Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

524 - Nu Gij de doop ontvangt in de Jordaan


Anton Metske
Genève 1562
Psalm 116

Tekst

Ontstaan

Het ontstaan van deze liedtekst is precies te dateren. Op 7 januari 2007 was Anton Metske als kerkganger aanwezig in de Lutherse Kerk te Arnhem. Op deze dag, de eerste zondag na Epifanie, waarop de Doop van de Heer wordt gevierd, hield de pastor loci, ds. Klaas Touwen, een preek over Matteüs 3,13-17. Die preek zette Metske aan om deze liedtekst te schrijven. Na de dienst is hij er meteen voor gaan zitten. Enkele uren later lag de liedtekst in de mailbox van Klaas Touwen. Ook de tekst van de preek is bewaard gebleven en vergelijking van preek- en liedtekst maakt duidelijk dat de dichter goed geluisterd heeft naar de prediker en zich door hem liet inspireren: enkele zinnen uit de preek zijn bijna letterlijk in de liedtekst terug te vinden.
Anton Metske schrijft regelmatig liedteksten, nagenoeg steeds voor gebruik in zijn eigen praktijk als pastor van dak- en thuislozen in het centrum van Arnhem. Een selectie van deze liedteksten stelde hij na een verzoek daartoe ter beschikking van de liedboekredactie. Deze koos daaruit twee teksten: naast dit lied ook nr. 938: ‘Christus die u wilt tooien’.

Inhoud

Het verhaal over de doop van Jezus in de Jordaan komt in alle evangeliën voor (Matteüs 3,13-17; Marcus 1,9-11; Lucas 3,21-22; Johannes 1,29-34) en is jaarlijks aan de orde op de eerste zondag na Epifanie. Het wordt beschouwd als een van de drie kernverhalen van Epifanie, de verschijning of openbaring van Christus. Naast het verhaal over de drie magiërs (Matteüs 2,1-12), gelezen op Epifanie, zijn dat de verhalen over de doop van Jezus en over het eerste teken van Jezus te Kana (Johannes 2,1-11). Het laatstgenoemde bijbelgedeelte wordt gelezen op de tweede zondag na Epifanie. In Liedboek 516 en 526 komen deze drie verhalen samen.
De perikoop over de doop van Jezus in de Jordaan vindt voorafbeeldingen in verhalen uit het Oude Testament, zoals ze in de derde regel van het lied worden aangeduid met de namen van Noach, Mozes, Jona en Naäman. Die relaties tussen verhalen lezen we ook in het ‘zondvloedgebed’, een klassiek doopgebed uit de tijd van de Reformatie (zie Dienstboek PKN, deel 2, blz. 166).
De tekst is geen navertelling van de bijbelperikoop maar richt zich tot Jezus, spreekt Hem aan, en vindt het hoogtepunt in de woorden van de stem uit de hemel waarin Hij Zoon van God wordt genoemd. Dit lezen we in de het begin van de vierde strofe (de gulden snede van de tekst!).

Strofe 1

De eerste twee regels van deze strofe verwoorden dat bij Jezus’ doop al het water van de wereld in de Jordaan ‘samenstroomt’. In deze regels zijn enkele zinnen uit de preek van Klaas Touwen te herkennen: ‘…als je je vooroverbuigt hier in de rimpelingen van het water in de vont, zie je niet alleen jezelf weerspiegeld. Hier in de kringen in het water doet zich de geschiedenis van de hele wereld voor. Op de dag van Jezus’ doop stroomden in de Jordaan alle wateren van de oervloed samen.’
Van de vier bijbelfiguren die in de derde regel zijn genoemd, zijn de eerste twee ontleend aan het ‘zondvloedgebed’.

