Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

525 - Wij willen de bruiloftsgasten zijn


Een eerste kennismaking

Het begin van de tekenen waarin Jezus zijn heerlijkheid openbaart geschiedt op de derde dag te Kana in Galilea (Johannes 2,11). Daarom wordt het evangelie over de bruiloft te Kana vanouds gelezen in het begin van de epifaniëntijd (verschijningstijd), op de tweede zondag.
Dit bijbellied – volgens de dichter Muus Jacobse (1909-1972) ‘een eerste probeersel in dit genre’ – is niet alleen een navertelling van het bijbelverhaal. Dan zou de zingende gemeente slechts toehoorder of toeschouwer zijn. De dichter gebruikt, zoals vaker in zijn vele bijbelliederen, een ‘identificatietechniek’: de zangers worden betrokken in het verhaal, ze kunnen zich identificeren met een of meer personen die daarin een rol spelen, hier de discipelen. Daarom: ‘Wij willen de bruiloftsgasten zijn...’ Vanuit dit kijkpunt wordt het verhaal ervaren: ‘Wij mogen met Jezus gezeten zijn / te Kana tussen de gasten...’ (strofe 4).
In de laatste strofe wordt het verhaal verbreed: het water verwijst naar de watervloed: beeld van de dood die overwonnen wordt, de wijn wordt tot het hartebloed van Christus.
Met dit lied schreef Muus Jacobse een nieuw ‘geestelijk volkslied’ en componist Willem Vogel schreef in die stijl een eenvoudige melodie (‘zomaar een vrolijk wijsje...’), om samen, met klein en groot te zingen.

Auteur: Pieter Endedijk


De bruiloft te Kana

Muus Jacobse
Willem Vogel

Tekst

Deze toelichting bij de liedtekst is overgenomen uit ‘Een Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken’ (Amsterdam 1977) en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is. De toelichting bij de melodie is voor dit compendium nieuw geschreven.

Gedicht bij wijze van eerste probeersel in het genre ‘bijbellied’ op een door Jan Wit opgegeven thema (zie Ontmoeting, april/mei 1962, het speciale nummer gewijd aan ‘Het nieuwe kerklied’, blz. 26-27: ‘Het moest de toon hebben van een geestelijk volkslied. En ik legde de bijbel voor mij open bij het verhaal van de bruiloft en begon maar te schrijven: ‘Wij willen de bruiloftsgasten zijn / van Kana in Galilea...’ Want het moest natuurlijk geen ik -lied zijn, maar een wij -lied. Wij, als gemeente, moesten ons identificeren met de discipelen van Jezus. Wij moesten met Jezus en Maria aanzitten aan de bruiloft te Kana en daarvan zingen. Met deze eerste regels was de strofevorm gegeven en van hieruit zong het lied zich vanzelf verder.’) De strofen 1 tot en met 4 vertellen eenvoudig het verhaal na uit Johannes 2,1-10, strofe 5 geeft een persoonlijke interpretatie. Hier is het water een doodssymbool geworden en de wijn een aanduiding van Jezus’ ‘hartebloed’, dat ons in het leven stelt.

Auteur: Klaas Heeroma


Melodie

Willem Vogel schreef de melodie van Liedboek 525 in 1959 ten behoeve van de uitgave van de kerstkring van De adem van het jaar. Hij noemt het zelf ‘zo maar een vrolijk wijsje’ (Compendium bij de gezangen uit het Liedboek voor de kerken, k. 273), om vervolgens uit te leggen hoe ‘onopzettelijk’, maar in mijn ogen behoorlijk doordacht, deze melodie is opgebouwd:
- regel 1 en 3 zijn aan elkaar gelijk;
- regel 2 en 5 zijn – vrijwel – aan elkaar gelijk;
- regel 2 en 5 benaderen het spiegelbeeld van regel 1;
- regel 4 is een ‘superlatief’ van regel 1 en 3.

Vogel laat de melodie meebewegen met het rijmschema van het lied: de regels 1, 3 en 4 met een stijgende curve, de regels 2 en 5 met een dalende kromming. De vrolijke toon wordt in niet geringe mate teweeggebracht door de consequent doorgevoerde driedelige maatsoort. Deze geeft een zwierige onbekommerdheid aan dit lied. Een ander voordeel van de keuze voor de driekwartsmaat is de eenvoudige wijze waarop het wisselend aantal lettergrepen per regel in deze melodie ondergebracht kan worden. Dit niet constante aantal lettergrepen geeft het lied het karakter van een ballade, gezongen verhalende dramatiek, in dit geval met een licht fruitige afdronk. Daarnaast zijn het de gebroken drieklanken die de melodie enerzijds basaal, bijna naïef van aard maken en anderzijds uitbundigheid meegeven. Het enige melisme in de wijs – aan het slot van de vierde regel – is ongetwijfeld ingegeven door het woord ‘vrolijk’, dat daar in de eerste strofe klinkt. Het dient echter ook een muzikaal doel. Dit melodisch hoogtepunt krijgt zo extra nadruk, misschien zelfs wel een kleine verbreding, zodat de slotregel werkt als een conclusie, een uitroepteken! Het is vergelijkbaar met de voorlaatste regel van For he ’s a jolly good fellow (zie ook Liedboek 500), ook geschreven voor feesten en partijen: de verbreding aan slot van de voorlaatste regel geeft de slotregel een bevrijdende ontspanning.

In alle eenvoud van Vogels eigen meerstemmige begeleidingszetting is het ook daar het slot van de vierde regel dat een harmonisch aparte behandeling krijgt: de chromatiek in de tenorstem trekt onmiskenbaar de aandacht. De koorzetting is van ondergetekende en ook daar klinken – even onopzettelijk als bij Vogel – harmonische capriolen aan het slot van de vierde regel. Het zal wel zo horen. Vogel voegt in het Compendium nog toe dat het lied ‘niet te snel en legato’ gezongen dient te worden: mijns inziens niet meer dan 40 maten per minuut.

Auteur: Christiaan Winter


Media

Uitvoerenden: Basilicakoor Maastricht o.l.v. Hans Leenders; Sjef Streukens, orgel (strofen 1, 2, 3) (bron: KRO-NCRV)