Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

526 - Juich voor de koning van de Joden


Een eerste kennismaking

De tekst van de gregoriaanse antifoon bij het Magnificat van de vespers van het feest van Epifanie, 6 januari, luidt: ‘Drie wonderen vieren wij op deze heilige dag: heden bracht een ster de wijzen naar de kribbe; heden is water in wijn veranderd op het bruiloftsfeest; heden wilde Christus door Johannes gedoopt worden in de Jordaan om ons te redden. Halleluja.’ Deze drie thema’s van Epifanie horen bijeen (drie keer ‘heden’), maar in de praktijk van de liturgie worden ze nu uiteengelegd over drie dagen: Epifanie en de twee daarop volgende zondagen.
In dit lied heeft de dichter Tom Naastepad deze drie motieven tot een eenheid samengebracht: de eerste strofe verhaalt over de wijzen (Epifanie), strofe 2 over de doop in de Jordaan (eerste zondag na Epifanie), strofe 3 over de bruiloft te Kana (tweede zondag na Epifanie). De laatste strofe is een afronding, waarbij de eerste regel een verbreding is van de openingsregel van het lied: ‘Juich voor de koning van de Joden’(1,1) wordt tot ‘Juich voor de koning van de volken’ (4,1). In de derde strofe vinden we, naast Johannes 2, andere verwijzingen naar teksten uit dit evangelie: ‘Mijn uur is nog niet gekomen’ (2,4) wordt tot ‘omdat Hij, in zijn uur gekomen / de aarde aan zijn zijde vond’ (17,1) en Johannes 15,1 herkennen we in regel 4.

Auteur: Pieter Endedijk


Epifanie

Tom Naastepad
Straatsburg 1545/Genève 1551
Psalm 118

Tekst

Deze toelichting van de liedtekst is overgenomen uit ‘Een Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken’ (Amsterdam 1977) en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is.

Met groot plezier en bijna moeiteloos schreef ik in de dagen van Epifanie 1963 dit lied op die machtige hypo-jonische wijs van Psalm 98/118. De tekst handelt over het drievoudige geheimenis van Epifanie: de aanbidding van de wijzen, de doop in de Jordaan en de bruiloft te Kana; tezamen zijn zij de verschijning des Heren en de vooruitgeworpen beelden van zijn wederkomst.

Eerste strofe: de aanbidding van de magiërs. Het zijn de volken, de heidenen, de vreemden, die het eerst iets komen aanbrengen aan de koning van de Jóden! Het staat er bij Matteüs zeer polemisch, en ook wel erg geestig, temeer wanneer men eens de moeite neemt om de concordantie van het Griekse prospherein (‘aanbrengen’) bij Mattheüs er op na te slaan!

Met opzet heb ik het woord ‘bespot’ aan het eind van een regel gebruikt, nota bene als rijmwoord op ‘God’; ik heb dat bedoeld als een protest tegen de bijbelvertalers die weigeren te lezen wat er in het Grieks van Matteüs staat: empaizein; dat betekent ‘bespotten’ en niet ‘bedrfiegen’ of ‘misleiden’. De magiërs hebben Herodes juist niét bedrogen of misleid. Door het kind te aanbidden (de koning der Joden) en niet Herodes (de dove wereldmacht die zich als koning der Joden wil laten gelden) geven ze hem maar al te duidelijk te kennen waar hij, Herodes, die niet met zich laat spotten, aan toe is! Als die magiërs iets niet hebben gedaan, dan was het of

Tweede strofe: de doop in de Jordaan. Deze is de enige doop van alle doop; in deze doop zijn wij gedoopt: tot een teken van tegenspraak. Deze is de ene doop waarin de Vader het enige oordeel heeft uitgesproken en de enige predestinatie heeft beschikt. Wij mogen deze vingerwijzing Gods niet beduimelen door de intriges van de volkskerk met haar kinderdoop en prinsenparade. ‘Tegen de stróóm staat hij ten teken!’

Derde strofe: hier is gedacht aan meerdere teksten uit Johannes tegelijk: ‘Mijn uur is nog niet gekomen’ (2,4), ‘Ik ben de ware wijnstok’ (15,1), ‘Vader, de ure is gekomen, verheerlijk uw Zoon (17,1). Toen zijn uur gekomen was is hij zelf een bruidegom geworden; hij heeft zich aan de aarde verbonden en hij is tot haar ingegaan als een stervend zaad.

Vierde strofe: koning van de Joden heet nu: koning van de volken. Hij, die tot de Joden en uit de Joden gekomen is, zal ook komen tot allen. In afwachting daarvan zijn wij schatplichtig aan de aarde waaraan hij zich heeft verpand.

Auteur: Tom Naastepad


Melodie

Voor een bespreking van de melodie: zie Liedboek 489.