Strofe 2

Zoals hierboven opgemerkt moeten de liedteksten van Anton Metske worden verstaan tegen de achtergrond van zijn dagelijks werk: pastoraat voor dak- en thuislozen, vluchtelingen en drugsverslaafden in het centrum van Arnhem, maar aan de rand van de samenleving.
Deze context is vooral leesbaar in de tweede strofe met als eerste zinnen: ‘Gij wilt niet als een onbeschreven blad / veraf staan van ons volgekladderd leven…’  In deze strofe wordt een ander aspect van de betekenis van dit bijbelverhaal duidelijk: door zijn doop deelt Christus in ons leven.
Ook hier vond Metske in de woorden van Touwen inspiratie: ‘Johannes vond het niet gepast dat ook Jezus de doop zou ondergaan. Hij zou hem ervan weerhouden dat Jezus een zondaar onder de zondaars zou worden, ook een mens met een kras door zijn ziel, een mens die met God en mensen in het reine moet komen, een mens die schuld draagt en die in den blinde tast naar Gods wil. (…) En zo heeft Jezus die veronderstelde blanke lege bladzijde vol laten schrijven met alle verhalen en de vlekken, de schandvlekken, van heel het menselijk bestaan. Op zijn bladzijde staan nu de probeersels en de doorhalingen van jouw levensverhaal.’

Strofe 3

Soms zien we op doopvonten of aan de voet daarvan een leeuw afgebeeld: als beeld van het kwaad dat mensen kan verslinden. Dit geldt ook voor de Leviatan, een bedreigend watermonster uit de oertijd, dat verschillende keren in het Oude Testament wordt genoemd (zie onder andere Psalm 74,14). Twee dieren die in de iconografie het kwaad symboliseren: ze zijn de ‘samenballing’ van alle onheil en kwaad in deze wereld. In de klassieke doopliturgie is de strijd tussen goed en kwaad een belangrijk motief. De doop is dan het teken van de beteugeling van het kwaad.
Deze strofe begint met een paradoxaal beeld: ‘glorieuze ondergang’. Dopen is ondergaan en opstaan en zo is Jezus’ doop een teken dat het goede het kwaad overwint: ‘het monster van de oervloed in bedwang’.

Strofe 4

Kern in het verhaal van de doop van Jezus, en dus ook in dit lied, is dat Hij opstond uit het water, terwijl de Geest van God op Hem neerdaalde in de gedaante van een duif terwijl de goddelijke proclamatie klonk: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in Hem vind ik vreugde’ (Matteüs 3,17). Strofe 4 opent met dit opstaan uit het water en de woorden uit de hemel (regel 1 en 2).
Het beeld van de duif wordt daarna weer verbonden met het verhaal van Noach. Als Noach de duif laat uitvliegen en deze niet meer terugkeert (‘En eindelijk kan Noachs duif haar vleugels / dichtvouwen…’), is dat een teken dat de aarde droog is: een nieuw begin van leven (regel 3 en 4).

Strofe 5

De slotstrofe vat het lied samen: ‘Gij roept de hele schepping tot de orde / van zaligheid’. Metske opent deze strofe met het doopverhaal volgens de evangelist Johannes, die schrijft dat Johannes de Doper op Jezus wijst: ‘Daar is het lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt’ (Johannes 1,29; zie regel 1 en 2). De laatste woorden van regel 4 zijn een citaat van Openbaring 21,1, een visioen van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, waar geen dood en lijden meer bestaan.

Liturgische bruikbaarheid

Het lied is natuurlijk allereerst bestemd voor het feest van de Doop van de Heer, de eerste zondag na Epifanie. Maar daarnaast kan het ook in doopdiensten een rol spelen als vervolg op het doopgebed (het zogenaamde ‘zondvloedgebed’) waarin naar de oudtestamentische verhalen over water en het evangelie over de doop van Jezus wordt verwezen. 

Auteur: Pieter Endedijk 

Met dank aan ds. Klaas Touwen voor het beschikbaar stellen van zijn preek, gehouden op 7 januari 2007 in de Lutherse Kerk te Arnhem.


