsterdamse Katern 3 (1990), Zingend Geloven IV (1991), Tegen het donker (2002), Tussentijds (2005) en Jij, mijn adem (2009)). Hoe wijdverbreid het lied ook al was voordat het in het Liedboek terechtkwam, de melodie én de meerstemmige zetting zijn sinds die woensdag 24 april 1985 steeds hetzelfde gebleven. Zelfs de begeleiding in het Liedboek is slechts een ontritmiseerde versie van de koorzetting.

In onderstaand notenvoorbeeld is in normale noten de ‘van het ritme ontdane’ versie van de melodie te vinden (grote noten, stokken omhoog). De kleine nootjes geven het ritme aan. Bovendien zijn ten behoeve van het overzicht steeds twee melodieregels achter elkaar geplaatst.

Meteen valt het melodisch rijm op dat de regelparen verbindt. Zo hebben de eerste twee regelparen met elkaar gemeen dat de melodische beweging in halve noten voortschrijdt, een ‘zaagtandvorm’ heeft en dalend afsluit op twee repeterende noten. Het ritme van het derde regelpaar komt overeen met dat van de eerdere regels. De melodie van deze frase (derde balk op bovenstaand notenvoorbeeld) beweegt zich echter grotendeels in kwartnoten. Het laatste regelpaar wijkt ritmisch af van de voorafgaande: in de overgang tussen de zevende en achtste regel – halverwege de bovenstaande laatste balk – is het gepuncteerde ritme uitgesteld en vervangen door twee halve noten. Het effect is vergelijkbaar met het slot van het bekende For he’s a jolly good fellow: de verbreding aan slot van de voorlaatste regel geeft de slotregel een bevrijdende ontspanning. Ook is in bovenstaand notenvoorbeeld goed de melodische overkomst tussen de regels 6 en 8 (slot van derde en vierde balk) te zien: een dalende respectievelijk stijgende toonladderfiguur, gevolgd door een dalende slotwending in halve noten.

In het Liedboek – en ook al in De Vries’ liedbundels Tegen het donker en Jij, mijn adem – is de eerste strofe gelijk aan de eerste strofe van het aanvankelijke lied uit 1985. Het lijkt zeer plausibel dat Vogel zich bij de regel ‘Uw wijde hemel welft zich rond over de aarde’ niet alleen door de inhoud van de tekst (hemel-aarde: hoog-laag) heeft laten leiden, maar ook door de enige plaats waar in het rijmpsalter het woord ‘welven’ voorkomt: in Psalm 89:1. Het slot van het derde regelpaar is identiek – zelfs de toonsoort – aan het slot van de voorlaatste regel van Psalm 89.

Liedboek 89: 1

 Liedboek 500:

De melodie gaat steeds vergezeld van dezelfde meerstemmige zetting, die haast – als bij veel Engelse hymns – als obligate en onvervreemdbare harmonie bij deze wijs is gaan functioneren. Basale en consonante harmonieën (veel grondliggingen afgewisseld met enkele sextakkoorden) kleuren de meerstemmigheid die deze compositie als geheel het karakter van een eenvoudig volkslied verleent. Een rustig tempo van rond de 60 halve noten per minuut lijkt voor deze melodie het meest geëigend.

Auteur: Christiaan Winter


Media

Uitvoerenden: Cantate Deo Ouderkerk aan den Amstel, Amstellandse Cantorij, Kleine Cantorij Hilversum en Cantorij Ontmoetingskerk Hilversum o.l.v. Willem Vogel; Eric Jan Joosse, orgel (strofen 2, 3, 5)