Zoek een lied

{{ filtered.length }} van {{ totalItems}} liederen getoond

Geen liederen of gedichten gevonden

532 - De visser ging uit vissen


Een eerste kennismaking

Als het evangelie over de roeping van de eerste discipelen wordt gelezen (zoals Lucas 5,1-11), is dit lied passend om met jong en ouder te zingen.
De dichter Hans Bouma schreef deze tekst voor een dienst waarin dit evangelie aan de orde was. Het is een vertellend lied geworden. Wie dit lied zingt, leert het verhaal kennen, en eigenlijk moeten we ons bij het zingen voorstellen dat we het verhaal nog níet kennen. Over wie gaat het? Pas aan het eind wordt duidelijk over wie het gaat, wie die visser is: Simon Petrus, de visser die zelf een vis blijkt te zijn (‘de vis die vissen kan’), in dienst van de grote visserman (strofe 4). De eerste drie strofen gaan vooral over de visser die een vis is: ‘hij hapte naar het woord’ (strofe 2); ‘de visser spartelt tegen’ (strofe 3). Het tweede deel van het lied heeft het woord van Jezus als uitgangspunt: ‘Voortaan zul je mensen vangen’ (Lucas 5,10). Er is ‘een zee van mensen, die snakken naar het woord’.
De melodie van Marijke Bleij-Pel kent een eenvoudig dalend motief (in regel 1 en 3) en een ritmisch motief in de andere regels als contrast.

Auteur: Pieter Endedijk


Hans Bouma
Marijke Bleij-Pel

Tekst

Deze toelichting is overgenomen uit ‘Commentaar bij Zingend Geloven 7’ en wordt tijdelijk op deze site geplaatst. Deze tekst wordt vervangen als er een definitieve toelichting beschikbaar is.

Lucas 5,1-11 is aanleiding voor deze liedtekst, die in de lijn van dit bekende verhaal van ‘de wonderbare visvangst’ een heel eigen weg gaat. Bepalend is daarbij één detail: Jezus’ opmerking aan het slot: van nu aan zul je mensen vangen!
Pas in het laatste couplet wordt duidelijk wie de hoofdpersoon (‘de visser’ uit de allereerste regel) is: zijn naam is Simon Petrus. Het is zijn boot, die Jezus als katheder gebruikt voor het onderricht aan de oever van het meer. Simon is het ook die opdracht krijgt het net opnieuw uit te werpen, na heel de nacht niets gevangen te hebben (couplet 1).
Maar deze visser blijkt zelf een vis te zijn! Iemand, die uit het water is opgevist, gered van de ondergang. Hij ‘hapte naar het woord’, het onderricht van de Heer heeft hem gelokt. En zo is hij aan boord gehaald, als gevangen vis (couplet 2).
De dichter Hans Bouma benut de gebruikelijke gang van zaken bij een visvangst: het laten happen naar het aas, het inhalen van de lijn en het binnenboord trekken, het tegenspartelen van de gladde vis, en de vasthoudendheid van de hengelaar. Beelden als metafoor van de mensenreddende bezigheid.
De omkering wordt doorgezet in couplet 4: ‘een vis, die vissen kon’. Hij is gered om te redden. Die visser komt in dienst van de ‘grote visserman’, die hem heeft gered. Diens arbeid moet voortgezet worden in de ‘zee van mensen’, de grote massa drenkelingen, die snakken naar leven. Zo wordt Simon ‘visser op het land’ (couplet 5).


Melodie

Het lied bestaat uit verzen van vijf regels, waarvan de laatste regel steeds een herhaling van de tekst van de vierde regel is. De maatsoort is overwegend 4/4. De melodie staat in d-klein, en heeft een omvang van een octaaf. Ze is opgebouwd uit twee motieven: het eerste motief bestaat uit een stapsgewijs dalende melodie in kwartnoten, die zich binnen een kleine-tertsomvang voltrekt. Het andere motief wordt gekenmerkt door het gepuncteerde kort-lang-ritme, hetgeen is ontleend aan het spraakritme. Dit motief heeft telkens andere melodische contouren. Het eerste motief klinkt in de eerste en derde versregel, het tweede motief in de overige versregels. Nadat de eerste twee regels zich binnen de kwintruimte tussen de d’ en de a’ bevonden, klinkt in de derde regel het eerste motief een kleine terts hoger. Ook gedurende de vierde regel blijft de melodie in het hoge register, waarna in de vijfde regel teruggekeerd wordt naar het aanvangsregister.
Temposuggestie: MM = 120 voor de kwartnoot.


Media

Uitvoerenden: Ensemble Sonus Vita o.l.v. Anjo de Haan; Pieter Pilon, orgel (bron: KRO-NCRV)