Melodie

Ontstaan en verspreiding

De melodie werd oorspronkelijk gecomponeerd bij de berijming die Théodore de Bèze (1519-1605) van Psalm 116 maakte ten behoeve van het Geneefse psalter: J’aime mon Dieu, car lorsque j’ay crié. Zij werd voor het eerst gepubliceerd in de volledige versie van het psalter: Les Pseaumes mis en rime francoise Par Clement Marot & Theodore de Beze (Genève 1562). In deze bundel stonden zo’n veertig nieuwe psalmmelodieën. Ze waren gecomponeerd door een zekere ‘Maître Pierre’. Daarmee wordt naar alle waarschijnlijkheid Pierre Davantès (±1525-1561) bedoeld, die vanaf maart 1559 als musicus werkzaam was in Genève.

De melodie stond als volgt genoteerd:

Toen het Geneefse psalter zijn voltooiing naderde, zijn sommige melodieën die al aan een psalm verbonden waren, ook bij andere psalmen geplaatst. Zo werd de melodie die voor Psalm 116 gecomponeerd was, ook gebruikt bij Psalm 74.

De melodie werd in de Nederlanden zeer populair en behoorde de eeuwen door tot de evergreens. De geliefdheid betrof zowel de (berijmde) psalm c.q. de tekst van de berijming als de melodie die ook vaak voor contrafacten gebruikt werd.

De melodie treffen we in de Evangelische Gezangen (1806, gezang 65) aan bij het lied ‘’k Heb Jezus lief! Hij is mijn licht en kracht’ van Hieronymus van Alphen (1746-1803), en in de Vervolgbundel op de Evangelische Gezangen (1866, gez. 219) bij het dooplied ‘Zie op ons neêr naar uw barmhartigheid’ van Bernardus de Bosch (1709-1786). Het dooplied van Anton J. Metske is dus niet het eerste dooplied dat gezongen wordt op deze melodie. Metske heeft zijn liedtekst overigens geschreven op de melodie van Guido Philippeth die in Zingt Jubilate geplaatst is bij het lied ‘Wees niet verbaast als u de wereld haat’ (nr. 721).

Analyse

De melodie staat in de mixolydische modus (zevende toon) en maakt gebruik van zes tonen, die samen het hexachordum durum vormen. Met twee mollen als voortekening gaat het om de omvang: f’-d”.

De notie ‘roepen’ speelt een centrale rol in de psalmtekst en dit element heeft de melodie in hoge mate bepaald. Zij speelt zich namelijk hoofdzakelijk af rond de dominant c” die ook wel de ‘roeptoon’ genoemd wordt. Wie de melodie zingt, zal merken dat hij relatief hoog ligt, wat het gevolg is van het feit dat de roeptoon het centrum vormt.

In de eerste melodieregel is die dominanttoon c” meteen al nadrukkelijk aanwezig. Hij wordt niet alleen melodisch, maar ook ritmisch benadrukt: melodisch doordat hij aan het begin bevestigd wordt door a’-bes’, ritmisch doordat de dominanttoon, die in deze regel drie keer klinkt, steeds een halve noot is, terwijl de overige noten de waarde van een kwartnoot hebben (afgezien uiteraard van de slotnoot). Pas aan het einde van de regel daalt de melodie naar de finalis f’.

De tweede regel laat een omgekeerde beweging zien: vanaf de finalis stijgt de melodie in twee noten weer naar de dominant.

Het hoogtepunt d” (in solmisatietermen: la) bereikt de melodie in de derde regel. Ook deze regel circuleert rond de roeptoon, maar met de voorlaatste noot (d”) komt de melodie eenmalig boven de dominant uit. In deze regel treffen we voor het eerst een interval groter dan een terts aan: de kwartsprong g’-c”. Deze sprong komt ook in de laatste regel voor, maar dan in dalende richting. Deze slotregel is verder het meest verwant aan de eerste.

De beperking tot een enkel hexachord (zes tonen) en de prominente rol van de dominant verlenen de melodie een sterk homogeen karakter. Verder komen we de formule a’-bes’-c” (in solmisatietermen: mi-fa-sol) tegen aan het begin van de regels 1, 2 en 4:

  

Tot slot wordt de homogeniteit bereikt door de ritmische structuur, die in alle regels gelijk is, waarbij de op elkaar rijmende regels 2 en 3 een extra halve noot hebben.

 

Auteur: Jan Smelik